Textiel - vloerbedekking
Introductie
Matten, kleden, karpetten en tapijten schaart men onder de zachte, textiele vloerafwerkingen. Ze zijn gemaakt van materiaal dat zijn uiterlijke vezelstructuur heeft behouden en kunnen zijn geweven of geknoopt. Textiele vloerbedekkingen werden oorspronkelijk vervaardigd van natuurlijke materialen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was textiel gerantsoeneerd en zochten fabrikanten hun heil in het spinnen van afvalgarens en kunstzijdegarens gemaakt van stro en papier. Van Besouw uit Goirle had daarmee al tijdens de Eerste Wereldoorlog ervaring opgedaan. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er steeds meer half- en volsynthetische producten op de markt.






Tapijten en kleden
De eenvoudigste vormen van vloerbedekking zijn gladde tapijten. Afhankelijk van hun functie werden ze gemaakt in verschillende soorten en kwaliteiten, met tapijtcoderingen en etiketten waaruit de vezelsamenstelling en eigenschappen blijken. Bij dit laatste gaat het onder meer om duurzaamheid, veerkracht, slijtvastheid, absorptievermogen en kleur- en lichtechtheid. Hoewel in principe alleen sprake is van een tapijt bij een bedekking van ‘plint tot plint’, wordt de term ‘tapijt’ ook algemener gebruikt. Bij een gedeeltelijke bedekking spreekt men van een kleed of karpet, in langgerekte vorm (voor gang of trap) van een loper en bij vloerbedekking met stuggere plantaardige vezels van matten.
Ondertapijt en wafelonderrug
Om de levensduur van zachte vloerbedekkingen te verlengen werd wel een ondertapijt toegepast: een verende laag van rubber, kurk of vilt die op een vloer van hout, steen of cement werd aangebracht. Bij vilt ging het om willekeurig op elkaar gelegde, veelal dierlijke, haren die chemische en mechanische werden gehecht. Er kwamen echter ook tapijtsoorten met een wafelonderrug van rubber of kunststof, waardoor een ondertapijt overbodig werd.
Isolatie, kleur- en vomgeving
Kenmerkend voor zachte vloerbedekking zijn de hoge voetwarmte, goede isolatie tegen contactgeluid en sfeerscheppende kleur- en vormgeving. Zachte vloerbedekking straalt luxe uit en draagt bij aan een prettige woon- of werksfeer. Daarom werden in bepaalde ruimten losse kleden als extra vloerbedekking op een harde ondergrond gelegd. Tot de Tweede Wereldoorlog was een zachte vloerbedekking die de hele vloer van een ruimte bedekte zeldzaam, maar vanaf de jaren zestig was kamerbreed tapijt geen uitzondering meer.
Vooral woonruimten en slaapkamers werden voorzien van tapijten, en in gangen lagen wel lopers. In keukens en sanitaire ruimten ontbraken deze, tot er volsynthetische kleden kwamen. Bij de keuze voor vloerbedekking speelden esthetische en budgettaire factoren een rol en hadden vrouwen vaak een doorslaggevende stem. De aanschaf geschiedde meestal niet direct bij de fabriek, maar via winkels voor woninginrichting. Eén daarvan was J.P. Wyers Industrie- en Handelsonderneming in Dordrecht, die ook advies gaf over de aan te schaffen vloerbedekking. Door wisselende modes en een relatief beperkte duurzaamheid verdwenen veel zachte vloerafwerkingen, vooral de minder waardevolle en slijtvaste, en eenvoudiger uitvoeringen.
Natuurlijke of synthetische vezels
Tapijten worden gemaakt van natuurlijke of synthetische vezels. Naast plantaardige vezels als jute, katoen en linnen zijn vooral dierlijke vezels belangrijk; in de eerste plaats wol van schapen, maar ook haar van geiten, kamelen en koeien. Wol kan 100% scheerwol zijn, direct van het schaap, gerecyclede lompenwol of een mengsel hiervan. Het weven en knopen van wollen tapijten was van oudsher een huisindustrie. In de achttiende eeuw werd voor het weven van goedkopere tapijten koeienhaar gebruikt, met Hilversum als centrum. De eenvoudigste soorten zijn gladde tapijten waarbij de inslag (dwarsdraad) meerdere kettingdraden (langsdraden, zogeheten vulkettingen) omvat.
Producenten
Een belangrijke speler was de Machinale Weverijen Arie Veen die in 1936 de geweven Holtapkarpetten (Hollands Tapijt) introduceerde. Vanaf 1952 produceerde de fabriek ook pluche karpetten onder de naam Aveha en zes jaar later ging men over tot de productie van 130 centimeter brede hoogwaardige haargarens onder de naam Parade tapijt. Behalve geweven en geknoopt konden tapijten ook worden getuft. Met een door een grof geweven ondergrond gestoken naald trok men dan aan de bovenzijde een lusvormige draad (poollus), waarna de onderkant werd verlijmd. Zo ontstond een dik en geriefelijk tapijt. Als de poollusjes bij de productie niet werden doorgesneden heette het Bouclé-tapijt, gebeurde dit wel dan was het moquette-tapijt. In een nieuwe fabriek in Soest maakte men vanaf 1965 vier meter breed Parade tapijt, dat werd verkocht als kamerbreed tapijt. Dit kon bij het leggen worden gelijmd, al dan niet op een onderlaag van vilt.
In Deventer maakte men sinds 1817 handgeknoopte tapijten op de manier van Smyrna tapijten (uit Turkije). De tapijten werden zo bekend dat ze Deventer tapijten gingen heten. Nadat de fabriek in 1919 was opgegaan in de Koninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken (KVT) met vestigingen in Rotterdam en Moordrecht schakelde men over op ‘machinaal handgeknoopt’ tapijt.
Ook Oss en Goirle waren centra van productie. Naast de tapijtfabriek van de Gebr. Van den Berg in Oss (later bekend als Bergoss) was daar de in 1946 door de Belg H. Desseaux gestichte fabriek Desso, dat in 1982 het nu nog bestaande Desso Bergoss overnam. Vanaf 1908 maakte Van Besouw in Goirle tapijten. In 1990 nam dit bedrijf de KVT over en na verschillende wisselingen van eigenaar maakt het in Blokzijl nog steeds tapijten. Namen van bekende maar verdwenen tapijtfabrieken uit die tijd zijn Hatéma (Helmond), Tufton (Krommenie) en Veneta (Verenigde Nederlandse Tapijtindustrie, Hilversum).
Katoen
Eind jaren zestig werd katoen populair bij moderne woninginrichters vanwege de bijzondere sfeer door de vallende vleug, het zogenaamde verschoten effecten en de voetstappen die men er na het stofzuigen op achterlaat. Van Besouw verwierf zich in 1967 een plek in de designwereld door ontwerper Benno Premsela aan te trekken. Samen produceerden ze het katoenen lusjestapijt. In de jaren tachtig ontwierp Premsela samen met Diek Zweegman een linnen tapijt waarvan het grondweefsel, zichtbaar tussen de rijen poolgaren, de kleur bepaalt.
Synthetische vezels
Goedkopere tapijten werden gemaakt van kunstzijde, of rayon zoals de vezel sinds 1924 heet, met als basis de halfsynthetische stof cellulose. Het eindproduct heeft een beperkte slijtvastheid. Beter zijn geheel synthetische vezels zoals polyacryl, polyester, polypropyleen (polypropeen) en polyamide. In 1946 kwam polyester op de markt onder de merknamen Dracon en Terlenka, en polyacryl als Dralon en Orlon. Polyamide, bekend onder de fabrieksnaam nylon, was al vanaf 1938 geproduceerd en werd vanaf 1952 in ons land veel verkocht als Enkalon. In 1966 kwam het Keijzer Bonaparte tapijt op de markt: een nylontapijt gemaakt met Enkalongarens.
Tapijttegels, matten en lopers
In 1924 stichtte P.J. van Heugten in Amersfoort de fabriek Heuga waar hij vilt maakte, onder meer voor traplopers en ondertapijt. In 1950 introduceerde hij een tapijt met een vilten onderlaag en een bovenlaag van geverfd jute weefsel. Dit Heugafelt tapijt kwam op de markt in rollen van 150 centimeter breed.
Tapijttegels
Als gevolg van een garantie van vijf jaar kwamen er soms rollen terug. Om de financiële schade te beperken werden daaruit goede stukken van 50 x 50 cm gesneden en verkocht, en zo ontstonden in 1958 tapijttegels. In 1976 bracht men de Heuga 580 tegel op de markt, gemaakt van Dupont Antron garens (een polyamine). Door de tapijttegel groeide de later naar Scherpenzeel verhuisde fabriek uit tot een belangrijke speler in de tapijtproductie.
Matten en lopers van biezen en kokos
Stuggere plantaardige vezels werden gebruikt voor de productie van biezen matten, en later matten van kokosvezel, hennep, helmgras en sisal. Ze vonden vooral toepassing als loper in de gang of op de trap. Biezen groeiden langs de kust van de Zuiderzee en dienden als grondstof voor geweven of gevlochten matten. De biezen werden samengebonden tot strengen en in cirkels en vierkanten aan elkaar genaaid tot wat naar de plek van hun ontstaan Genemuider matten werden genoemd. De soorten biezen hadden verschillende kwaliteiten. Hoe buigzamer de vlecht, hoe mooier het hart van de tegel; mindere kwaliteiten vertonen een cirkel in het midden. In Genemuiden was men rond 1916 overgegaan op machinale productie in kleine fabriekjes. Toen de biezen schaarser werden was men overgestapt op kokos; in 1925 was in Genemuiden een eerste machinale kokosweverij gestart. Een vergelijkbaar product is Sisal, de vezel van de agaveplant. Deze werd verwerkt in zogeheten Terschellinger matten.
Kokos, sisal en zachtere vloerbedekking
Vanaf 1953 was het mogelijk om kamerbreed tapijt van kokos of sisal te maken. Behalve in Genemuiden werden ook in Moordrecht en Zwartsluis kokostapijten gemaakt. Halverwege te jaren zestig daalde de productie van kokosmatten omdat de vraag naar andere zachte vloerbedekking fors toenam. In Genemuiden installeerde men daarom in 1967 tuftingmachines voor de productie van synthetische zachte vloerbedekking. De plaats is nog steeds een belangrijke centrum van tapijtproductie, met de firma’s Jabo (Jan Bosman), Betap (van Lente), Belakos en Edel (sinds 1918). Halverwege de jaren zeventig kon men kiezen uit zestien soorten ‘harde’ zachte vloerbedekking, waaronder rijststrotegels uit Korea en Ceylon, henneptegels uit de Filipijnen, maistegels uit China en tegels van tarwebiezen, madras, palmblad en sisal.
Literatuur
- O. van Tussenbroek, Gedenkboek samengesteld bij het 150-jarig bestaan van de N.V. J.P. Wyers’ industrie- en handelsonderneming, Amsterdam 1947.
- J.G.Th. van Nes en L. van Oosten m.m.v. Fl. van de Bos en P.J. Fokke, Eenvoudige textielwarenkennis, Haarlem 1957.
- P.J. van Bentum, Vloeren, wanden en plafonds. Materiaalkeuze, onderhoud, Amsterdam 1959.
- Tapijtinformatieboekje, s.l. s.a. [ca. 1965].
- X. van Baarle, 75 jaar Heuga 1924-1999, Scherpenzeel 1999.
- T. Langeveld, ‘Op weg naar industrieel vervaardigd tapijt in Nederland’, in: Stichting Textielcommissie (red.), Jaarboek Textielcommissie Nederland 2006. Nederlandse Vloertapijten - Archeologisch textiel: van vondst tot vitrine, s.l. 2006, p. 9-47.
- S. de Visser en N. Herweijer, Geknoopt & Geweven. De kleurrijke geschiedenis van de Deventer tapijtindustrie (1797 tot heden), Deventer 2012.
Dit is een bewerking van: Geertje Huisman en Ronald Stenvert, ‘Vloerbedekking - Textiel', in: Kees Somer en Ronald Stenvert (red.), Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing, Rotterdam 2024, p. 260-263.
Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie ook
Artikelen- Linoleum
- Kunststof op vloeren en wanden
- Historisch interieurtextiel - schade
- Historisch interieurtextiel - bescherming en herstel
Specialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 10:54.