Uiterwaarden Gelderse IJssel Zutphen - Deventer

< Aardkundig erfgoed - inleiding
Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 9 apr 2024 om 03:03
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)


Overzicht aardkundig erfgoedKaart: Aardkundig Erfgoed

Samenvatting

De uiterwaarden van de Gelderse IJssel tussen Zutphen en Deventer kennen een bijzonder fraai ontwikkeld kronkelwaardreliëf. Dit reliëf is ontstaan doordat de rivierbocht zich steeds verder naar buiten verplaatste, waarbij parallel lopende kromme ruggen achterbleven in de binnenbocht. Het kronkelwaardreliëf is vooral tijdens de Middeleeuwen ontstaan, toen de IJssel relatief veel afvoer had. De mooiste voorbeelden van dit reliëf zijn te vinden bij de Rammelwaard, de Ravenswaarden en de Wilpsche Klei.

De Gelderse IJssel is pas vanaf de vroege middeleeuwen ontstaan. De rivier brak hier destijds door een dekzandrug, waarbij de IJssel als noordelijke Rijntak ontstond. Dit verklaart het gegeven dat de riviervlakte hier wat lager ligt dan de omgeving, dit in tegenstelling tot andere delen van de IJssel.

Aardkundig fenomeen (primair)[bewerken]

kronkelwaardreliëf

Overige aardkundige fenomenen

oeverwal

Periode(s)[bewerken]

  • Laat Pleistoceen
  • Holoceen - Vroege Middeleeuwen
  • Holoceen - Late Middeleeuwen

Gevormd door[bewerken]

rivieren

Kenmerkendheid[bewerken]

  • Een van de mooiste voorbeelden van intact kronkelwaardreliëf van Nederland.
  • Op deze locatie lag een waterscheiding gevormd door dekzandruggen voor het ontstaan van de Gelderse IJssel.
AHN Ravenswaarden
Afb. 1. AHN hoogtebeeld van de Ravenswaarden aan de Gelderse IJssel, met een duidelijk kronkelwaardreliëf en een steilrand in het aangrenzende dekzand. Een deel van de kronkelwaarden is afgegraven. (klik voor een vergroting)

Ontstaansgeschiedenis

Waterscheiding in de laatste ijstijd

De huidige Gelderse IJssel is pas ontstaan in de Vroege Middeleeuwen, maar tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien, 110.000-11.700 jaar geleden) liep hier al een andere rivier. Tijdens de eerste helft van de laatste ijstijd stroomde namelijk de volledige afvoer van de Rijn door het IJsseldal, richting het huidige IJsselmeer. Door een afwisselend toendra en poolklimaat was er weinig vegetatie, wat tot een erg brede vlechtende riviervlakte leidde van ongeveer 15 km breed. In verschillende fasen ontstond een riviertak in de Betuwe, die uiteindelijk de grootste loop werd. Vanaf ongeveer 50.000 jaar geleden werd het gebied slechts door lokale rivieren en dekzand gevormd. Toen de Rijn weg was vanaf ongeveer 50.000 jaar geleden, waterden lokale beekjes zoals de Berkel af in het IJsseldal die afspoelingswaaiers vormden (zie dekzandrug Harfsen en Klein Dochteren). Samen met de afzetting van dekzand zorgde dit voor een ophoging van het gebied tussen Zutphen en Deventer, waardoor hier een waterscheiding gevormd werd. De dekzandkopjes komen voornamelijk uit het Laat-Glaciaal (14.700 – 11.700 jaar geleden) en bepalen het Pleistoceen reliëf van nu. Een dekzandrug die dwars over het dal werd afgezet is nog duidelijk zichtbaar ten westen van de Gelderse IJssel (zie Dekzandrug Klarenbeek). Zuidelijk van de waterscheiding stroomde de Berkel richting het zuidwesten als kleine zijrivier van de Rijn (zie Uiterwaarden Gelderse IJssel Doesburg - Zutphen), en noordelijk stroomden de Sallandse beken.

Doorbraak en insnijding Gelderse IJssel in de Middeleeuwen

Vanaf 550 na Chr. ontstond de Gelderse IJssel geleidelijk aan. Eerst brak de dekzandrug tussen Zutphen en Deventer die de waterscheiding vormde, waarna de Gelderse IJssel zich vormde als ondiep meergeulig systeem van 2 km breed. Subtiele hoogteverschillen van dit doorbraak crevassesysteem zijn buitendijks in het landschap te herkennen, bijvoorbeeld in de Voortser Klei, de Ravenswaarden (afb. 1) en de Wilpsche klei. Vanaf de doorbraak van de waterscheiding heeft de Gelderse IJssel zich in het Pleistocene dekzand ingesneden. De oostkant van de Ravenswaarden bij Gorssel wordt daardoor gekenmerkt door een steilrand met een hoogteverschil van maximaal 5 meter (afb.1), deze is ontstaan na versnijding van de Gelderse IJssel in een dekzandkop.

Middeleeuws kronkelwaardreliëf

Het heeft enkele eeuwen geduurd voordat de Gelderse IJssel zich had ontwikkeld tot één meanderende geul (rond de 9de – 10de eeuw) en oeverwallen konden worden afgezet. Tijdens de Late Middeleeuwen was de afvoer van de Gelderse IJssel relatief groot en bouwden grote meanderbochten langs de rivier actief uit. Hierbij werden de buitenbochten geërodeerd, en in de binnenbochten vond juist sedimentatie plaats. In de binnenbocht ontstonden er kronkelwaarden: afwisselende maanvormige ruggen en depressies. Hiervan zijn enkelen bijzonder goed bewaard gebleven in het buitendijks gebied, zoals bij de Rammelwaard, de Ravenswaarden (afb. 1) en de Wilpsche Klei. Daarnaast is ook op veel andere plekken in de uiterwaarden van de Gelderse IJssel een kronkelwaardreliëf zichtbaar waar de rivier zich heeft uitgebouwd. Na de 15de eeuw nam de afvoer van de Gelderse IJssel weer af en was de kronkelwaardvorming zo goed als voltooid. In de laagten van de oude beddingen zijn moerassen ontwikkeld. Het kronkelwaardreliëf is goed zichtbaar in het landschap door relatief groot reliëfverschil op korte afstand, dat 2 – 3 meter kan bedragen.

De winterdijk langs de Gelderse IJssel vertoont enkele ronde kolkgaten (wielen) die zijn ontstaan door dijkdoorbraken. Deze zijn vooral bij de wintersdijk tussen Voorst en Wilp te vinden, zoals de lazaruskolken, kolk ’t Schol, kolk bij Oude Poll en Dijkwelsche Kolk. Achter de dijk kon een overslagdek worden afgezet. De dijk volgt een bochtig patroon als gevolg van meerdere reparaties. De Douwelerkolk in Deventer is mogelijk ontstaan als gevolg van een dijkdoorbraak, of als dode rivierarm van de Gelderse IJssel.

Huidige aardkundige processen

Binnendijks treden geen aardkundige processen op. In de uiterwaarden wordt bij hoogwater klei afgezet. Oeverwalvorming en geulverleggingen treden niet meer op.

Bodems en waterhuishouding

Kalkhoudende ooivaaggronden en kalkhoudende poldervaaggronden zijn over het grootste oppervlak van de rivierafzettingen aanwezig. In de hogere zandige delen, zoals dekzandkoppen, meanderruggen en oeverwallen, zijn vorstvaaggronden ontwikkeld. Oeverwallen hebben zich erg zandig ontwikkeld door de aanwezigheid van veel zand in de ondergrond dat is omgewerkt door de Gelderse IJssel. In de lage terreingedeelten is sprake van regionale kalkrijke kwel vanuit de Achterhoek.

Relatie met archeologie en cultuurhistorie

  • Zutphen en Deventer zijn gevestigd op dekzandkoppen en bestonden al in de 9de eeuw. Zij konden zich ontwikkelen als handelsnederzettingen langs de Gelderse IJssel als belangrijke transportroute en werden lid van de Hanze.
  • De strijd tegen het water is duidelijk te zien aan de aanleg van de bedijking rond 1308 na Chr. en meerdere kolken.
  • Verschillende boerderijen in de uiterwaarden zijn gebouwd op terpen, vaak gelegen op de van nature hoger gelegen posities zoals meanderruggen.
  • In sommige kronkelwaarden is klei uit de geulen uitgegraven, wat leidde tot een versterking van de natuurlijke reliëfverschillen (bijvoorbeeld in de Ravenswaarden). In andere uiterwaarden is de gehele bovenlaag uitgegraven (bijvoorbeeld in de Stads- of Bolwerksweiden).

Verder lezen

Overlap met eerder genoemd aardkundig erfgoed

GEA-object: 33O2 Wilpsche Klei, 33O3 Ravenswaarden, 33O4 Rammelwaard. Van Beusekom (2007): GL 14 Wilpse Uiterwaard, GL 22 Ravenswaarden.

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

[bewerken]

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 9 apr 2024 om 03:03.