Verven op gebouwen


Introductie

De verfindustrie ontwikkelde zich vanaf 1900 van een empirisch, ambachtelijk bedrijf tot een ware chemische industrie. De toepassing van wetenschappelijke kennis en moderne technieken voor het produceren van bindmiddelen, verven en lakken leidde tot een betere kwaliteit verfproducten en een breder assortiment met meer toepassingsmogelijkheden.
Advertentie Kaal Afbijtvernis van Hermann A. Schreuder & Co. uit 1936
Afb. 1. Advertentie Kaal Afbijtvernis van Hermann A. Schreuder & Co. uit 1936
Advertentie witte pigmenten van Rocour, circa 1947
Afb. 2. Advertentie witte pigmenten van Rocour, circa 1947. Collectie Ronald Stenvert
Advertentie Synthese kunstharsen uit 1948
Afb. 3. Advertentie Synthese kunstharsen uit 1948
Advertentie Snelharder snel drogende vernis uit 1953
Afb. 4. Advertentie Snelharder snel drogende vernis uit 1953
Advertentie Tornol HS muurverf op basis van chloorrubber uit 1953
Afb. 5. Advertentie Tornol HS muurverf op basis van chloorrubber uit 1953
Folder Stopstara beglazingspasta, circa 1950
Afb. 6. Folder Stopstara beglazingspasta, circa 1950. Collectie Ronald Stenvert
Omslag brochure Elastolin Japanlakken van Tollens, circa 1950
Afb. 7. Omslag brochure Elastolin Japanlakken van Tollens, circa 1950. Collectie Ronald Stenvert
Advertentie Wijzonol in VT Wonen uit 1975
Afb. 8. Advertentie Wijzonol in VT Wonen uit 1975. Collectie Ronald Stenvert

Ontwikkeling na de oorlog

Voor 1940 bestond het aanbod van de schilders voornamelijk uit klassieke verven en vernissen op basis van lijnolie, standolie of houtolie. Na de Tweede Wereldoorlog werd de fabricage van verf steeds meer een industrieel proces en vanaf 1950 werden de klassieke lijnolieverven voor vrijwel alle ondergronden verdrongen door synthetische verven. In de jaren zestig werden deze synthetische verven, doorgaans onder dezelfde merknaam, verder doorontwikkeld.

In jaren zeventig en tachtig, met oliecrises, een afnemende woningbouwmarkt en dalende verkoopcijfers van verfproducten, werden watergedragen verven populair. Deze waren vriendelijker voor het milieu en vooral minder schadelijk voor de gezondheid van de schilder. Nederland lanceerde in 1986 het 'KWS 2000'-beleid om de uitstoot van vluchtige organische stoffen tegen het jaar tweeduizend met 50% te reduceren ten opzichte van 1981. De verfindustrie spande zich hiervoor in, onder meer door het verminderen van oplosmiddelen in verfproducten. Deze ontwikkeling zette zich voort in de jaren negentig.

Chemische verfindustrie

Na de Eerste Wereldoorlog werd de chemische verfindustrie een belangrijke bedrijfstak. Dit resulteerde in een afname van schilders die hun eigen verf maakten. Tot 1930 richtte de Nederlandse chemische sector zich op innovatie en het adopteren van buitenlandse technologieën. Na de economische crisis van de vroege jaren dertig lag de nadruk op de verbetering van de toen nog beperkt gebruikte alkyd- en fenolharsen als bindmiddelen. Vanaf 1932 produceerde de Nederlandse verfindustrie de moderne verven en vernissen in toenemende mate zelf. Er bestonden ook combinaties van moderne synthetische en traditionele standolieverven, gemaakt door zowel fabrikanten als schilders. Tot die tijd waren de benodigde harsen voornamelijk afkomstig uit Duitsland, maar dit veranderde in de late jaren dertig toen grote Nederlandse verfproducenten de harsen zelf begonnen te vervaardigen.

Sikkens’ Lakfabrieken produceerde sinds 1934 de hoogglanslak Rubbol A-Z, een lakverf op basis van synthetische harsen voor binnen en buiten. Dit bedrijf was twee jaar eerder ontstaan na het samengaan van de Koninklijke Lak- en Japanlakfabriek G.W. Sikkens & Co. en de Sikkens Celluloselakfabriek. In 1939 verhuisde de Sikkens fabriek vanuit Groningen naar Sassenheim. Sikkens was zeker niet de enige innovator in deze sector. De in 1899 opgerichte verffabriek S. Drost uit Venlo richtte zich al sinds 1935 op de fabricage van alkydhars. Daarnaast introduceerde Chemische Fabrieken Ceta-Bever uit Beverwijk in 1937 hun Ceta-Bever buitenbeits op de markt. Producten om verven en vernissen te verwijderen bestonden in de jaren dertig ook en in 1936 was het product Kaal Afbijtvernis voorhanden.

Schaarste tijdens de oorlog

De schaarste aan drogende oliën en natuurlijke harsen in de oorlogsjaren stelde de creativiteit van de verffabrikanten danig op de proef. Aan het verbeteren en ontwikkelen van moderne verfproducten kwam voorlopig een einde. Vanwege de schaarste aan grondstoffen en verdunningsmiddelen was het niet langer toegestaan oliehoudende verven in het interieur of op steenachtige ondergronden aan te brengen en werden tijdelijk geen lijnolie en verdunningsmiddelen aan schildersbedrijven toegewezen. Import van grondstoffen uit Duitsland stagneerde ook, aangezien er al sinds 1935 Duitse regelgeving was voor een zo efficiënt mogelijke verdeling van oliën voor verftoepassingen.

Door deze schaarste en regelgeving was de productie van zowel moderne verven als klassieke standolieverven niet meer mogelijk. Dit had ook impact op traditionele muurverven, wat resulteerde in een zoektocht naar alternatieve bindmiddelen als plantenlijmen, caseïne en kaliwaterglas. Belangrijke verflaboratoria werkten samen om vervangers voor de grondstoffen te maken en dit leidde bij Sikkens tot de olie-arme lakverf Protex voor metaal. In Sikkens’ Onol grondverf was cellulose de vervanger van lijnolie. Het bedrijf Veveo (Verf, Vernis en Oliefabrieken), in 1921 opgericht in Rotterdam, beschikte over een eigen cellulosefabriek en verhuisde na oorlogsschade in 1940 deels naar Schiedam. De al sinds 1828 bestaande vernis- en verffabriek Molyn & Co. uit Rotterdam ging aan het begin van de oorlog over op het maken van olievrije producten, zoals Emulsite. De firma richtte zich ook op de ontwikkeling van zuivere gesynthetiseerde kunststoffen zoals polyvinylverbindingen en polyacrylaten.

Innovatie en verbetering

Na de Tweede Wereldoorlog richtten verffabrikanten zich op innovatie en alternatieve producten. In 1946 lanceerde Van Wijhe in Zwolle Wijzonol Creosoot Houtimpregneerverf voor het conserveren van hout met een hoge vochtigheidsgraad (afb. 8). Deze systeemverf, op basis van kleurcarbolineum en grondverf, markeerde een doorbraak in houtbeschermingstechnologie dankzij het ademende verfsysteem. Ook andere fabrikanten ontwikkelden systeemverven, die bestonden uit zo’n 70% klassieke grondverf en 30% moderne lakverf. De firma Touwen & Co uit Amsterdam leverde ook kleurcarbolineum onder het merk Tencolineum.

Voor en tijdens de oorlog was de basis gelegd voor tal van grondstoffen, zoals polyvinylharsen, polyacrylaatharsen, kunstrubbers en pigmentkleurstoffen. De doorontwikkeling en verbetering hiervan werd hervat en dit leidde tot steeds meer verscheidenheid en grotere perfectie. Een voordeel was dat de grondstoffen zo konden worden geselecteerd dat de verkregen harsen bruikbaar waren. De Verenigde Staten, waar nieuwe en vervangende duurzame kunstharsen voor de verfindustrie werden ontwikkeld, kwamen in beeld als leverancier van onder meer sneldrogende lakken uit de auto-industrie en andere grondstoffen. De invloed van deze producten op de ontwikkeling van synthetische verven mag niet worden onderschat.

Synthese was in 1947 opgericht als zelfstandige dochter van de Sikkens groep, gespecialiseerd in kunstharsen voor de lak- en verfindustrie. Het bedrijf werkte nauw samen met het in 1927 opgerichte Amerikaanse Reichhold Chemicals en ontwikkelde nieuwe gemodificeerde alkydharsen. Aanvankelijk gevestigd in Sassenheim, verhuisde Synthese in 1953 naar Katwijk aan Zee en dertien jaar later naar Bergen op Zoom. De laboratoria bleven in Katwijk. Tussen 1947 en 1950 werden hun producten, waaronder Setal (alkydharsen) en Setaliet (phenolharsen), verkocht door Keyser & Mackay uit Amsterdam, een handelsagent voor de verfindustrie (afb. 3).

Ondanks vooruitgang in de verftechnologie bleven schilders klassieke verven gebruiken. Er waren immers ook kritische geluiden over alkydharsverf, zoals de neiging tot uitzakken en de lage waterdampdoorlatendheid, wat op termijn problemen kon veroorzaken bij het schilderen op hout. Om het gebruik van moderne verven te bevorderen, organiseerden het bedrijfsleven en de Nationale Schilderschool discussiedagen. ‘Lijnolie en zinkwit hebben hun tijd gehad’, klonk het daar. Leveranciers en verffabrikanten publiceerden voorlichtingsbrochures, een verfvademecum en vakbladen met technische informatie.

Sneldrogende verven

Het trage droogproces van traditionele verven vormde een groot probleem. Daarom werd begin jaren vijftig sneldrogende alkydharsverf geïntroduceerd; ideaal in een tijd van woningnood en grote bouwproductie, want er hoefde minder te worden geschuurd en er ontstonden geen technische problemen bij hout dat niet eerst was gewaterd, te kort was gedroogd en te nat werd verwerkt. Schilders kregen naar eigen zeggen immers kozijnen te schilderen van hout waar ‘de takken nog aan zaten’. Houthandelaren hielden kleinere voorraden aan om de opslagtijd te verkorten, wat leidde tot minder gedroogd hout in de bouw.

Verf- en Vernisfabrieken Herfst en Helder uit Leiden ontwikkelde in 1954 het product Durinex. Dit was een dampopen half synthetische grond- en dekverf voor buiten in ivoorkleur op basis van een natuurlijke olie en kunsthars. In hetzelfde jaar kwam Feenstra verf- en lakfabriek uit Groningen met het synthetische product Aldolux Primer Oil. Wanneer dit werd toegevoegd aan lijnolieverven ontstond een sneldrogende half-synthetische grondverf. Pieter Schoen & Zoon , opgericht in 1722 in Zaandijk maar gevestigd in Zaandam, promootte in het Schildersblad Linharder. Dit diende als vernis, maar ook als verhardingspreparaat of droogtijdversneller voor lakverven. De firma S. Drost leverde het product Snelharder, een harsvrije, snel drogende vernis die mengbaar was met alle pigmenten en doorhardende eigenschappen toevoegde aan klassieke of synthetische verven en lakken (afb. 4). In 1952 bracht Drost Devetaal HS, een half-synthetische sneldrogende lakverf op de markt, in hoogglans voor binnen en buiten en op basis van een met drogende oliegemodificeerde alkydhars. Veveo kwam met Hardsolit. Schaap en Borgman uit Amsterdam produceerden als tegenhanger van de klassieke Schabora Glansstand onder de naam Schabora-Classica een met moderne middelen verbeterde klassieke standolieverf. Lak- en Vernisfabrieken Wed. Boonstoppel & Zn. maakte van de klassieke Garantie Standverf onder dezelfde productnaam ook een sneldrogende halfsynthetische variant.

Bescherming van hout en metaal

Tijdens de wederopbouw viel de toenemende populariteit van hardhoutsoorten voor exterieurafwerkingen op, naast het al langer gebruikte hardhout voor buitendeuren. Het hout moest met vernis of blanke lak worden beschermd tegen weersinvloeden. Om te voorkomen dat de vernislaag werd aangetast door stoffen uit deze houtsoorten, behandelde men het hout vaak eerst met een laag blanke polyurethanlak of een epoxylak.

Begin jaren vijftig adverteerde Pieter Schoen met het product Tornol HS onder het motto ‘Tornol bespaart u verfzorgen!’. Het betrof een lakverf voor buiten op basis van chloorrubber, met een buitengewone hechting en dekkracht in één laag (afb. 5). Schoen leverde ook een muurverf op basis van chloorrubber, Tornulose.

Er waren ook verven voor metaalbescherming. In het assortiment van Schoen waren dat onder meer Silveroid, een zuivere aluminiumverf, en Ferronol, een ijzerglimmerverf voor ijzerconstructies. Bij aluminiumverf drijven de aluminiumdeeltjes na het opbrengen van de verf naar het oppervlak en vormen ze een dik pantser dat de onderlaag beschermt tegen indringend vocht en uv-licht. Dit leafing type aluminiumverf dient vooral als beschermende bovenlaag voor de onderliggende roestwerende verf.

Beglazen

Tot de taak van de schilder hoorde ook beglazen. Vettewinkel & Zonen ontwikkelde in 1952 de zogenaamde Knit Stoppasta als vervanger van stopverf bij onderhoudsschilderwerk met synthetische lakverven (afb. 6). Deze makkelijk kneedbare kunstmatige pasta bestond uit één component en was geschikt voor houten kozijnen. Knit Stoppasta verschilde qua uiterlijk niet van gewone stopverf maar verhardde aanzienlijk beter met behoud van elasticiteit. Traditionele stopverf, op basis van lijnolie en gewassen krijt, veroorzaakte bij overschildering door een moderne verf problemen in de laklaag. Feenstra verf- en lakfabriek ontwikkelde in 1954 een op moderne verfsystemen afgestemde stoppasta onder de naam Aldolux. In stalen kozijnen werd het product Starkit gebruikt als een twee-componenten stoppasta. Voor het beglazen waren al sinds de jaren dertig ook Sigmaplast en Stopstara van Pieter Schoen voorhanden. Met Sigmaplast welpasta werd eerst een elastisch blijvende bedding voor het glas aangebracht. Daarna werd het glas afgestopt met Stopstara, dat voor stalen kozijnen een meniekleur had maar ook werd geleverd in stopverfkleur. In de jaren zestig werd de Stopstara variant voor stalen kozijnen doorontwikkeld tot een snel verhardend twee-componenten product met als mengdelen stoppasta en verhardingspasta. Stopstara werd ook gebruikt voor beglazing in beton.

Schaalvergroting fabrikanten

In de jaren zestig en zeventig deed zich onder de Nederlandse verffabrikanten een aantal belangrijke overnames en fusies voor. Hierdoor werd het voor kleinere familiebedrijfjes steeds moeilijker om te overleven. Veel van hen werden overgenomen of geliquideerd. Sikkens, dat zich in 1962 bij het Koninklijke Zout Ketjen aansloot en vijf jaar later een aantal chemische bedrijven overnam, lijfde in 1968 het Duitse verfconcern Lesonal in en kreeg een speciale coatings divisie. Lesonal was in Nederland vooral bekend door de producten Elastoline en de Lesonal radiatorlak. In 1969 werd Sikkens onderdeel van AKZO. Tollens & Co. Verf- en vernisfabrieken, in 1748 opgericht door J.J. Tollens, verwierf in 1966 muurverffabrikant Amstellin uit Utrecht. In 1967 werd verffabriek Pieter Schoen overgenomen door het Belgische Petrofina.

Het in 1809 in Amsterdam opgerichte bedrijf Vernis- en Verffabriek H. Vettewinkel & Zn. reorganiseerde in 1962 en ging een nauwere samenwerking aan met zijn dochteronderneming NEMI (Nederlandse Muurverfindustrie ), opgericht in 1954 in Mijdrecht. NEMI werd verantwoordelijk voor de verfproductie, terwijl Vettewinkel zich richtte op de verkoop. Begin 1967 werd ook de productie in het bedrijf Vettewinkel geïntegreerd. In 1970 fuseerde Vettewinkel met Varossieau (in 1795 opgericht in Alphen aan den Rijn) tot ICM (International Coating Materials). Dit nieuw samengestelde bedrijf werd vervolgens in 1971 eveneens overgenomen door het grote Petrofina. In 1972 ontstond uit een van de pijlers van Petrofina de dochteronderneming Sigma Coatings. Pieter Schoen had al eerder de merknaam SIGMA voor een groot aantal verfproducten gebruikt omdat Schoen voor buitenlanders lastig uit te spreken was. De al eerder genoemde Vernis- en Verffabriek Molyn & Co. uit Rotterdam fuseerde in 1970 met de firma Brink uit Groot-Ammers tot de verffabriek Brink-Molyn. Deze werd na financiële problemen in 1985 overgenomen door AKZO.

Chloorrubber-, epoxy- en alkydharsverven

Tot dan toe hadden verffabrikanten zich voornamelijk gericht op het produceren van verf ter bescherming tegen weersinvloeden. Echter, met de industriële groei in de jaren zestig nam de behoefte aan verven die bestand waren tegen chemicaliën, oplosmiddelen en mechanische schade toe. Dit leidde tot nieuw onderzoek naar verbeterde grondstoffen en producten voor de bescherming van hout, ijzer en beton in industriële omgevingen. Dit onderzoek richtte zich op het verbeteren van bestaande chloorrubberverven en twee-componenten epoxyverven. De Amerikaanse firma Jones Dabney Comp. maakte het epoxyhars Epon resin. In Nederland verkreeg Shell een licentie voor de productie onder de naam Epikote. Naast moderne chloorrubber- en epoxyverven om gewapend beton te beschermen en in goede staat te houden, werd in de jaren zeventig ook de silicaatverf Keim weer populair. Vooral restauratiearchitecten kozen voor silicaatverf om te voorkomen dat beton werd afgesloten, in tegenstelling tot chloorrubberverf dat de ondergrond ‘inpakt’.

Het belang van een ademend verfsysteem werd in de volgende decennia steeds groter. Een ander alternatief voor chloorrubber- of twee-componentenverf was gesiliconiseerde alkydharsverf, door fabrikanten beschouwd als een verbetering van de normale alkydharsverf. Een andere aanduiding hiervan is een met polysiloxanen gemodificeerde alkydharsverf. Polysiloxanen zijn chemisch gezien verwant aan silicaten, met het onderscheid dat zij een langgerekte silicium verbinding vormen en silicaten een groot vertakt moleculen netwerk. Het bedrijf Trimetal bracht met het product Stellor een alkydharsverf op de markt waaraan polysiloxanen waren toegevoegd. Rond 1975 introduceerde AKZO met het merk Rubbol SB een meer duurzame en beter tegen uv-stralen bestande lakverf voor buiten op basis van een met siliconenhars gemodificeerde alkydhars. De systeemverven – grond- en lakverf in één pot – bleven populair voor het afschilderen van buitenwerk en verffabrikanten imiteerden elkaars producten. In de jaren tachtig leverden Sikkens en Sigma Coatings respectievelijk Rubbol EPS en Schakelverf. Gevelkozijnen konden ook anders worden verduurzaamd. Zo werden de kozijnen voor het Stadhuis van Terneuzen (Van den Broek en Bakema, 1972) eerst in een bad gedompeld en vervolgens in het werk voorzien van een laag blanke lak van het merk Restol.

Zorgen om het milieu

Rond 1970 namen milieuzorgen toe en dit had grote gevolgen voor de ontwikkeling en modificering van verfproducten. Hierbij speelde ook media-aandacht voor de gezondheidsrisico's van oplosmiddelen een rol. Aanvankelijk beperkten de klachten zich nog tot hoofdpijn, concentratieproblemen en schilderseczeem, maar in de jaren tachtig en vroege jaren negentig ontstond het Oplosmiddel Psycho Syndroom (OPS), ook wel bekend als de schildersziekte. In de late jaren zeventig werden watergedragen acrylaatdispersielakverven populair voor de afwerking van houten gevelwerk. Deze verschillden van dispersiemuurverven doordat ze minder pigment en vulstof bevatten en dankzij kleinere kunsthars polymeerbolletjes een fijnere verdeling van het bindmiddel hadden. Acrylaatdispersielakverf heeft een zeer hoog bindmiddelgehalte, namelijk 85%, in tegenstelling tot de 25% bij dispersiemuurverf.

Het in 1986 gelanceerde 'KWS 2000'-beleidsplan (KoolWaterStoffen) had als doel de uitstoot van vluchtige organische stoffen in 2000 met 50% te verminderen ten opzichte van 1981. Hiertoe werkte de verfindustrie aan het reduceren van oplosmiddelen in verfproducten. Dit kon door in verfrecepturen nieuwe bindmiddelen toe te passen of het oplosmiddel te vervangen voor water. Oplosmiddelarme verven op basis van alkydhars werden high solids of medium solids genoemd. Wijzonol introduceerde voor de professionele markt het product Wijzonol High Solid. Begin jaren negentig werden de high solids en de acrylaatlakken nog steeds verbeterd om uit de kinderziektes te raken. Zo liep bij de high solids de glans nog te snel terug en poederde de verf snel af. Ook was de vloeiing van de verf te goed, waardoor snel zakkers in de verflaag ontstonden en er op scherpe kantjes te weinig verfdekking was. Tenslotte was het kleurenaanbod beperkt, omdat niet alle oplosmiddelhoudende kleurpasta’s even goed reageerden op de high solids.

Literatuur

  • J.W. de Boer, Van vernis-stokerij “op aarden grond” tot modern chemisch bedrijf, Rotterdam 1952.
  • J.A. Lammers en J.W. de Wit, Verf en toepassing (2 delen), Den Haag 1963.
  • F. de Boer, Nederlandse Chemische Industrie, Elf Provinciën Reeks, mei 1968.
  • D.H. Vettewinkel jr., Alles over verf, Amsterdam 1969 (tweede druk).
  • C. Dijkstra, Acrylaatdispersieverf op hout, Eindhoven 1987.
  • J.H. van der Steen, 200 jaar Sikkens, Sassenheim 1991.
  • K. Hazelzet, Toen schilderen nog een ambacht was, Zwolle 1992.
  • M.F. Kooistra, Verf Vademecum. Technieken en toepassingen van verven en lakken, Deventer 1995.
  • A.A.A. de la Bruhèze et al. (ed.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, Deel 2. Delfstoffen, energie, chemie, Zutphen 2000.


Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema's


Begrippen

verven

Specialist(en)


Verbeteringen, vragen of opmerkingen?Geef een inhoudelijke verbetering door, stel een vraag of maak een opmerking via het contactformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 11:50.