Zware montagebouw
Introductie
De opkomst van spanbeton, dat wil zeggen beton met voorgespannen wapening, in de jaren dertig was van grote betekenis voor de bouw. De eerste voorbeelden in Europa ‒ in Frankrijk het systeem van ingenieur E. Freyssinet en in België dat van ingenieur G. Magnel ‒ betroffen vooral civiele werken en utilitaire gebouwen zoals bruggen en vliegtuigloodsen die grote overspanningen vereisen. Overspanningen van vijftig meter waren mogelijk.






De eerste betonconstructies met voorgespannen wapening waren ter plaatse gestort en de in buizen gelegde wapening werd na verharding aangespannen. Door krimp en kruip van het beton kon de voorspanning echter afnemen. Dat probleem speelde veel minder bij geprefabriceerd beton, dat door trillen en schokken beter was verdicht. In Frankrijk werden in de jaren veertig ook voor woningbouw al veel voorgespannen balkjes en platen voor muren, daken en vloeren geproduceerd. Het Belgische systeem werd ook in Nederland toegepast, onder meer voor de loodsen voor de Holland-Amerika Lijn in Rotterdam (Van den Broek en Bakema en J. Brinkman, 1949). ‘Spanbeton is het materiaal van de toekomst. Het is technisch beter en dikwijls goedkoper dan gewoon gewapend beton’, schreef Magnel in 1949.
Geprefabriceerde betonconstructies
In de jaren vijftig kwam het gebruik van prefab hardbetonnen constructie-elementen in een stroomversnelling. In eerste instantie vooral voor utilitaire bouwwerken, zoals fabriekshallen, garages, beursgebouwen, laboratoria en hangars. De kwaliteit van geprefabriceerd beton nam sterk toe door betere verdichtingstechnieken en bij kolommen en heipalen via een centrifugeerproces. In combinatie met verharding in stoomketels leverde dat een zeer hoge betonkwaliteit op.
Voor het betonskelet kwam een scala aan bouwelementen, spanten, gordingen, balken en raam- en vakwerkliggers op de markt, die in gebouwen uit die periode vaak nog zichtbaar aanwezig zijn. Ze werden bijvoorbeeld geleverd door de firma Schokbeton, met vestigingen in Zwijndrecht, Kampen en Elburg, of door andere bedrijven zoals Basto Betonfabriek in Oudenbosch, Trilbetonfabriek De Binckhorst in Den Haag, Betonindustrie v/h Alb. van Bodegom & Co in Spijkenisse, Betonindustrie Kemper IJsselmonde in Rotterdam en de Nederlandse Spanbeton Maatschappij in Alphen aan den Rijn. Het werd mogelijk om ook voor kantoor- en woongebouwen betonskeletten volledig te construeren met prefab elementen. Toch bleef in de praktijk het betonskelet tot zeker in de jaren negentig een mix van prefab en in het werk gestorte elementen.
Een karakteristiek voorbeeld van seriematige betonbouw waren de ruim negenhonderd prefab montageschuren voor de Noordoostpolder, tussen 1949 en 1958 geproduceerd door Schokbeton. In 1947 was de vestiging van dit bedrijf in Kampen de grootste betonfabriek in Europa. De gemiddelde bouwkosten stegen tussen 1949 en 1958 met 47%, terwijl de prijs van de montageschuren in die tijd met 15%toenam. Schokbeton leverde medio jaren vijftig ook de prefab raatbouwelementen voor de bouw van 138 betonnen luchtwachttorens waarvan er nog enkele staan, onder meer bij Ens en Oudemirdum.
Kenmerkend voor betonnen montagebouw in die periode zijn de garages en loodsen die zijn opgebouwd uit prefab portaalspanten met gebogen dakregels, kniespanten, twee- en driescharnierspant-constructies en gekoppelde portaalspanten voor meerbeukige hallen. Een voorbeeld hiervan is het fabriekscomplex de Metaalsmelterij H.J. van der Rijn in Naarden uit 1956, dat grotendeels is gebouwd met schokbeton portaalspanten.
Zwaardere montagebouw
Ook in zwaardere constructies voor fabrieksgebouwen, energiecentrales en beursgebouwen werden steeds meer prefab elementen toegepast, in combinatie met ter plaatste gestort beton. Zo ook voor de Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs in Utrecht. Een van de expositiehallen, vermoedelijk de Julianahal uit 1956, had een oppervlak van 96 x 48 m. De verdiepingsvloer moest vrachtwagens kunnen dragen en bestond uit een systeem van balken die in twee richtingen waren voorgespannen volgens het systeem van Freyssinet. De hoofdliggers van 48 meter waren doorgespannen over vier delen van twaalf meter en rustten met stalen rolopleggingen op in het werk gegoten kolommen. De dwarsliggers waren met voorspanning stijf verbonden aan de hoofdliggers. Het kantoorgebouw van de Dienst der Publieke Werken in Amsterdam (Het Wibauthuis, N. Gawronski, 1963, afgebroken in 2007) is geconstrueerd als prefab stapelconstructie. Het telde tien verdiepingen en was 90 meter lang en 16 meter breed. Het skelet was uitgevoerd in montagegebouw met schokbetonnen kolommen, balken en vloerplaten. De kolommen waren met balken twee aan twee gekoppeld tot semi-portalen, en tussen de balken lagen geprefabriceerde vloerplaten die door aanstortingen onderling waren verbonden. De stabiliteit in de lengte- en dwarsrichting was verkregen door koppeling van de vloerplaten aan de stijve kernen van de nood-trappenhuizen en de toiletgroepen.
Bij zware montagebouw kon in die periode het skelet van verdiepingsgebouwen ook worden geconstrueerd met doorlopende kolommen zonder afzonderlijke vloerbalken. Een voorbeeld daarvan is het kruiskolom-systeem voor kantoorflats. De kolommen met lengten tot 14 meter (vier verdiepingen van 3,5 meter) hadden consoles die de balkenroosters of cassettenvloerplaten (met uitstekende wapening) konden dragen. Zo kon relatief snel een prefab skelet op basis van de 1,8 meter moduulmaat worden neergezet. In de jaren zestig werden zware montagebouwconstructies ook geleverd door bedrijven als Betonbouw in Best en Oosthoek & Zoon in Alphen aan de Rijn.
In de jaren zeventig en tachtig groeide het aanbod aan typen liggers en elementen gestaag door. Zo zien we i-, lambda-, omega-, pi- en tau-liggers van de firma Beton-Son in Son; TT-platen, kolommen, I-profiel liggers en platen voor kantoorgebouwen van HBI, Haitsma Bouwindustrie in Harlingen, voor woning- en utiliteitsbouw van HIBE, Hollandse industrie voor de betonelementen in Utrecht en Hoogkerk en voor zware skeletbouw I-, IV-, T- en TT-balken door Hurks Konstruktie- en trilbeton in Eindhoven.
Literatuur
- J.J.B.J.J. Bouvy, ‘Voorgespannen Beton. Een nieuw bouwmateriaal, een nieuwe bouwconstructie’, Bouw 1 (1946), p. 645-560.
- Betondak, Betonartikelen, Gorinchem s.a. [ca. 1960], p. 31.
- P.J. Verschuyl en O. Jelsma, Catalogus voor de Bouwwereld 1960, ‘s-Gravenhage 1960.
- J.J.B.J.J. Bouvry, Th.A. Feijen en J.W. Hofman, Compendium van het voorgespannen beton, Amsterdam 1978.
- A.J. Geurts, Boerderijen in de Noordoostpolder. Bouwhistorie en vormgeving 1942-1962, Lelystad 2003.
- S. van Lochem, Luchtwachttorens uit de koude oorlog, Rotterdam 2022.
Rijksmonumenten bij dit artikel
Dit artikel maakt deel uit van Moderne bouwmaterialen.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie Bouwmaterialen 1940 - 1990 Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010) voor meer informatie over dit boek.
Zie ook
Artikelen- Bouwsystemen
- Betontechnologie
- Beton - Gietbouw (bestaat nog niet)
- Beton
- Beton - schade
- Beton - inspectie
- Beton - gevelbekleding
- Beton - onderhoud en herstel
- Beton - herstel en uitvoering
Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 apr 2025 om 11:50.