Verzekeren van de Rijkscollectie
Introductie
Verzekeren is een manier voor eigenaren en beheerders van collecties om zich in te dekken tegen financiële verliezen door diefstal of schade. Bij het uitlenen van collectie aan een museum of andere locatie wordt vaak een verzekering als voorwaarde gesteld door de bruikleengever. Over het wel, niet of beperkt verzekeren is al veel gezegd. Hoe nu om te gaan met het verzekeren van museale cultuurgoederen? Wat is daarover opgenomen in de Erfgoedwet? Wat te doen bij (onder)bruiklenen? In dit artikel zetten we een en ander uiteen voor iedereen die Rijkscollectie uit- dan wel inleent, en voor iedereen die deze werkwijze als voorbeeld wil hanteren.Verzekeren van overheidscollecties
Het Rijk, provincies en gemeenten zijn eigenaar van bijzondere collecties, deels in beheer bij musea. Het gaat hierbij om erfgoed dat wordt beheerd met publiek geld en waarvoor de overheid een bijzondere zorgplicht heeft.
Collectie van de Staat (Rijkscollectie)
De Rijkscollectie wordt in principe niet verzekerd. Het uitgangspunt hierbij is de culturele waarde van het cultuurgoed, niet de financiële waarde. Een uniek cultuurgoed is vanwege de specifieke culturele waarde onvervangbaar bij totaal verlies of onherstelbare schade. De verzekeringspenningen kunnen dat niet compenseren. De beheerder is wel aansprakelijk voor herstelbare schade, bijvoorbeeld als gevolg van transport. Het is aan de beheerder om zich hier tegen te verzekeren. Het verzekeren tegen schade of totaalverlies is daarbij in de regel niet handig omdat de kosten voor verzekeringspremies hoger kunnen zijn dan een eventuele schadevergoeding. De premies zijn immers gebaseerd op de taxatiewaardes van de objecten in de collectie. Daarnaast gaat het vaak om unieke objecten waar niet een nieuw exemplaar van kan worden gekocht. Dat neemt niet weg dat het risico wel beperkt moet worden.
Bovendien verzekert de Staat zich niet voor de risico’s van schade voor of aansprakelijkheid van de Staat aan derden. Behalve dat schade kan ontstaan aan cultuurgoederen, kunnen cultuurgoederen zelf ook schade veroorzaken. Goed beheer impliceert daarom ook goed risicobeheer, waarbij schade aan derden en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkstellingen zoveel mogelijk worden tegengegaan.
In de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiering museale instellingen zijn de richtlijnen voor goed beheer vastgelegd die moeten leiden tot een adequate risicobeheersing. Zij zijn alleen van toepassing op beheerders die rijkscollectie beheren. De normen voor correct beheer en behoud worden toegelicht op de website van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Voor meer inhoudelijke informatie over risicomanagement, preventieve conservering en veiligheid, zie de website van de RCE.
De Staat heeft de Rijkscollectie beherende instellingen belast met de taak de collectie goed te beheren. Daarbij ziet de Staat af van het eisen van een schadevergoeding, in welke vorm dan ook, in geval van:
- totaal verlies van de museale cultuurgoederen van de Staat of die welke aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd;
- onherstelbare schade aan de museale cultuurgoederen van de Staat of die welke aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd;
- waardevermindering van de museale cultuurgoederen van de Staat of die welke aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd; tenzij het totale verlies van de museale cultuurgoederen van de Staat of die welke aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd, of de schade daaraan of de waardevermindering daarvan, rechtstreeks te wijten is aan grove schuld of grove nalatigheid van de zijde van de beherende instelling. Hieronder wordt uitdrukkelijk verstaan het bestuur van de beherende instelling.
Omdat de Staat zichzelf en de Rijkscollectie niet verzekert wordt die verplichting dus ook niet aan de musea die Rijkscollectie beheren opgelegd. Wel is er sprake van beperkte aansprakelijkheid in geval van herstelbare schade.
Hetzelfde geldt in het geval van onderbruiklenen, waarvoor dus eveneens geen verplichting geldt en alleen beperkte aansprakelijkheid.
Relevante wetten en afspraken in het kader van collectiemobiliteit
Erfgoedwet
In de Erfgoedwet, ingegaan in juli 2016, staan regelingen rondom het in goede staat houden, het bevorderen van de toegankelijkheid en het veilig stellen (maatregelen ter voorkoming van diefstal, verlies, beschadiging of vernietiging) van de Rijkscollectie. Dit geldt voor zowel de rijkscollectie in beheer bij de (verzelfstandigde) rijksmusea als voor de rijkscollectie beheerd door ministeries en Hoge Colleges van Staat. Om de verschillende beheerders van de Rijkscollectie te ondersteunen bij het bruikleenverkeer heeft de RCE een Model bruikleenovereenkomst Rijkscollectie opgesteld waarin de wettelijke regelingen en normen met betrekking tot de Rijkscollectie zijn opgenomen.
Cultuurconvenanten
In aanvulling op de Erfgoedwet, en in het verlengde van de Kaderovereenkomst uit 1989, heeft de Minister van OCW in 2017 Cultuurconvenanten afgesloten met andere overheden rondom collectiemobiliteit. In 2025 zijn de Cultuurconvenanten 2025-2028 gesloten. Afspraken omtrent beperkt verzekeren zijn hierin vastgelegd. Collecties van overheden zijn immers grotendeels met publieke middelen gefinancierd. Daarom zou ook zo veel mogelijk hiervan publiek toegankelijk moeten zijn. Om die zichtbaarheid te bevorderen is door middel van de Cultuurconvenanten afgesproken dat overheden zich actief zullen inzetten bruikleenverkeer te bevorderen en bestaande barrières weg te nemen. Overheidscollecties zijn bovendien niet verhandelbaar en behoren niet tot het vermogen van de overheid. Het niet of beperkt verzekeren houdt in dat het museum door het Rijk niet aansprakelijk wordt gehouden voor totaalverlies of onherstelbare schade, tenzij er sprake is van nalatigheid. Bruikleennemers zijn wel altijd aansprakelijk voor opzet en grove schuld. Het is überhaupt niet mogelijk om hiertegen te verzekeren. Ook tijdens transport worden bruikleennemers alleen aansprakelijk gesteld voor herstelbare schade. Als de bruikleennemer zich hiertegen wil verzekeren spreken we over beperkt verzekeren. Het punt van wederkerigheid uit de Kaderovereenkomst is komen te vervallen, zodat ook kleinere instellingen onder gunstige voorwaarden kunnen lenen.
Code Bruikleenverkeer
De Code Bruikleenverkeer 2017 is opgesteld in samenwerking met musea en andere overheden. De ideeën uit de Kaderovereenkomst uit 1989 zijn vertaald naar aanleiding van de verzelfstandiging van musea en verbreed naar meer andere overheden. Bovendien zijn de uitgangspunten van de Code omtrent het (beperkt) verzekeren aangepast aan de museale praktijk van het Nederlands bruikleenverkeer zoals beschreven in de publicatie Slimmer Lenen (zie hieronder). In de Code Bruikleenverkeer staan onder andere uitgangspunten waar musea zich aan dienen te houden om de zichtbaarheid van collecties te bevorderen en bruikleenverkeer te stimuleren. De uitgangspunten ter bevordering van bruikleenverkeer zijn:
- Ruimhartig bruikleenverkeer, ook zonder wederkerigheid
- Wederzijds vertrouwen
- Beperkte aansprakelijkheid, dus alleen voor herstelbare schade
- Duurzame samenwerking
- Kennisdeling
- Transparante communicatie
- Pas toe of leg uit-principe
De Code Bruikleenverkeer is vooral bedoeld voor publieke eigenaren van collecties (zoals gemeenten, provincies en het Rijk) en museale instellingen die werken volgens de ICOM-code. Door de Code te onderschrijven verklaart het museum of de publieke eigenaar dat hij op deze uitgangspunten kan worden aangesproken.
Over aansprakelijkheid is in de Code Bruikleenverkeer opgenomen “Als het gaat om cultuurgoederen die eigendom zijn van een publieke eigenaar, wordt de aansprakelijkheid beperkt tot herstelbare schade, tenzij sprake is van nalatigheid. Publieke eigenaren maken expliciet dat zij hun beheerders beperkt aansprakelijk stellen en geven hun de gelegenheid dezelfde gunstige voorwaarden aan derden te verlenen. Musea hanteren bij onderbruikleen dezelfde gunstige voorwaarden.”
Overheden hebben dus met elkaar hebben afgesproken dat ze hun eigendommen zoveel mogelijk willen tonen, en dat vanwege de beperkte aansprakelijkheid ook de verzekeringskosten kunnen worden beperkt voor beheerders en onderbruikleennemers. Het risico ligt dan uiteindelijk bij de eigenaar. De (onder)bruikleennemer kan zich verzekeren voor herstelbare schade, maar kan ook kiezen om dat niet te doen. Dat is uiteindelijk een risicoafweging die ieder voor zich moet maken. Een instelling met veel vermogen kan er bijvoorbeeld voor kiezen om niet beperkt te verzekeren.
Voor organisaties die geen beheerder zijn van een overheidscollectie kan niet verzekeren soms ingewikkeld liggen, maar het is zeker mogelijk om ook bij andere collecties de principes van het Rijk en de andere overheden te volgen. Het is uiteraard aan de eigenaar van de collectie om dat te bepalen. Bij bruiklenen is het belangrijkste om goede afspraken te maken tussen de bruikleengever en de bruikleennemer. Zo kan bijvoorbeeld aansluiting gezocht worden bij de principes van beperkt verzekeren conform de Code Bruikleenverkeer. Ook kan bijvoorbeeld gekozen worden om de kosten voor schade de delen. Zoals hierboven gezegd is de kans op totaalverlies klein. De kans op herstelbare schade is veel groter, maar met goede afspraken kunnen de kosten hiervan laag worden gehouden.
Slimmer lenen
In 2016 publiceerde de Museumvereniging de brochure Slimmer Lenen. Deze publicatie werd geschreven door de gelijknamige werkgroep en wordt gesteund door een groot aantal musea. De aanleiding voor de werkgroep was het rapport uit 2014 Uitlenen is een kans, waarin onder andere de conclusie werd getrokken dat verzekeringspremies veel lager zouden kunnen zijn, indien musea onderling zouden overeenkomen dat zij in het binnenlands bruikleenverkeer voortaan uitsluitend de werkelijke risico's zouden verzekeren. Het doel van Slimmer Lenen is het bevorderen van bruikleenverkeer tussen musea, zodat de collecties van Nederlandse musea voor een groot publiek toegankelijk zijn. In Slimmer Lenen staan acht uitgangspunten geformuleerd, die het bruikleenverkeer gemakkelijker maken. Eén van de aspecten die aan bod komt is de noodzaak van verzekeren: “Moet het werk op basis van de taxatiewaarde verzekerd worden? Of is het verzekeren van de schade voldoende? Sluit de optie van gedeelde verantwoordelijkheid voor schade/verlies niet bij voorbaat uit. Onderzoek of niet-verzekeren tot de mogelijkheden behoort.”
Deze vraag werd in 2018 verder uitgewerkt in het rapport De kunst van beperkt verzekeren? Museaal bruikleenverkeer en verzekeringskosten. In deze publicatie, die is geschreven in opdracht van de Museumvereniging, werd onderzocht wat de gevolgen zijn van beperkt verzekeren en hoe groot het risico is voor bruikleengevers. Het rapport stelt dat de hoge transport- en verzekeringskosten zwaar drukken op het tentoonstellingsbudget, waardoor bruikleenverkeer wordt bemoeilijkt. Veel bruikleengevers eisen een verzekering tegen totaalverlies, tegen waardevermindering en restauratiekosten van beschadigingen. Kortom, tegen alle risico’s tijdens transport en verblijf wordt een verzekering geëist. Dit wordt ook wel de “van spijker tot spijker” verzekering genoemd.
Uit het rapport blijkt dat totaalverlies nauwelijks voorkomt, alhoewel de schade groot is als dat wel gebeurt. Verzekeren tegen totaalverlies dient dan ook afgewogen te worden tegen de risico's. Dit is precies wat de Staat heeft gedaan en dit staat beschreven in de Code Bruikleenverkeer. Bij totaalverlies is de beheerder van Rijkscollectie niet aansprakelijk. Ook waardevermindering komt volgens het rapport weinig voor en is bovendien niet van toepassing. Immers, waardevermindering is pas voelbaar wanneer een object commercieel wordt verhandeld en dat gaat niet op voor museale en overheidscollecties. Schade aan inkomende bruikleenobjecten komt regelmatig voor. Maar zoals blijkt uit het rapport is de hoogte van de schadeherstelkosten per incident zeer beperkt (enkele uitzonderingen daargelaten). Dit is het belangrijkste argument om beperkt verzekeren bij binnenlands bruikleenverkeer te stimuleren.
Wanneer binnen het bruikleenverkeer objecten beperkt worden verzekerd betekent dit dat deze voorwerpen door de bruikleennemer alleen worden verzekerd voor herstelbare schade. Dat wil zeggen dat restauratiekosten worden vergoed wanneer er beschadigingen zijn ontstaan tijdens het transport naar, of verblijf van het object in, het bruiklenende museum, bijvoorbeeld vanwege een tijdelijke tentoonstelling.
Het rapport gaat zelfs een stap verder en stelt dat de grotere musea zouden kunnen overgaan tot niet verzekeren. Dit, omdat de gemiddelde schade laag is en meestal gedragen kan worden door de bruikleengever. Wanneer musea als bruikleennemers alleen verzekeren tegen herstelbare schade wordt de aansprakelijkheid beperkt en worden hoge verzekeringskosten voorkomen. Verzekeringen worden afgesloten aan de hand van de marktwaarde van het object. Dit betekent dan ook dat de kosten van de bruikleennemer stijgen wanneer de marktwaarde van een object stijgt. Bij publieke eigenaren, zoals overheden, maakt het cultuurgoed geen deel uit van het vermogen van deze eigenaren. De collectie staat niet ‘op de balans’ van de overheid. Voor een particuliere eigenaar ligt dat anders, omdat het cultuurgoed wel deel uitmaakt van het vermogen. Bovendien maken particulieren andere afwegingen omtrent koop en verkoop van hun vermogen en zijn ze niet gehouden aan de zelfregulering binnen de museumsector, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de Leidraad Afstoting Museale Objecten (LAMO). Ook musea doen het vaak op deze manier, al zou het voor de hand liggen om het anders te doen, juist vanwege de geldende regels voor geregistreerde musea. Zodra een object aan de permanente collectie van een museum wordt toegevoegd, en het dus niet meer op de markt aanwezig is, betekent de marktwaarde niet veel meer. Veel belangrijker wordt de cultuurhistorische waarde. Dit zou er dus toe kunnen leiden dat er gekozen wordt om het object niet te verzekeren. Immers, het totaalverlies van een object in een permanente collectie is niet zozeer een financieel verlies, maar een cultuurhistorisch verlies; je zal bijvoorbeeld nooit precies hetzelfde schilderij opnieuw kunnen kopen.
Historische context
In het verleden hebben nationale en internationale regelingen en onderzoeksprojecten geleid tot meer inzicht in de verbetering van bruikleenverkeer door onder andere kritisch te kijken naar het wel, niet of beperkt verzekeren. Hier volgt een kort overzicht.
Kaderovereenkomst Bruikleenverkeer 1989
In 1989 werd de ‘Kaderovereenkomst Bruikleenverkeer 1989’ opgesteld. Deze overeenkomst werd gesloten tussen het Rijk en de vier steden Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Gouda, om onderling bruikleenverkeer gemakkelijker te maken. De overeenkomst maakte het mogelijk om objecten uit de rijkscollectie tegen beperkte voorwaarden uit te lenen aan elk professioneel museum dat onder de verantwoordelijkheid van deze overheden viel en vice versa. Wederkerigheid was het uitgangspunt.
De hoofdpunten uit de Kaderovereenkomst zijn:
- Totaalverlies of waardevermindering in het museum worden niet verhaald op de bruikleennemer
- De bruikleennemer is alleen aansprakelijk voor herstelbare schade
- Alleen tijdens transport geldt aansprakelijkheid voor totaalverlies
Sinds die tijd zijn deze punten leidend in het rijksbeleid ten aanzien van musea en collecties.
Europese projecten
Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap van 2004 kwam het rapport Lending to Europe tot stand. Hierin stonden aanbevelingen om Europese collectiemobiliteit te stimuleren. Hoe om te gaan met bruikleenverzekeringen was hier ook een onderdeel van. Zo werd er gepleit om beperkt te verzekeren of zelfs niet te verzekeren. Op deze manier wordt bruiklenen laagdrempeliger, vooral voor kleinere instellingen.
Dit rapport werd opgevolgd door diverse Europese projecten waarin gewerkt werd aan het stimuleren van collectiemobiliteit door te kijken naar het beperkt verzekeren. Het laatste project vond plaats in 2012: Expert Group on the Examination of ways and means to simplify the process of lending and borrowing. In het adviesrapport van deze werkgroep werden gedeelde aansprakelijkheid en het opzetten van indemniteitsregelingen verder uitgewerkt voor lidstaten van de EU. Een belangrijk stuk informatie uit dit rapport betrof de cijfers vanuit lidstaten met een indemniteitsregeling waarbij de bespaarde kosten werden afgewogen tegen de uitgaven vanwege schade. Terwijl er miljoenen werden bespaard door de indemniteitsregeling ging het slechts om een uitkering van enkele duizenden euro's voor restauraties. Verder was een belangrijk advies vooral in te zetten op risicobeheer en standaarden voor transport. Naast dit rapport werd ook onderzoek gedaan naar financiële waardebepaling waaruit bleek dat musea hun collectie vaak zelf heel hoog taxeren vanwege de status die dat met zich meebrengt, terwijl de taxatiewaarde direct van invloed is op de verzekeringspremies.
Conclusie
Het uit beleid en doelmatigheid voortgekomen uitgangspunt is dat de Staat bij bruiklenen een museum alleen aansprakelijk houdt voor herstelbare schade, en dus niet voor onherstelbare schade of vermissing. Cultuurgoederen zijn per definitie onvervangbaar, want uniek. Bovendien vertegenwoordigt het cultuurgoed voor de Staat louter een culturele waarde, geen financiële waarde. Omdat musea wel aansprakelijk zijn voor herstelbare schade aan de cultuurgoederen kunnen de musea ervoor kiezen om daartegen te verzekeren. De plicht is er dus niet; het is altijd een keuze. Natuurlijk kan het ook een keuze zijn om te verzekeren tegen totaalverlies, maar beter is het om te investeren in goede veiligheid en beveiliging in en van het museum. Daar heeft de gehele collectie profijt van.
Tips
Tenslotte wat tips die als leidraad kunnen dienen voor verzekeren van collecties in het algemeen:
- Maak als bruikleennemer heldere afspraken met de bruikleengever van de objecten op het gebied van verzekeringen.
- Kijk goed naar risicobeheersing en beveiliging. Dat is een duurzamere oplossing dan het afsluiten van dure verzekeringen.
- Beperkt verzekeren door alleen te verzekeren voor herstelbare schade kan helpen de kosten lager te houden. De kosten bij beperkt verzekeren zijn aanzienlijk lager dan bij een allriskverzekering. Let op: Enkel verzekeren voor herstelbare schade is niet altijd goedkoper. Bijvoorbeeld bij het moeten herstellen van een boek door waterschade kan de marktwaarde van dat boek lager zijn dan de kosten voor het restaureren ervan.
- Ook kunnen tussen bruikleennemer en bruikleengever afspraken gemaakt worden rondom gedeelde aansprakelijkheid.
- De taxatiewaarde is niet meer relevant bij beperkt verzekeren omdat het gaat om de waarde gekoppeld aan restauratiekosten bij herstelbare schade. De nadruk ligt op het behoud van erfgoed.
- Je kan er eventueel voor kiezen om enkel periodes van de bruikleenperiode te verzekeren, zoals bijvoorbeeld alleen het transport of enkel het verblijf in het museum.
- Uitzoekwerk wat betreft beperkt verzekeren kost veel tijd, maar daarna heb je duidelijkheid om verder op voort te bouwen en dat scheelt vaak veel geld.
- Gebruik je netwerk. De Nederlandse Registrars Groep heeft veel kennis over bruikleenverkeer en verzekeringen.
Zie ook
Hoort bij deze thema's Begrippenverzekeringen, collectiemobiliteit en bruikleenverkeer
Specialist(en)Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 30 apr 2026 om 02:10.