Verven in gebouwen
Introductie
Tussen de beide wereldoorlogen gebruikten schilders klassieke olieverven voor houtwerk en steenoppervlakken. Ook werden gepleisterde muren en plafonds nog traditioneel geschilderd met kalkverf. Dit veranderde tijdens de oorlogsjaren, toen naar alternatieve oplossingen moest worden gezocht. Pas na de oorlog kwamen materialen en grondstoffen geleidelijk weer beschikbaar. De jaren vijftig was een decennium van innovatie in kunstharsen die geschikt waren voor verven op muren en plafonds. Dankzij nieuwe inzichten en kennis over kleurkeuzes en het belang van voldoende licht en lucht in het interieur, werd meer aandacht besteed aan binnenshuis schilderwerk. Daarbij ging ook hygiëne een grotere rol spelen. Het toenemende zelfschilderwerk door bewoners hing samen met de opkomst van de doe-het-zelfmarkt in de late jaren vijftig. In de jaren zestig verschenen nieuwe verfsoorten, zoals twee-componenten en chloorrubberverven, die ook binnenshuis werden gebruikt. De jaren zeventig en tachtig stonden in het teken van het milieu en gezondheid. Parallel aan de onderzoeken naar oplosmiddelarme en watergedragen lakverven en het oplossen van kinderziekten in deze verven, werden steeds meer schadelijke oplosmiddelhoudende verven vervangen.








Innovaties na de oorlog
Schaarste tijdens de oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden regeringsmaatregelen vanwege de schaarste aan materiaal en grondstoffen directe invloed op het binnenschilderwerk; gebruik van oliehoudende verven voor binnenwerk was niet langer toegestaan. Verffabrikanten probeerden alternatieven te vinden met toegewezen weekmakers, maar slaagden er niet in een kwalitatief vergelijkbaar verfsysteem te ontwikkelen. In de oorlogsjaren leverde de firma Van Wijhe 'koudwaterverven', oplosbare poeders die schilders in een decoratieve techniek op natte oppervlakken aanbrachten en ook werden gebruikt als alternatief voor behang.
Moderne verfproducten
Na de oorlog zien we een aanzienlijke vooruitgang in moderne verfproducten. Vanaf 1948 kwamen er weer verven en lakken voor binnengebruik beschikbaar. Alkydharsverf was opnieuw leverbaar voor houten oppervlakken, voor wanden en plafonds deden verven op basis van polyvinylacetaat (pvac) hun intrede. Sikkens hervatte de productie van doorontwikkelde Rubbol A-Z voor houten en metalen oppervlakken binnen en kwam met Sikkens Briljant, een waasvrije binnenlak, en een Banken- en Vloerenlak. Ook de al in 1800 opgerichte Vernis- en Japanlakfabriek Van Klaveren & Zn uit Rotterdam, een van de oudste vernisfabrikanten van Nederland, leverde met het product Allihol een sneldrogende en doorhardende bankenlak.
Vanaf begin jaren vijftig werd geadverteerd met de term ‘veegvaste’ muurverven voor wanden en vooral plafonds. De bekendste variant was de al langer toegepaste waterverdunbare lijmverf. Deze betaalbare verf, meestal verkrijgbaar in pasta- of poedervorm, had een bindmiddel op basis van celluloselijm dat oplost in water. Deze verven waren niet overschilderbaar of met water schoon te maken, omdat de verf dan weer oploste. Ze waren na droging wel te verwijderen met water en spons.
Boenbare muurverven
Geleidelijk verdrongen geschilderde muren papieren behang, deels om hygiënische redenen. Aan de vraag naar gemakkelijker schoon te houden interieurs werd tegemoetgekomen met boenbare muurverven. Sikkens bood deze aan in de vorm van Pinorin Schoolbordenverf, Pinomat muuremulsie en Sikkens Muurverf. In 1949 bracht verffabriek Pieter Schoen Sigmuro op de markt, een watervaste kunstharsdispersie-emulsieverf in pastavorm voor binnenmuurwerk in eiglans. Vanaf begin jaren vijftig vervingen emulsieverven op basis van polyvinylacetaat steeds vaker de met lijm of olie gebonden tamponneerverven en de matte oliemuurverven.
Alphatex
In 1951 introduceerde de firma Alpha uit Alphen aan den Rijn Alphatex. Het betrof een watergedragen, olievrije muurverf op basis van pvac voor binnen en buiten, sneldrogend, was- en schrobvast, makkelijke verwerkbaar en afgestemd op ondergronden als pleisterwerk, asbest-cement, beton, muurwerk, hout, board en oude olieverflagen. Emulsieverf met pvac kon worden aangebracht op nat pleisterwerk, maar was nog niet geschikt voor vochtige ruimtes met oude olieverflagen, zoals badkamers en keukens, vanwege de neiging om water op te nemen en de verflaag te laten zwellen. Alpha ging in 1954 een nauwe samenwerking aan met Sikkens’ lakfabrieken.
Caparol
In 1952 introduceerde de Deutsche Amphibolin-Werke het al in 1928 ontwikkelde product Caparol op de Nederlandse markt. De merknaam Caparol is afgeleid van de hoofdingrediënten caseïne, paraffine en oleum. Het product voor binnen en buiten won snel aan populariteit, omdat het door verdamping van water veel sneller droogde dan lijnolieverven en al na zes uur overschilderbaar was. Bovendien ‘verzeepte’ de verf niet omdat deze olievrij was. Nemi bracht in 1954 met Nemitex ook een muurverf op basis van pvac op de markt.
Plastiekwerk
Vanaf de jaren dertig tot in de jaren vijftig was plastiekwerk populair in het interieur. Plastiekwerk is een vorm van reliëfschilderwerk bestaande uit een taaie, dikke pasta van dikke in olie gemengde verf. De pasta was soms al op kleur gebracht en werd met behulp van kwasten, spatels en andere gereedschappen aangebracht en bewerkt op wanden, voornamelijk als lambrisering. Studieclub Schilders en schildervakscholen hielden regelmatig wedstrijden en verzorgden demonstraties en tentoonstellingen. Verschillende verfleveranciers leverden pasta’s voor deze plastiekverf. Begin jaren vijftig werd voor het plastiekwerk op basis van kunstharsdispersies een moderne variant pasta ontwikkeld die makkelijker te verwerken en minder gevoelig voor alkaliën in vers pleisterwerk was. Feenstra verf- en lakfabriek ontwikkelde Plastilux. Een uiterlijk aan plastiekwerk verwant product is Faserit, een gespoten wand- en plafondbekleding met als hoofdbestanddeel asbestvezel. Dit werd onder meer toegepast in de aula van de Rijksakademie in Amsterdam, het gebouw voor Sociale Zaken in Rotterdam en het Luxor-theater in Vlissingen.
Alkydhars en PVAC
In de jaren vijftig werden klassieke oliehoudende lakken en verven nog gebruikt, maar geleidelijk maakten ze plaats voor binnenmuurverven op basis van alkydhars. Deze wonnen aan populariteit vanwege hun hoge pigmentopname, gemakkelijke verwerking en matte afwerking. In de jaren zestig verloor alkydharsmuurverf terrein aan kunstharsdispersieverf op basis van polyacrylaat, oftewel acrylverf, die sneller droogde en minder schadelijke dampen uitstootte. Uiteindelijk werden ook de pvac-emulsieverven populairder dan de muurverven op basis van alkydhars. Halverwege de jaren vijftig werd het gangbaar om vooral bij pvac-muurverven poreuze ondergronden eerst te behandelen met verdunde, licht gepigmenteerde emulsie, bekend als voorstrijk of emulsiegrondverf. Dit voorkwam dat de (absorberende) ondergrond te snel water aan de verf onttrok. In 1958 bracht Sikkens het oorspronkelijk Zweedse product Glitsa op de Nederlandse markt. Het betrof een blank kleurloos product in hoogglans op basis van polyurethaan, geschikt voor het gemakkelijk onderhouden en beschermen van meubels en houten vloeren. Vóór de overname door Van Wijhe bood de Amerikaanse verffabrikant Sherwin Williams al de vloercoating Duraseal aan. De overname resulteerde in een uitbreiding van het doelpubliek en de markttoegang van Van Wijhe, dat zich niet langer richtte op professionals maar ook op doe-het-zelvers.
Doe-het-zelf
Particuliere consumenten
Halverwege de jaren vijftig ontstond een nieuw fenomeen in de verfsector, de uit de Verenigde Staten overgewaaide doe-het-zelfmarkt. Verffabrikanten moedigden schildersbedrijven aan winkels te openen waar ze ook particulieren van advies konden voorzien. Dit betekende een verandering voor deze fabrikanten; waar zij voorheen voornamelijk brochures en technische specificaties naar schilders, aannemers en architecten stuurden, gingen ze zich nu ook richten op particuliere consumenten en ontwikkelden ze sneldrogende, reukloze muurverven en speciale applicatiematerialen zoals handige verfrollers. In 1954 besloot Sikkens, in antwoord op de groeiende behoefte aan informatie en voorlichting, om alle ontvangen vragen en antwoorden te publiceren in Nederlandse schildersbladen, onder de noemer 'Sikkens Schilder Service'. Hiermee bood het bedrijf een waardevolle service aan de sector. De populariteit van doe-het-zelven groeide, door de instructies van verffabrikanten in tijdschriften over de voorbehandeling van ondergronden en het verwerken van verf, de stijgende kosten van professioneel schilderwerk en de toename van vrije tijd.
Fabrikanten
Schildersbedrijven bekeken met argusogen hoe verffabrikanten deze nieuwe doe-het-zelfmarkt omarmden. De verffabriek Varossieau uit Alphen aan den Rijn leverde in 1953 met Historol een moderne lak voor binnenshuis en vervolgens de bekende Histor verven voor de doe-het-zelver. Twee jaar later introduceerde Sikkens samen met het in 1954 overgenomen familiebedrijf Gebr. Tjallema uit Sneek het merk Flexa Lakfabrieken (afb. 1). Zij leverden onder verschillende Flexa merknamen voor de doe-het-zelfmarkt glanzende lakverf voor hout en staal, zijdeglansverf voor binnenschilderwerk, een muurverf en een structuurverf. Het op de doe-het-zelvers gerichte merk Ralston van Sherwin Williams hield kantoor in Utrecht en produceerde verf in Zeist.
Histor, Flexa en Ralston waren in 1959 nadrukkelijk aanwezig op de Jaarbeurs in Utrecht. Met boekjes en cursussen werd de markt veroverd. En om het schilderen voor de particulieren zo makkelijk mogelijk te maken bood Flexa een doe-het-zelf-schilderhandleiding aan en Ralston een boekje met een gratis schildercursus (afb. 2, 3 en 4).
Ripolin en Wijzonol
Eind jaren vijftig richtte ook Ripolin zich steeds meer op de doe-het-zelver. Voor particulieren gaven zij het boekje ‘Aan u de eer’ uit met praktische tips voor het zelf uitvoeren van schilderwerk en het kiezen van kleuren in het interieur (afb. 6). Begin jaren zestig was vrijwel alle verf die Ripolin produceerde bestemd voor deze doe-het-zelfmarkt. In de jaren zestig lanceerde Van Wijhe onder de merknaam Wijzonol 'Doe het zelf'-verven en beitsen, wat resulteerde in een groot marktaandeel en de uitbreiding van hun verffabriek in de vroege jaren zeventig. In 1978 nam Van Wijhe Ralston over en vier jaar later Sabel Coatings, bekend van de LBH Systeemverf, waarna men het merk Wijzonol LBH systeemverf introduceerde. Voor de doe-het-zelfmarkt bood Wijzonol het product Ecolor aan.
Meerkleurenverf en structuurverf
In de vroege jaren zestig nam het gebruik van decoratieve technieken voor de verfraaiing van wanden, plafonds en betimmeringen aanzienlijk toe. Een opmerkelijke ontwikkeling was de opkomst van meerkleurenverf en structuurverf, waarmee oppervlakken konden worden verlevendigd.
Multi-color
Meerkleurenverf, ook multi-color genoemd, werd vanaf 1962 steeds populairder. Het stelde schilders in staat om met speciale spuitapparatuur meerdere kleuren tegelijkertijd aan te brengen. Meerkleurenverf was een type olie-in-water emulsieverf, waarbij synthetisch rubber werd geëmulgeerd en gestabiliseerd in water en de pigmenten in de oliefase werden verdeeld. Deze pigmenten bestonden uit gekleurde kunstharslakdeeltjes met een beschermende colloïde laag. Wat dit product bijzonder maakte, was dat de verf met gemengde kleurdeeltjes kon worden geroerd zonder dat de kleuren zich vermengden. Het mengen gebeurde pas bij het verspuiten, wat resulteerde in een uniek visueel spateffect van verschillende kleuren. Dit gaf oppervlakken een fluweelachtige uitstraling, vergelijkbaar met suède wandbekleding op hout.
Verschillende producten
Een interessante ontwikkeling hierin was Sigmulto, een duurzaam, stootvast en gemakkelijk te reinigen product ontwikkeld door Pieter Schoen Verfchemie uit Zaandam (afb. 7). Sigmulto vond toepassing op wanden en betimmeringen in verschillende projecten, waaronder het Provinciehuis Zuid-Holland (F. Peutz, 1963). In het Gerrit Rietveld Academiegebouw in Amsterdam (G. Rietveld, 1967) zijn kasten en vitrines afgewerkt met een lichtgrijze meerkleurige structuurverf op een warmgrijze grondlaag. Ook andere verffabrikanten produceerden meerkleurenverf. Molyn en Co. bracht Plucolor op de markt, Sikkens Alphatone en Tollens Toll-o-fect. Dit laatste werd uitgebreid toegepast in het nieuwe stadhuis van Terneuzen (Van den Broek en Bakema, 1972), vooral in de burgemeesterskamer. Ook andere wanden in het stadhuis kregen een behandeling met meerkleurenverf, maar sommige werden afgewerkt met de latexverf Toll-o-Flex en alle betonwanden, ook in het exterieur, werden in een betonkleur geschilderd (afb. 9).
Het bedrijf Coldec uit Vaasen bracht begin jaren tachtig onder de merknaam Coldecor een meerkleurige wandafwerking voor doe-het-zelvers op de markt. Ondanks de populariteit van meerkleurenverf bleef reguliere latexverf veel gebruikt, onder meer in De Doelen in Rotterdam (E.H. en H.M. Kraaijvanger en R.H. Fledderus, 1966). Verfproducent Vettewinkel leverde duizenden liters Nemitex voor de afwerking van muren en plafonds.
Structuurverf
Vanaf 1965 wonnen ook structuurverven aan populariteit. Deze verven, ook bekend als kwartsverven, werden gekenmerkt door hun textuureffecten. Alpha introduceerde onder meer Alphacoat, een slijt- en krasbestendige pvac-muurverf met edelkwarts voor textuur. Wagemakers' Lakfabrieken bood een soortgelijk product, Teokwarts-structuurverf, gemaakt van polyacrylaat-emulsie en fijne kwartskristallen. Bij de bouw van het nieuwe TNO-hoofdkantoor in Den Haag (P. Zanstra, 1965) werd hiervan zo'n zevenduizend kg toegepast. Kwartsverf bleek, net als meerkleurenverf, ideaal voor het maskeren van kleine oneffenheden en verschillende oppervlaktestructuren, terwijl minder voorbereiding van de ondergrond nodig was.
Nieuwe ontwikkelingen
In de jaren zestig transformeerde de verfindustrie door in te spelen op nieuwe interieurontwikkelingen. Hout werd een favoriet bouwmateriaal, niet alleen vanwege zijn esthetische kwaliteiten, maar ook omdat het de noodzaak om een schilderklaar oppervlak te leveren verkleinde. Dit leidde tot het gebruik van kleurige beitsen en verven die zowel een decoratieve als een praktische functie hadden.
Tweecomponenten- en chloorrubberverf
Een mijlpaal in de ontwikkeling van de verfindustrie was de introductie van tweecomponentenverven voor vloeren, met name epoxyhars-producten. Sikkens lanceerde hiervoor in 1966 in Wapenveld het bedrijf Sikkens Wapex . Hun epoxycoating Wapex bood een robuuste, slijtvaste vloerafwerking die ook voor betonbescherming kon worden gebruikt. Deze tweecomponentenverven (coatings) bestonden uit een stamlak en een verharder die gemengd moesten worden voor optimale verharding. Tegelijkertijd deed chloorrubber muurverf zijn intrede als afwerking voor schone betonwanden. Teorub van Wagemakers' Lakfabriek was hiervan een opvallend voorbeeld. Dit werd gebruikt voor de afwerking van het beton in het kantoor van de Postcheque en Girodienst in Arnhem (Van den Broek en Bakema, 1967). De overige muren kregen een laag emulsieverf, Teoplast genaamd. Daarnaast werd in dit gebouw Teolin aflak op basis van alkydhars toegepast voor het afschilderen van hout en staal (afb. 8).
Zo evolueerde de verfindustrie in de jaren zestig om tegemoet te komen aan esthetische en praktische behoeften, van houtafwerking tot vloerbescherming. Zij drukte daarmee een blijvend stempel op interieurontwerp, bescherming en onderhoud.
Milieu en gezondheid
In de jaren zeventig en tachtig lag in de verfindustrie de nadruk op milieu en gezondheid, wat leidde tot de ontwikkeling van oplosmiddelarme en watergedragen lakverven. Deze dienden als vervanging voor de traditionele, schadelijke oplosmiddelhoudende verven. Aan het eind van de jaren zeventig werd acrylaatdispersielakverf een optie voor de afwerking van houtwerk binnenshuis. Met de invoering van nieuwe regelgeving op 1 januari 2000, werden verfsoorten met hoge concentraties aan vluchtige organische stoffen bij binnenschilderwerk verboden. Dit verplichtte de ontwikkeling van oplosmiddelarme en watergedragen verven met een lagere milieu-impact. De tijd zal moeten uitwijzen of deze nieuwe verven de prestaties van traditionele alkydharsverven konden evenaren. De verfindustrie maakte echter al een onomkeerbare verschuiving naar een duurzamere en gezondheidsbewuste aanpak, die impact heeft op zowel professionele schilders als doe-het-zelvers.
Literatuur
- J.A. Lammers, De moderne schilder, Amsterdam 1937.
- ‘Olievrije verfsystemen’, Verfkroniek 14 (1941) 10, p. 208-209.
- S.H.A. Hirsch, ‘De ontwikkeling van emulsieverven. Mededeling uit het laboratorium van Kunstharsfabriek Synthese N.V., Katwijk aan Zee’, Verfkroniek 29 (1956) 8, p. 216-217.
- J.A.P. Meere, ‘Over de toepassing van muurverven binnen en buiten’, Schildersblad 60 (1958) 19, p. 513-518.
- J.H. Oskam, Muurverfwerk, Den Haag 1961.
- J.W. de Wit, ‘Mogelijkheden voor de afwerking van muren, pleisterwerk, boards en beton’, Eisma’s Schildersblad, 64 (1962) 7, p. 239-241.
- J.A. Lammers en J.W. de Wit, Verf en toepassing (2 delen), Den Haag 1963.
- Aan u de eer, uitgave van Ripolin, Hilversum s.a. [ca. 1965].
- F. de Boer, Nederlandse Chemische Industrie, Elf Provinciën Reeks, mei 1968.
- J.H. van der Steen, 200 jaar Sikkens, Sassenheim 1991.
- K. Hazelzet, Toen schilderen nog een ambacht was, Zwolle 1992.
- M.G. Polman, ‘Kleur’, in: M. Kuipers (ed.), Interieurs van herrijzend Nederland. Binnenruimten van een opkomende welvaartstaat, Zwolle 2019, p. 110-121.
Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie ook
Artikelen- Verven - algemeen
- Verven op gebouwen
- Geschilderde afwerking op monumenten - handreiking (pagina bestaat niet)
Specialist(en)
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 10:47.