Steenachtige vloerbedekking
Introductie
Steenachtige vloeren kunnen ter plekke handmatig als aardvochtige massa worden opgebracht, maar ook in vloeibare vorm gegoten. In het eerste geval gaat het om vloeren van terrazzo en granito of magnesiet, tijdens de wederopbouw veel gebruikt voor vloeren in openbare gebouwen, keukens en trapportalen. In andere gevallen gaat het om naadloze gietvloeren die vooral in utilitaire gebouwen worden toegepast. Deze laatste zijn doorgaans op cementbasis en worden door toeslagstoffen (plastificeermiddelen) beter vloeibaar gemaakt om strak horizontaal te verharden (zelfnivellerend).


In het themanummer over vloeren van Misset’s Bouwwereld uit 1965 wordt een indeling gemaakt in naadloze en niet-naadloze vloeren en worden acht soorten naadloze vloeren opgesomd: asfalt- en bitumenemulsie vloeren, rubbercement en epoxy deklagen, cementgebonden vloeren, magnesiet vloeren, synthetisch-anhydriet vloeren, terrazzo- en granitovloeren. De eerste drie soorten werden vooral toegepast in bedrijfs- en industriegebouwen.
Naadloze vloeren
Cementgebonden gietdekvloeren bestonden in hun eenvoudigste vorm uit cement, zand en kifgrind (klein riviergrind van drie tot acht millimeter), maar kregen vaak een extra toeslagstof om een goed verwerkbare en uiteindelijk harde en stofvrije vloer te vormen. Vanaf 1925 werd voor een harde slijtlaag ook de zeer harde toeslagstof carborundum (een siliciumcarbid) toegevoegd.
Als ondervloer voor gladde vloerbedekkingen kwamen vanaf de jaren zestig isolerende dekvloeren voor onder de handelsnaam Vermiculite en Vermisol. Met als toevoeging tot korrels geëxpandeerde minerale toeslagmaterialen, in plaats van grind. Varianten daarop zijn perliet (geëxpandeerd vulkanisch gesteente) en hollith (geëxpandeerde wassteen: mijnsteen, een soort leisteen).
Anhydriet
Een anhydrietvloer is een zelfnivellerende gietvloer die vanaf begin jaren zeventig vaak in combinatie met vloerverwarming als dekvloer diende. Anhydriet is gemaakt uit gipssteen (calciumsulfaat) dat tot 500 °C gebrand wordt en zo al zijn (chemisch gebonden) kristalwater verliest (watervrije gips). Dit in tegenstelling tot stukadoorgips dat nog wel kristalwater bevat. Het resultaat heet vloergips en wordt met zand, kifgrind en een vloeimiddel vermengd tot een dekvloer die plastischer is dan een cementvloer.
Houtgraniet
In 1867 ontdekte de Fransman Stanislaus Sorel dat magnesiumoxide aangemaakt met chloormagnesium versteent tot een grote hardheid en vastheid. Aan dit zogeheten Sorel-cement wordt tot de helft houtzaagsel toegevoegd en dan spreekt men over houtgraniet. Vanaf circa 1900 werden deze vloeren toegepast ter afwerking van houten balkenvloeren in woningen en later als dekvloer op beton, onder de namen Doloment, Torgament en Xyloliet. De vloeren hadden een laag gewicht en waren warmte-isolerend en geluiddempend. Soms gebruikte men sporen van kleurstof voor een marmerachtige uitstraling. Na de oorlog werd bij deze vloeren ook geëxperimenteerd met asbestvezels als vulmiddel. Het oppervlak van de vloer werd behandeld met lijnolie. Dergelijke vloeren werden in de jaren vijftig en zestig toegepast in keukens van woningbouwprojecten en in hallen en wachtkamers.
Granito en terrazzo
De belangrijkste en meest representatieve naadloze vloer was die van kunstgraniet, ook granito en terrazzo genoemd. Het betreft een drie tot vijf centimeter dikke bovenlaag van hydraulische kalk, vanaf circa 1880 cement, waarin diverse steenslagkorrels zijn verwerkt. Als er patronen in de vloer zijn aangebracht, spreekt men van terrazzo, anders van granito. De steenslag kon bestaan uit marmer-, graniet-, kalksteen- of andere natuursteenkorrels in verschillende kleuren die in de – al dan niet gekleurde - mortel werden gewalst. Na verharding werd het oppervlak geslepen, in eerste instantie met zandsteen, maar later met de minder silicosestof veroorzakende Gotlandsteen, en vervolgens gepolijst met carborundum. Het zware handwerk werd vanaf 1920 verlicht met schuurmachines. Voor versieringen van hoekstukken en het vormen van scheidingen bij randen en rozetten gebruikte men zetsteentjes van marmer. Vlakken groter dan vier bij vier meter scheidde men met vloerstrips van lood, later van messing of gekleurde kunststoffen. Krimpscheuren die plaatselijk tot verkruimeling kunnen leiden, waren een regelmatig voorkomend probleem. T
Immigranten
Terrazzovloeren vergen veel vakkundigheid en werden doorgaans gelegd door immigranten afkomstig uit de Noord-Italiaanse streek Friuli. Hiertoe behoorden de vooral in Duitsland bekend geworden I. Odorico (Dom in Berlijn) en de daar opgeleide en later in Den Haag gevestigde G.B. Gobeschi. Deze laatste werkte aldaar aan de Passage (1885). Van de tweede generatie vestigde V.C. Marcolina zich in 1919 in ‘s-Hertogenbosch waar de firma nog steeds terrazzoproducten maakt. Nog net vooroorlogs, maar met veel terrazzo in de keuken is het woonhuis van architect Sybold van Ravesteyn in Utrecht (1933). Een recenter voorbeeld is de winkel van slagerij B. Tol in Rotterdam-Hillegersberg uit 1954 (afb. 2).
In de wederopbouw was terrazzo, maar vooral granito, ook zeer populair, niet alleen voor vloeren, hallen, trapportalen, winkels, keukens en zelfs operatiezalen, maar ook voor aanrechtbladen en douchebakken. Ook kwamen er terrazzotegels op de markt. Vanwege het arbeidsintensieve procedé verloren dit soort vloeren vanaf de tweede helft van de jaren zestig wat aan populariteit, maar terrazzo aanrechtbladen worden nog steeds gemaakt. Vanaf de jaren zeventig werd daarbij op pvc gebaseerde bindmiddelen toegepast waarmee men tevens het nadeel van de krimpscheurtjes oploste.
Literatuur
- R. Fasse, Het houtgraniet. Techniek en ambacht-serie 15, Deventer 1947 (derde druk).
- P.J. van Bentum, Vloeren, wanden en plafonds. Materiaalkeuze, onderhoud, Amsterdam 1959.
- ‘Vloerennummer’, Bouwwereld 61 (1965) 19.
- O. Andrean en P.W.A. Metman, Het terrazzoboek, Den Haag 1986.
- M. Kuipers (ed.), Interieurs van herrijzend Nederland 1940-65. Binnenruimten van een opkomende welvaartsstaat, Zwolle 2019.
Dit is een bewerking van: Ronald Stenvert, 'Vloerbedekking. Steenachtig', in: Kees Somer en Ronald Stenvert (red.), Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing, Rotterdam 2024, p. 247-248.
Rijksmonumenten bij dit artikel
Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie ook
ArtikelenHoort bij deze thema's
Specialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 10:50.