Trappen en liften
Introductie
In gebouwen van meer dan één bouwlaag is een stijgpunt noodzakelijk. De trap vormt de verbindende diagonaal tussen de bouwlagen. In woonhuizen bevindt de trap zich doorgaans tussen gang en overloop. Bij grotere huizen en andersoortige gebouwen is de trap geplaatst in een afzonderlijk trappenhuis. Dat trappenhuis bestaat uit meerdere traparmen die van bordes naar bordes lopen waartussen enige ruimte is in de vorm van een trapgat of schalmgat. Bij grotere gebouwen worden aanvullend liften als verticale stijgpunten toegepast. In warenhuizen, stations en metro’s worden voor dit doel vaak ook roltrappen toegepast.














Trappen
Trappen bestaan uit een eindig aantal gelijkhoge treden die aan beide zijden zijn verbonden met een trapboom. De trede waarop de voet wordt geplaatst, heet aantrede en de overwonnen hoogte optrede. Al sinds de zeventiende eeuw hanteert men de formule van 2 optreden en 1 aantrede is 62-65 centimeter. Een grote aantrede en een kleine optrede geeft een luie trap, andersom een steile trap.
De meest eenvoudige trap is de rechte steektrap. Vooral in de woningbouw kan die beneden of boven een draaiing van een kwart krijgen. De treden worden daar in de draairichting aangepast (verdreven trap). Trappen kunnen ook met twee kwarten worden uitgevoerd. Als alle treden regelmatig verdreven zijn, is het resultaat een spiltrap. De binnenste trapboom heeft dan de vorm van een spil. De buitenboom kan een cirkelvorm hebben, maar ook een rechthoekige grondslag. Dat laatste heet een halfslag trap. De trap wordt aan de zijde van het trapgat voorzien van een balustrade bestaande uit een handlijst of leuning en balusters of spijlen. Aan de buitenzijde bevinden zich doorgaans leuninghouders en een smetplank aan de muur.
In de loop van de jaren zestig kwamen er handrails van kunststof (mipolam). Ook de neuzen van de treden (trapneuzen) werden voorzien van slijtranden van rubber, plastic of aluminium, dan wel in de houten treden ingefreesde rubber randen. Vanaf midden jaren zestig ontwikkelde de trap zich van puur functioneel en in een hoek geplaatst naar meer open en centraal in de woning. Vaak ging het dan om spil- of halfslag trappen en wanneer de stootborden en zelfs de buitenboom werden weggelaten ontstond een echte open trap als ‘meubel’ in het huis. Ook kon worden volstaan met één midden onder geplaatste spil met daarop treden van hout of van gelamineerd glas.
Speciale en representatieve trappen
Er is een onderscheid te maken tussen speciale trappen, representatieve trappen en seriematig vervaardigde trappen. Speciale trappen zijn vaak met het gebouw mee ontworpen en kunnen klassiek, modern of ‘design’ van karakter zijn. In dat laatste geval gaat het vaak om een combinatie van staal en hout of met natuursteen, met ingeklemde treden of treden die met spijlen aan het plafond zijn opgehangen. Representatieve trappen zijn vooral gesitueerd in grotere trappenhuizen met een ruim trapgat. Mooie voorbeelden zijn de imposante open stalen wenteltrap in het hoofdkantoor van Hoogovens in IJmuiden (W.M. Dudok, 1951) en de betonnen variant daarvan in het raadhuis van Renkum in Oosterbeek (M.J. Granpré Molière, 1966). De trappartij van het Steenkolen Handels Vereeniging (SHV) kantoor in Utrecht (L. op ten Noord-Blijdenstein, 1960) heeft in het trapgat een decoratief vloermozaïek. Ook de aula van de TU Delft (Van den Broek en Bakema, 1966) heeft een imposante trappartij in de vorm van een langgerekt trapgat met aan beide zijden brede steektrappen. Bij het representatieve deel van het stadhuis van Heerlen (F. Peutz, 1948) is het net andersom en vult een uitzonderijk brede trap het trapgat. Deze trap was oorspronkelijk zonder balustrades uitgevoerd kan ook dienen als auditorium.
Seriematig vervaardigde trappen
Seriematig vervaardigde trappen zijn overwegend gemaakt van hout, staal of beton. De meeste houten trappen werden geproduceerd in timmer- of trappenfabrieken. Een koppeling van hun producenten met bestaande gebouwen is moeilijk te maken. Bekende fabrieken waren: Gjaltema’s timmerfabriek Volharding te Marum (1918-1993), de Deuren-, timmer- en trappenfabriek te Amsterdam-Noord (1938-1981) en Broeders Trappenfabriek Tilburg (1955-ca. 1975). Een aantal fabrieken bestaat nog, zoals de Trappenfabriek Vermeulen die in 1958 startte en in 1990 een showroom in Etten-Leur had met 25 verschillende trappen. De Vries Trappen in Gorredijk werd in 1900 gesticht en verhuisde later naar Heerenveen. Timmerbedrijf Willems in Eijsden uit 1929 begon in 1969 met de productie van houten trappen en vanaf 1981 ook van hardhouten trappen. Trappenfabriek Hoograven was al vanaf 1921 actief, eerst in Utrecht en sinds 1970 in Montfoort.
Stalen trappen worden vooral in de jaren zeventig populair, veelal als wenteltrap met een stalen spil, aangelaste steunen en daarop de houten treden. In 1970 introduceerde Trappenfabriek Hoograven in dit genre de H&S stalen prefab trap zonder buitenboom. Andere vormen zijn steektrappen met stalen trapbomen en geperforeerde treden met rubber noppen. In de jaren tachtig verschenen er ook steektrappen gemaakt van gevouwen staalplaat. Vooral in de utiliteitsbouw en in trappenhuizen zijn de trappen in beton uitgevoerd, al dan niet met treden bekleed met tegels of natuursteen. Aanvankelijk werden de trappen ter plekke gegoten. Al in de jaren vijftig kwamen de eerste geprefabriceerde montagetrappen uit de fabriek die op de bouw tussen de bordessen werden gemonteerd. Wenteltrappen van beton bestaan uit prefab bloktreden waarvan het ene uiteinde de spil vormt en aan het andere einde een spijl naar de leuning wordt bevestigd.
Naast primaire trappen zijn er in veel gebouwen ook secundaire trappen aanwezig in de vorm van een brandtrap of brandtrappenhuis, veelal uitgevoerd als simpele betonnen of stalen bordestrappen. Voor weinig gebruikte vlieringen en zolders is er sinds 1938 de vlizotrap, een ladder- of schaartrap die bij opening van een luik in het plafond naar beneden komt.
Hellingbanen
Een schuin lopend vlak zonder treden is een hellingbaan. Doorgaans zijn deze recht, maar ze kunnen ook spiraalvormig zijn. Het iconische voorbeeld daarvan is het Museum Guggenheim in New York (F. Lloyd Wright, 1959) waar een gestaag dalende vloer de bezoeker langs de kunstwerken voert. Spiraalhellingen worden ook toegepast in parkeergarages, zoals de Europarking aan de Marnixstraat in Amsterdam (P. Zanstra, 1971) (afb. 8). Bij andere gebouwen met hogere of lagere parkeerdekken, zoals bij het Groothandelsgebouw in Rotterdam (H.A. Maaskant en W. van Tijen, 1953) en het Citroën-gebouw op het Stadionplein in Amsterdam (J. Wils, 1960) zijn gebogen hellingbanen toegepast.
Hellingbanen zijn belangrijk als toegang voor rolstoelgebruikers. In de jaren zestig was daarvoor in de Verenigde Staten al aandacht en ging men uit van een helling van 1:10 (sinds 2014 is een helling van 1:20 de norm). Belangrijk voor ons land was in 1973 de publicatie Geboden toegang van de Stichting Nederlandse gehandicaptenraad. Vanaf die tijd verschenen vooral bij openbare gebouwen hellingbanen aan de buitengevel. In eerste instantie aangebracht in combinatie met de bestaande buitentrappen, later als zelfstandig onderdeel van de ontwerpopgave.
Liften
De eerste lift met veiligheidsinrichting dateert van 1852. Uitvinder was de Amerikaan Elisha Otis. De door hem opgerichte firma Otis is nog steeds één van de vijf grootste liftenproducenten ter wereld. Vanaf 1877 kwam de tractielift in gebruik. Hierbij wordt de liftkooi gehesen door hijskabels. Deze lopen op het hoogste punt over een trommel en zijn aan het andere uiteinde voorzien van een contragewicht, waarbij de machinekamer boven de lift wordt geplaatst. Daarvoor is een dakopbouw noodzakelijk.
Een ander aandrijvingsmechanisme kent de hydraulische lift. Deze wordt met oliedruk door een nest van cilinders omhoog gedrukt, wat een liftmachinekamer overbodig maakt. Vanwege zijn bijzondere vorm is het Evoluon in Eindhoven (L. Kalff en L. de Bever, 1966) voorzien een dergelijke hydraulische lift, die niet door het dak hoefde te steken. Een derde variant is de paternosterlift. Hierbij beweegt een serie liftkooien langs een kabel zonder eind voort en gaat er per verdieping op constante snelheid altijd één kooi omhoog en één omlaag. Bij Hoogovens in IJmuiden werd er in 1957 een geplaatst. Paternosterliften zijn vooral voordelig bij veel vervoer over korte hoogte, maar vanwege veiligheidsproblemen met instappen in een bewegende kooi mogen ze niet meer worden gebruikt. In 1929 richtte een zevental Nederlandse firma’s de Nederlandse Vereniging voor Liftnijverheid op. Vier jaar later publiceerden ze een ‘Leidraad voor veiligheidsmaatregelen voor liften’ wat resulteerde in de oprichting van het Liftinstituut. In 1956 kwam er een landelijke keuringsplicht voor liften, in 1979 een Europese liftnorm en in 1992 een keurmerk voor liften. Liften zijn onderhoudsgevoelig en de meeste liftbezitters maken gebruik van onderhoudscontracten, waardoor bestaande liften regelmatig worden aangepast en vernieuwd.
Liftfabrikanten
In de Catalogus voor de bouwwereld 1948 worden zeven liftfabrikanten genoemd. Waaronder de Machinefabriek ‘Breda’ (v/h Backer en Rueb) voor liften en roltrappen die onder meer de goederenliften voor het Groothandelsgebouw in Rotterdam (H.A. Maaskant en W. van Tijen, 1953) leverde. Ook stond de Rotterdamse Machinefabriek Hensen in het artikel. Deze leverde de liften voor het Beursgebouw (J.F. Staal, 1940), de Maastunnel (J.P. van Bruggen en A. van der Steur, 1942) en de Euromast (H.A. Maaskant, 1960) in Rotterdam, en de zendmast van Lopik (1961). Ook Starlift in Voorburg werd genoemd. Deze fabriek, in 1927 opgericht door B. Star, was een belangrijk producent van personen- en goederenliften, waaronder voor Hoogovens in IJmuiden en de Staatsmijnen in Limburg. Vanaf 1963 produceerde Starlift liften voor flatgebouwen. Opmerkelijk is zijn lift voor de 213 meter hoge Shell-schoorstenen in Pernis (1972) en voor het 65 meter hoge kustlicht op de Maasvlakte (1972).
Een andere belangrijke speler was de Liften- en Machinefabriek J.C. van Straaten uit Den Haag. In 1951 ging deze Van Straaten-Schindler heten. Het St.-Nicolaasklooster in Amsterdam (J. Peters en B. Spängberg, 1960) bevat nog één van zijn liften. De Gebr. Van Swaay uit Den Haag vertegenwoordigde het Zwitserse Schlieren. Dit bedrijf leverde voor het Centraal Belastinggebouw in Amsterdam (G. Friedhoff, 1958). Uit 1961 dateert een Van Swaay-lift in Hang 7-16 in Rotterdam, waarvan de glazen schacht in het trapgat van het flatgebouw is geplaatst en de liftkooi ramen bezit.
Internationalisering
Internationalisering en concentratie in de liftenwereld leidde ertoe dat in 1990 en daarna sprake was van een ‘big five’: Otis, Kone, Schindler, TysssenKrupp en Mitsubishi Electric. De Otis Elevator Company leverde een deel van de liften voor de Eiffeltoren en een rollend tapijt voor de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs. Vanaf 1887 was de Amsterdamse Fa. Fred. Stieltjes & Co. agent voor Otis in Nederland. In 1949 werd in Amsterdam de Nederlandse Otis Liften- en Roltrappenfabriek geopend en in de jaren zestig breidde de fabriek uit: in 1965 nam het Electrolift over, in 1967 Van Staal & Co. en in 1969 de liftenfabriek van Hensen. Directeur Erik Warners gaf leiding aan meer dan vijfhonderd werknemers. Alle 28 liften van het hoofdkantoor van de Nationale Nederlanden in Rotterdam (A. Bonnema, 1991) komen van Otis.
Kone werd in 1918 in Finland gesticht en werd groot na overname in 1968 van het Zweedse Asea-Graham. In 1992 verwierf het Starlift en in 1996 de roltrappenfabriek van Orenstein & Koppel. Deze laatste is vooral bekend van de liften voor de Rotterdamse metro in 1982 en later ook voor de luchthaven Schiphol (M. Duintjer, 1967). Schindler werd in 1874 gesticht in het Zwitserse Luzern en kreeg in 1906 een Duitse vestiging. In 1960 nam het bedrijf Schlieren over en in 1969 J.C. van Straaten. Schindler leverde onder meer voor de flat aan het Hereplein in Groningen (F. Klein, 1964) en de Bijenkorf in Eindhoven (G. Ponti, 1969). ThyssenKrupp uit Essen ontstond in 1999 door een fusie van Thyssen en Krupp. Thyssen Aufzüge GmbH. produceerde de liften en roltrappen na de overname van de firma Rheinstahl in 1973. Deze laatste leverde roltrappen in de V&D’s in Alkmaar, Sittard en Amstelveen. ThyssenKrupp leverde de liften voor het hoofdkantoor van de Rabobank in Utrecht (Articon, 1984). Mitsubishi heeft in Nederland zijn wortels in de in 1951 opgerichte Eerste Veenendaalse Lift Industrie (ENVI). Deze ging in 1973 samen met Wolter & Dros uit Amersfoort tot WDE en gebruikte vanaf 1976 onderdelen van de Mitsubishi Electric Corporation die vanaf 1931 in Japen liften maakte. In 1991 werd WDE omgedoopt tot Mitsubishi Elevator Europe die liften voor het Van Gogh museum (G. Rietveld, 1973), Schiphol en het Galgenwaardstadion in Utrecht (Zwarts & Jansma, 1982) leverde.
Constructie
Trap en lift worden doorgaans gecombineerd in één stijgkern. Meerdere liften naast elkaar heten een liftenbatterij.
Liftschacht
Geïnspireerd door het Hyatt Regency hotel in Atlanta, komen sinds 1967 panoramaliften voor. Daarbij wordt een halfopen schacht gebruikt en steekt de opengewerkte liftkooi uit in een atrium, zoals in de vierde toren van het World Fashion Centre in Amsterdam uit 1985. De schacht biedt plaats aan zowel de liftkooi als het contragewicht daarachter. Wanneer de liftkooi aan twee tegenovergelegen zijden een deur heeft – vooral bij splitlevels – zit het contragewicht aan de zijkant. Aan de onderzijde van de schacht bevindt zich een liftput met kooistuiting en aan de bovenzijde een schachtuitloop met nood-eindschakelaar. In de schacht is een geleiderails bevestigd voor de stabiliteit van de liftkooi.
Liftkooi
De liftkooi als zodanig is gesloten uitgevoerd. De schachtdeuren worden uitgevoerd als stalen draaideuren, al dan niet voorzien van een ruit. Bij toepassing van zowel kooi- als schachtdeuren worden beide sets deuren in de schacht geplaatst, die daardoor dieper moet worden. De deuren zijn dan uitgevoerd als schuifdeuren of enkele dan wel dubbele telescoopdeuren. In alle gevallen is een grendel nodig die de deuren vóór vertrek van de kooi vergrendelt. Bijzonder voor Nederland en België is dat liftkooien – om kosten te besparen – ook zonder kooideur zijn toegepast. Dit zien we vooral bij galerijflats. Aan de voorzijde van de kooi werd dan voor de veiligheid beneden een zogeheten blokkeerlineaal aangebracht die bij beknelling de lift stopt.
Liftmachine
De liftmachine bestaat uit een tractieschijf of trommel met een diameter van minimaal vijftig centimeter waarover de staalkabels lopen. De trommel is direct op de elektromotor aangesloten. Tussen trommel en motor bevindt zich de remtrommel. Aan het einde van de as zit een handwiel (tornwiel) om bij storing de kooi met de hand te kunnen bedienen. Belangrijk is dat de kooi op dezelfde hoogte als de stopplaats uitkomt.
Automatische liften
Tot kort na de oorlog werd de lift door een liftboy bediend via een paneel in de kooi. Elke lift had aan de buitenzijde een schachtplaat en boven de liftdeuropening een locatie-indicator of kooistandaanwijzer. Eenvoudige liften, vooral in flats, waren voorzien van een eenknops verzamelschakeling om de lift aan te roepen. Daarnaast was er een verzamelingsschakeling met twee knoppen (‘op’ en ‘neer’). Later veranderden de ronde knoppen in vierkante en in de jaren zeventig kwamen er touch-sensitive knoppen en digitale verdiepingsaanduiding. In 1950 verschenen de eerste automatische liften met een besturingskast in de liftmachinekamer. Dat jaar introduceerde Otis de Autronic bediening, een samentrekking van automatic en electronic. Vanaf 1959 voerden transistoren de boventoon in de besturingskasten en in 1979 volgde een geheel op de microprocessor gebaseerde besturing; eerst door Otis, later door Kone en de andere liftfabrikanten. Sinds 1981 zijn er ook liften met geautomatiseerde spraakaanduiding.
Roltrappen
Roltrappen zijn bij uitstek een kenmerk van de grote stad, waar ze te vinden zijn in winkels en warenhuizen, stations en metro’s. Al in 1859 bestond er een patent op een trap met bewegende treden.
Houten treden
In 1921 introduceerde Otis de L-type roltrap met losse houten treden. Aan de bovenzijde van deze treden bevestigde men loodrecht op de treden geplaatste houten latten. De tanden van de kamplaat aan het begin en einde van de roltrap passen in de groeven tussen deze latten, waardoor daar geen voeten bekneld konden raken. De eerste roltrap in Nederland was een in 1926 door Fred. Stieltjes geplaatste Otis-roltrap in de Bijenkorf in Den Haag (P. Kramer, 1926). In 1942 kwamen er roltrappen in de Rotterdamse Maastunnel, gemaakt door de Berlijnse firma Carl Flohr in samenwerking met Stork-Hijsch uit Haarlem (afb. 13). De King’s Cross Underground fire in 1987, waarbij de houten latten op de houten treden van de roltrappen vlam hadden gevat, gaf aanleiding tot aanscherping van veiligheidsmaatregelen voor roltrappen met houten treden. Gelukkig kon bij de Maastunnel na de renovatie in 2017-2019 het oorspronkelijke beeld behouden blijven.
Hellingshoek, snelheid en plaatsing
Een roltrap bevindt zich in een zelfdragend frame, waarin de losse treden aan weerszijden zijn bevestigd aan tredekettingen (afb. 12). Roltrappen hebben twee standaardhellingshoeken (30o en 35o) en de breedte is doorgaans 60, 80 of 100 centimeter. De treden zelf hebben alle hun eigen set wieltjes die in een geleiderails lopen. Om veilig op de rollende trap te kunnen stappen, moeten aan het begin en het einde en drie of vier treden horizontaal lopen. De snelheid is doorgaans 0,5 meter per seconde in de richting van helling, waarbij de leuningbanden zo zijn afgesteld dat die een fractie sneller gaan.
Vanaf de jaren vijftig werden bij nieuwe roltrappen nog enkel metalen treden toegepast met groeven aan de bovenzijde, gegroefde spiegels (stootborden) en aan begin en einde een verende kamplaat. Vanaf 1963 werden glazen balustrades toegepast (afb. 15). Iconisch zijn de overdekte roltrappen aan de buitenzijde van het Centre Pompidou in Parijs (R. Rogers en R. Piano, 1977) die in elkaars verlengde lopen. Doorgaans worden de roltrappen echter boven elkaar geplaatst. Dat kan in een doorlopende configuratie zijn of parallel. In dat laatste geval moet men omlopen naar het begin van de volgende roltrap. Bij twee verkeersrichtingen worden twee reeksen roltrappen gekruist geplaatst. Op de plekken waar de kruisende roltrappen elkaar raken is bij de bewegende leuningen wel een beveiliging nodig. Ter bescherming van kinderhandjes moet ook de inloopopening van de leuning in de vloer zijn voorzien van een terugverende borstel. Roltrappen gebruiken relatief veel stroom als ze continu werken. Daarom worden ze ook intermitterend uitgevoerd en door een contactmat of fotocel in gebruik gezet.
Fabrikanten
In de luchtbrug van het Tomadohuis te Dordrecht (H.A. Maaskant, 1961) bevond zich een dubbele roltrap van Rheinstahl. In 1977 leverde Otis 56 roltrappen voor de Amsterdamse metro. In de jaren tachtig werden veel roltrappen geplaatst door Orenstein & Koppel uit Hattingen bij Wuppertal (O&K), waaronder die in de Rotterdamse Centrale Bibliotheek (J. Bakema en H. Boot, 1983) (afb. 14) en het NS-station van Zaandam (P.A.M. Kilsdonk, 1983). Vanaf 1948 werden op vliegvelden geautomatiseerde loopbanen of rolpaden aangebracht. Zo werd de middenpier van de in 1967 geopende nieuwe luchthaven Schiphol voorzien van een tapis roulant.
Literatuur
- E. Verschuyl en O. Jelsma, Catalogus voor de Bouwwereld 1948, ‘s-Gravenhage 1948.
- F. Spoon, Moderne lifttechniek. Constructie en toepassingen van moderne liften en roltrappen, Amsterdam s.a. [1949].
- A. Buffinga, ‘De trap. De geschiedenis van de diagonaal’, Bouw 18 (1963) 18, p. 562-569.
- A. Buffinga, ‘De Trap II. Het einde van de diagonale beweging?’, Bouw 19 (1964) 10, p. 320-327.
- J. Simmen en U. Drepper, Der Fahrstuhl. Die Geschichte der vertikalen Eroberung, München 1984.
- Ch. Rentier, Jellema 6c. Bouwtechniek: Installaties: Liften en roltrappen, Utrecht/ Zutphen 2004 (tweede druk).
- R. Koolhaas et al., Elevator. Elements of Architecture, Venezia 2014.
- R. Koolhaas et al., Escalator. Elements of Architecture, Venetië 2014.
- R. Koolhaas et al., Ramp. Elements of Architecture, Venetië 2014.
- Ronald Stenvert, ‘Concentratie in de liftenbouw: Van een ruim dozijn Nederlandse bedrijven naar vijf wereldspelers’, Erfgoed van Industrie en Techniek, 34 (2024) 4, 2-13.
Dit is een bewerking van: Ronald Stenvert, ‘Stijgpunten’, in: Kees Somer en Ronald Stenvert (red.), Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing, Rotterdam 2024, p. 111-122.
Rijksmonumenten bij dit artikel
- Amsterdam - Stadionplein 22 - 2e Citroëngarage
- Delft - Mekelweg 5 - Aula Technische Universiteit
- Eindhoven - Noord Brabantlaan 1a - Evoluon
- Heerlen - Geleenstraat 27
- IJmuiden - Wenckebachstraat 1 - Hoofdkantoor Hoogovens
- IJsselstein - Gerbrandytoren
- Rotterdam - Complex Maastunnel
- Rotterdam - Stationsplein 45; Conradstraat 38 - Groothandelsgebouw
- Rotterdam - Coolsingel, Beursplein, Meent, Rodezand - Koopmansbeurs
- Utrecht - Rijnkade 1 / Mariaplaats 21 - SHV-gebouw
Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie ook
ArtikelenHoort bij deze thema's
Specialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 15 apr 2025 om 02:00.