Archeologie en resten van dieren: verschil tussen versies

k
k (Tekst vervangen - "|Elementtype=Kennisitem" door "|Elementtype=Artikel")
Regel 1: Regel 1:
 
{{#element:
 
{{#element:
 
|Paginanaam=Archeologie en resten van dieren
 
|Paginanaam=Archeologie en resten van dieren
|Elementtype=Kennisitem
+
|Elementtype=Artikel
 
|Voorkeurslabel=Archeologie en resten van dieren
 
|Voorkeurslabel=Archeologie en resten van dieren
 
|Kennisitemtype=Overig
 
|Kennisitemtype=Overig

Versie van 25 jan 2021 om 13:46

Introductie

Resten van dieren uit archeologische opgravingen maken een reconstructie mogelijk van de natuurlijke omgeving van de mens in het verleden en van het gebruik dat mensen maakten van dieren en dierlijke producten. Daarmee scheppen ze tevens een beeld van die mens zelf. Dit kennisitem beschrijft hoe er bij opgravingen en het daarop volgende onderzoek rekening gehouden kan worden met deze belangrijke informatiebron over het verleden.

Een bruin skelet van een varken ligt in het zand.
Het skelet van een dertiende-eeuws varken in een opgraving.
Een pot ligt op zijn zij en er zijn kleine bruine lijsterborstjes uitgevallen.
Pot met de resten van dertig ingemaakte lijsterborstjes uit Romeins Nijmegen.
Een zwart bord met daarop zand en wat lijken op botjes.
Bord met de resten van een maaltijd voor een dode uit een Romeins graf.
Een bergje botten met daarnaast een briefje waarop de vondstomstandigheden staan beschreven.
Dierlijk bot, gevonden tijdens een opgraving.
Een bijl gemaakt van een gewei, op een gele ondergrond. In het midden zit een vierkant gat.
Bijl gemaakt van het gewei van een eland uit de brons- of ijzertijd, waarschijnlijk gebruikt om de bodemNULL mee te bewerken.
Twee taartdiagrammen, van nu en de Romeinse tijd. Verdeeld in rund, schaap/geit, varken, en kip.
Het belang van verschillende diersoorten voor de vleesconsumptie in Romeins Nijmegen, gereconstrueerd uit het bij opgravingen gevonden bot, vergeleken met de huidige consumptie in Nederland.
Vier goudkleurige kammen op een donkerrode ondergrond.
Tiende-eeuwse kammen van gewei uit de ringwalburg van Oost-Souburg.
Bruine haringresten op een witte ondergrond.
Resten van gekaakte haring uit het zestiende-eeuwse ‘Colfschip’ uit Biddinghuizen.
Een microscoopfoto van roofmijt.
Roofmijt, indicatief voor mest (foto Jaap Schelvis, Scarab).
Een la met botten afscheiden door plastic wandjes.
Vergelijkingscollectie van recente dieren: hier een la vol scheenbeenderen van zoogdieren (links) en een vol botten van verschillende vissen (rechts).
Op een opgraaflocatie liggen botten in de grond die van de benen van een hert lijken te zijn.
Skelet van een edelhert. Een van de terrein-offers die een vierde-eeuwse ijzerproductie-nederzetting in Raalte markeerden
Een schaapskudde.
Schapen worden gehouden voor de mest, de wol en – na de slacht – voor de vacht en het vlees
Een schilderij met potten en schalen met daarin onder andere vis en bonen.
Gereconstrueerde impressie van de vijftiende-eeuwse keuken van het huis In den Struys uit Veere, met onder andere haring en kabeljauw. Bij het archeozoölogische onderzoek van de beerput zijn daarvan resten teruggevonden
Een schilderij van een man die een varken slaat met een moker.
Mens en dier: de slacht van een varken

Bot en dierenresten op archeologische vindplaatsen

Bot en andere resten van dieren, zoals ivoor, gewei, leer, schelpen, schubben van vissen en skeletdelen van insecten, komen voor in vrijwel alle archeologische vindplaatsen. De mens viste, maakte jacht op zoogdieren en vogels, verzamelde schelp- en schaaldieren, fokte vee om zich te voorzien van melk en vlees of om trekdieren te kweken voor de ploeg, hield huisdieren als rijdier, waakhond of gezelschapsdier enzovoort. En dan was er nog het ‘ongedierte’, zoals ratten, muizen en luizen, die ongewenst de menselijke woonplekken opzochten. Van al deze verschillende diersoorten met hun verschillende nut of onnut voor de mens worden resten teruggevonden.

Skeletten

In uitzonderlijke gevallen worden dierenresten in de vorm van skeletten teruggevonden op archeologische vindplaatsen. Dat gaat dan vaak om dieren die niet gegeten werden, zoals ongedierte, of omdat ze te zeer als kameraad beschouwd werden om ze te willen eten, zoals in verschillende perioden paarden, honden en katten. Soms waren het zieke dieren die men niet meer wilde eten of dieren die bewust als offer begraven werden.

Slachtafval en voedselbereiding

Het merendeel van het dierlijke bot dat voorkomt op archeologische vindplaatsen wordt gevormd door slachtafval en de resten van voedselbereiding en maaltijden. Dit regelmatig door de slachtbijl gefragmenteerde bot met hak-, snij- en zaagsporen komt overal in bewoningslagen voor, vaak ook geconcentreerd in afvallagen, beerputten of in onbruik geraakte greppelsSmalle en ondiepe uitgraving of sleuf in het land, waarlangs overtollig hemelwater wordt afgevoerd naar de sloten. en waterputten.

Andere vindplaatsen van dierlijk bot

Behalve in de vorm van skeletten en als slachtafval of maaltijdresten, kan dierlijk bot ook in een menselijk graf of in een crematie worden aangetroffen als bijgift of als restant van een dodenmaaltijd. Daarnaast vinden we bot, gewei, ivoor en leer als weerslag van het gebruik ervan als grondstof: resten van gebruiksvoorwerpen, halffabricaten of afval van fabricage.

Archeologie en resten van dieren

Het onderzoek naar bot en andere resten van dieren die in archeologische context gevonden worden, noemt men archeozoölogie of zoöarcheologie. De archeozoöloog onderzoekt deze dierlijke resten om inzicht te verwerven in de ontwikkelingIets dat gebeurt in de wereld of binnen de organisatie dat vraagt om verandering.", "Ontwikkeling is het veranderen van het gebruik van een gebouw of van een gebied, door bijvoorbeeld bebouwing, civiele werken of mijnbouw.") van de dierenwereld in het verleden, maar vooral om een beeld te krijgen van het gebruik van dieren door de mens. Dergelijk onderzoek is deels gericht op het economische gebruik van dieren, maar ook de rituele of mentale betekenis van dieren is een belangrijk onderwerp. Daarnaast komen onderwerpen aan de orde als de natuurlijke omgeving van de mens en hoe de mens die – vaak seizoensmatig – exploiteerde. Om dit soort onderzoek mogelijk te maken, is het belangrijk dat het dierlijke materiaal tijdens opgravingen zorgvuldig verzameld wordt en op een effectieve wijze wordt bestudeerd, zodat we de vragen die we over het menselijke handelen in het verleden hebben ook daadwerkelijk kunnen beantwoorden.

Voor de archeoloog vormen bot en andere dierlijke resten een belangrijke bron van informatie om het verleden te reconstrueren. De meeste waarnemingen aan het bot worden met het blote oog gedaan. Naast deze ‘macroscopische’ informatie kan er ook via de microscoop en via chemisch onderzoek informatie worden verkregen.

Op basis van deze gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. en de daarop gebaseerde informatie over dieren worden op een hoger niveau conclusies getrokken over de mens in het verleden: het milieu waarin hij leefde, migratiepatronen, seizoensbewoning of -activiteiten, de voedseleconomie, handel en uitwisseling, sociale differentiatie, rituele gebruiken, ideeën over een hiernamaals et cetera.

Macroscopische informatie

Bij archeologisch onderzoek op macroscopisch niveau gaat het om informatie over het verleden op grond van primaire gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. die met het blote oog aan bot zijn waar te nemen. Deze primaire gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. vallen in zes groepen uiteen, waarbij de betrouwbaarheid van de interpretaties mede wordt bepaald door het onderzochte aantal stukken bot en de fysieke kwaliteit.

Diersoort

De determinatie van botten op diersoort (bijvoorbeeld varken, beer, zalm) geeft een beeld van het jachtwild en de huisdieren waarover de mens beschikte, en – gekwantificeerd – over de samenstelling van de jachtbuit, de veestapel of het menu. Zo’n overzicht van diersoorten biedt ook een impressie van het klimaatDe atmosferische variaties op een specifieke geografische locatie op langere termijn. Gebruik 'weer' voor de atmosferische toestand op korte termijn. (AAT-ned)", "De omgeving van een gebied bestaat uit de natuurlijke en door de mens aangelegde kenmerken in het gebied", "Het milieu in een gebouw is de atmosfeer die erin heerst.", "Het milieu rond een voorwerp of een collectie is de atmosfeer waarin ze zich bevinden.") en het landschap. Zo geven vogels en zoogdieren een indruk van het milieu dat men exploiteerde (bijvoorbeeld bos, hei, grasland, moeras), en vissoorten of men in zoet, zout of brak water viste. In de tijd laten de aangetroffen diersoorten zien wanneer bepaalde soorten gedomesticeerd werden, beesten uitgestorven raakten of juist op eigen kracht of door inmenging van de mens in onze streken werden geïntroduceerd. Voorbeelden van dit laatste zijn de introductie van de kat en de kip in de Romeinse tijd en het konijn in de middeleeuwen. Bovendien kan een soortenlijst waar wild op voorkomt wat zeggen over bijvoorbeeld de adellijke status van bewoners van een terrein en vertelt het voorkomen van ongedierte over de hygiëne in het verleden.

Skeletelement

Het type skeletelement van dieren en welk deel daarvan gevonden is, bijvoorbeeld een fragment van een rib, geeft informatie over consumptiepatronen van mensen. Uit het spectrum van skeletelementen kan zo geconcludeerd worden of er op de ene plek geslacht is en op een andere geconsumeerd, dat door de ene groep uit een nederzetting betere delen van dieren werden geconsumeerd dan door een andere groep, of dat het verkrijgen van leer en bont van sommige dieren van belang was. Zo zijn werkplaatsen waar het leer van bijvoorbeeld schapen en runderen gelooid werd, archeologisch vaak goed te herkennen aan de grote hoeveelheden botten van de handen en voeten van deze dieren. De huiden werden namelijk met deze skeletdelen er nog aan verhandeld.

Modificatie en pathologie

Sporen van modificaties aan botten en andere resten van dieren, zoals breukpatronen, snij-, hak- en zaagsporen, verbranding of crematie, kleurKleur is de gewaarwording van licht die verschilt van wit licht zoals dat wordt uitgezonden door een natuurlijke lichtbron. Het gekleurde licht kan van een lamp komen of gereflecteerd door een voorwerp. Kleur kan worden gemeten in een aantal systemen, zoals CIE, Munsell, Natural Colour System, die alle een verschillende methode hebben om een kleur aan te duiden.Een kleur is de sensatie die veroorzaakt wordt door licht van een bepaalde golflengte. Geel en groen bijvoorbeeld zijn verschillende kleuren. Het Munsell kleursysteem en dergelijke systemen hebben dit als uitgangspunt. (Conservation Dictionary), verweringDe verwering van een voorwerp of een gebouw is de schade die wordt veroorzaakt door blootstelling aan het weer, waardoor het oppervlak erodeert en vergaat. en knaagsporen, leveren vooral informatie op over de manier waarop er na hun dood gebruik van dieren werd gemaakt. Denk hierbij aan de manier van slachten, het villen, het bewerken van been en gewei tot voorwerpen, de wijze van voedselbereiding (bijvoorbeeld roosteren, roken, braden) en de manier waarop afval werd afgedankt. Ook is te zien dat bot al dan niet aan het oppervlak heeft gelegen, en of er sprake is van verbranding, crematie, of van ziekte. Pathologieën zoals woekeringen of slijtage van het bot geven vaak inzicht in hoe dieren tijdens hun leven werden gebruikt. Zo duiden bepaalde woekeringen op overbelasting van trek- of lastdieren. Sporen van slijtage, verweringDe verwering van een voorwerp of een gebouw is de schade die wordt veroorzaakt door blootstelling aan het weer, waardoor het oppervlak erodeert en vergaat. en kleurKleur is de gewaarwording van licht die verschilt van wit licht zoals dat wordt uitgezonden door een natuurlijke lichtbron. Het gekleurde licht kan van een lamp komen of gereflecteerd door een voorwerp. Kleur kan worden gemeten in een aantal systemen, zoals CIE, Munsell, Natural Colour System, die alle een verschillende methode hebben om een kleur aan te duiden.Een kleur is de sensatie die veroorzaakt wordt door licht van een bepaalde golflengte. Geel en groen bijvoorbeeld zijn verschillende kleuren. Het Munsell kleursysteem en dergelijke systemen hebben dit als uitgangspunt. (Conservation Dictionary) spelen ook een belangrijke rol bij het verkrijgen van inzicht in de conservering van het bot.

Leeftijd en geslacht

Botmateriaal bevat vaak anatomische indicatoren voor leeftijd en geslacht, bijvoorbeeld vergroeiing van gewrichtsuiteinden, doorbraak en slijtage van tanden en kiezen, groeilijnen, robuustheid van hoektanden en de vorm van de aanhechtingsplaats van spieren. Voor archeozoölogen geven deze gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. inzicht in de samenstelling van de veestapel en met name ook in het gebruik van de landbouwhuisdieren. Zo wordt bij runderen uit deze gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. geconcludeerd of ze gebruikt werden als trekdier of voor productieProductie is het toevoegen van waarde, gebruikswaarde en of emotionele waarde, door het veranderen of bewust niet veranderen van de fysieke toestand van producten om daarmee voor de mens de gewenste eigenschappen (of perceptie van die eigenschappen) te verkrijgen of te behouden. Wanneer in de productie de fysieke toestand, verschijningsvorm, van een product wordt veranderd verkrijgt het product ook andere eigenschappen. Er is een directe relatie tussen toestand en eigenschappen van een product. Het begrip productiviteit is afgeleid van dit begrip productie. van melk en mest of juist primair voor de vleesproductie. Bij wild kan het bijvoorbeeld inzichtelijk maken of de mens bij de jacht voorkeur had voor mannetjes of vrouwtjes of voor bepaalde leeftijdsklassen.

Grootte

Bij archeozoölogisch onderzoek worden matenAfmetingen of groottekenmerken die door meting worden vastgesteld: een magnitude, hoeveelheid of omvang die wordt berekend door toepassing van een instrument of ander hulpmiddel met een notatie in standaardeenheden. (AAT-Ned) gebruikt om onderscheid te maken tussen wilde en gedomesticeerde vormen, tussen mannetjes en vrouwtjes, maar vooral ook om verschillen aan te geven tussen verschillende groepen of ‘foklijnen’. De grootte van bot geeft bovendien een indruk van de gezondheid van een dier en in hoeverre er voldoende voedsel beschikbaar was.

Gewicht

Het gewicht van het bot van dieren wordt bij archeozoölogisch onderzoek vooral gebruikt om het relatieve belang van verschillende diersoorten voor de vleesvoorziening aan te kunnen geven.

Microscopische en chemische informatie

Over het algemeen kan er bij archeologisch onderzoek via de microscoop op drie gebieden informatie van dierlijke resten worden verkregen. Chemisch onderzoek kan weer andere gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. opleveren.

Diersoort

Voor een deel van het archeozoölogisch onderzoek wordt de microscoop gebruikt. Op de eerste plaats is dat onderzoek naar heel kleine dieren, zoals mijten, luizen en andere insecten. Deze leveren vooral informatie over het lokale milieu. Zo kunnen resten van bepaalde mijten uit grondmonsters van de plek waar vroeger de stal van een boerderij heeft gestaan aantonen dat daar bijvoorbeeld schapen werden gehouden. Wanneer bot van zoogdieren heel erg gefragmenteerd is, zoals bij menselijke crematies, kan bestudering van het botweefsel, ofwel histologie, soms uitsluitsel geven of er behalve menselijk bot ook resten van dieren aanwezig zijn. Op deze manier kan worden vastgesteld of bij het begrafenisritueel het meegeven van dierlijke bijgiften een rol speelde.

Gebruikssporen

Bij gebruikssporenanalyse worden veranderingen aan het oppervlak bestudeerd. Op grond van kenmerkende groepen kleine krasjes aan het oppervlak van voorwerpen gemaakt van bot, gewei of ivoor kunnen conclusies worden getrokken over hun gebruik, bijvoorbeeld voor het schoonschrapen van huiden. Omdat voedsel ook krasjes achterlaat op tanden, kan soms ook worden vastgesteld of bijvoorbeeld varkens in stallen werden gehouden en gevoerd of dat ze in het bos werden gehouden en veel ruwer voedsel aten.

Leeftijd en seizoen

BinnenHet binnenmilieu is wat men binnen in een gebouw ervaart. archeozoölogisch onderzoek wordt de microscoop ook gebruikt om bijvoorbeeld aan de hand van de tekening van het oppervlak of de doorsnede van tanden informatie te krijgen over de leeftijd van de dieren of over het seizoen dat er geslacht werd. Dergelijke informatie geeft inzicht in de opbouw van de veestapel en in de strategie bij de voedselproductie.

Chemische samenstelling

In bot en ander dierlijk weefsel zitten biomoleculen als DNA en eiwitten. Deze weefsels bevatten informatie over erfelijke eigenschappen en zijn – als ze bewaard zijn gebleven – daardoor te gebruiken om onder andere verwantschappen vast te stellen. Dit levert informatie over domesticatie, fok, migratie en import van dieren. Dit type onderzoek wordt steeds meer toegepast. Hetzelfde geldt voor onderzoek aan stabiele isotopenIsotopen zijn atomen van een zelfde chemisch element, met hetzelfde atoomnummer, maar met een verschillend massagetal. Ze hebben dus hetzelfde aantal protonen, maar een verschillend aantal neutronen in hun kernen. Hun chemische eigenschappen zijn dezelfde, hun fysische zijn verschillend. Het aantal neutronen bepaalt onder meer de stabiliteit van de kern en, samen met het aantal protonen, de atoommassa. Door het radioactief verval ontstaan uit radio-isotopen (niet stabiele isotopen) uiteindelijk stabiele isotopen, zoals strontium, zuurstof, koolstof en stikstof, en sporenelementen. De samenstelling hiervan wordt voor een deel bepaald door het voedsel dat door dieren gegeten werd. Daardoor kan uit de analyseAnalyse is het onderzoek van een voorwerp met instrumentele en analytisch-chemische methoden. Men doet dit om bijvoorbeeld de samenstellende materialen te identificeren of de vervaardigingswijze te achterhalen. van de isotopen en sporenelementen worden afgeleid in welke omgeving dieren vroeger leefden, maar ook of ze via handel van elders werden aangevoerd.

Opgraving

Om de informatie over het verleden die in dierlijk bot en ander weefsel aanwezig is ook daadwerkelijk te kunnen benutten, moeten eisen gesteld worden aan de opgraving. Het studiemateriaal (bot en andere dierlijke resten) moet adequaat worden verzameld. Dat betekent dat zowel de manier van verzamelen als de hoeveelheid materiaal die wordt geborgen aansluit bij de vragen die men wil beantwoorden.

Zeven en zalmen

Als we met archeozoölogisch onderzoek een antwoord willen vinden op een simpele vraag als ‘Wat at men?’ kunnen we bij een opgraving niet volstaan met handmatig verzamelen van dierlijke resten. De meeste resten van vissen, vogels en kleinere zoogdieren die als slacht-, keuken- of maaltijdafval nog in de bodemNULL aanwezig zijn, zullen over het hoofd worden gezien. ResultaatEen concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resul taat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.", "Een concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resultaat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.") is dat de verzamelde resten bepaald geen afspiegeling vormen van wat er aan informatie in de bodemNULL aanwezig was. Gebruiken we die resten om het voedingspatroon uit het verleden te reconstrueren, dan geeft dat een zeer vertekend beeld: een haring, zalm of paling zul je niet vinden. Voor de beantwoording van dit soort vragen moet een deel van de grond waarin dierlijke resten worden vermoed gezeefd worden. Voor de meeste vragen volstaan zeven met een maaswijdte van twee millimeterEen millimeter (0,001 meter), symbool mm, is een uit het SI-stelsel afgeleide lengtemaat met de grootte van een duizendste deel van een meter. milli is afgeleid van het Latijnse woord voor duizend., maar wil men ook de resten van bijvoorbeeld haring en spiering goed verzamelen, dan is een kleinere maaswijdte nodig.

Bijna altijd wordt water gebruikt om de grond over de zeven te spoelen. Het is daarna van belang dat het botmateriaal langzaam aan de lucht droogt. Doet men dat niet en zet men het bijvoorbeeld in de zon, dan is de kans groot dat het bot of gewei schilfert, barst1. Een barst is een breuk in een vaste stof. Barsten kunnen een netpatroon vormen en ze kunnen worden veroorzaakt door interne spanningen en uitwendige krachten. 2. Een barst is een scheur of een spleet in het originele materiaal van een voorwerp, zoals in een bouwsteen. 3. Een barst is een breuk in een stuk ceramiek die in een intact gedeelte ontspringt en geleidelijk breder wordt. en uit elkaar valt. Hierdoor kan veel informatie verloren gaanEen voorwerp is verloren gegaan als het helemaal vernield is of onreglementair uit een collectie is weggenomen.. Zo kunnen door het schilferen van het bot aanvankelijk zichtbare snijsporen verloren gaanEen voorwerp is verloren gegaan als het helemaal vernield is of onreglementair uit een collectie is weggenomen., waardoor aanwijzingen over bijvoorbeeld het villen van dieren verdwijnen.

Soms wordt het residu van de zeef in het veld uitgezocht. De stukjes bot, de visresten, maar ook andere vondsten als kralen of spijkers, worden eruit gehaald en de rest wordt weggegooid. Degene die dit uitzoekwerk doet, moet dus goed kunnen herkennen hoe fragmenten van bijvoorbeeld vogelbotten of visschubben er uitzien. Als die kennis op de opgraving niet aanwezig is, kan dit werk beter aan de specialist worden overgelaten.

MonstersEen monster is een stukje van een voorwerp dat eraf is genomen voor onderzoek, analyse of voor het archief. Men moet erop letten dat het monster representatief is voor het materiaal dat men wil onderzoeken. (Conservation Dictionary) en mijten

Om met archeologisch onderzoek een antwoord te vinden op bepaalde vragen, is het noodzakelijk om grondmonsters te nemen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het onderzoek van geleedpotigen, zoals insecten en mijten. Zo worden mosmijten onderzocht als men het landschap rond een nederzetting wil reconstrueren. Andere typen mijten worden gebruikt om mest te onderzoeken1. Het nauwkeurig onderzoeken van een situatie of voorwerp, meestal om de aard of huidige staat ervan vast te stellen (AAT-Ned). 2. Het (voor)onderzoek van een object is het materiële onderzoek dat voor en tijdens een behandeling wordt uitgevoerd om informatie te verkrijgen, voor documentatiedoeleinden en om beslissingen te kunnen nemen. Onderzoek is een studie die wordt ondernomen om nieuwe gegevens en inzichten op een bepaald wetenschapsgebied te verwerven.. Zo kan, zonder een bot te bestuderen, vastgesteld worden welke dieren er in een stal stonden. Het onderzoek van de chitine-skeletjes van deze minder dan één millimeterEen millimeter (0,001 meter), symbool mm, is een uit het SI-stelsel afgeleide lengtemaat met de grootte van een duizendste deel van een meter. milli is afgeleid van het Latijnse woord voor duizend. kleine diertjes komt vooral van pas op plekken waar bot niet bewaard is gebleven, zoals in zure, venige lagenLagen zijn reeksen aaneengevoegde stenen van gelijke dikte op hun plat, horizontaal, soms in hellende stand of op hun kant (rollaag) gelegd. De hoogte van bakstenen metselwerk wordt naar het aantal lagen opgegeven. Een laag waarin alleen de korte zijden van de bakstenen zichtbaar zijn, heet een koppenlaag. die waarin alleen de lange zijden vertonen noemt men een strekkenlaag. (Haslinghuis). MonstersEen monster is een stukje van een voorwerp dat eraf is genomen voor onderzoek, analyse of voor het archief. Men moet erop letten dat het monster representatief is voor het materiaal dat men wil onderzoeken. (Conservation Dictionary) van één liter grond zijn nodig, die de specialist verder zelf in zijn lab behandelt en onderzoekt.

Aantallen en representativiteit

Archeozoölogie is een grotendeels kwantitatieve wetenschap. Om bijvoorbeeld vast te stellen hoe de veestapel er uit zag, moet er vooral veel geteld worden: hoeveel skeletdelen van welke dieren er gevonden zijn, hoeveel skeletdelen volgroeid waren en hoeveel niet, hoe groot de aantallen doorgebroken en nog niet doorgebroken tanden en kiezen zijn enzovoorts. Dergelijke gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. beginnen pas te spreken als er redelijk wat van zijn. Daarbij komt dat binnenHet binnenmilieu is wat men binnen in een gebouw ervaart. een opgraving vaak meerdere perioden zijn te onderscheiden. De verzameling gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. waarmee we aan de slag gaan, moet representatief zijn voor die verschillende perioden. Omgekeerd moet, als er veel verschillende typen grondsporen uit een periode zijn, het materiaal ook die diversiteit representeren. Dit leidt er toe dat er eerder duizenden dan honderden botten en andere resten nodig zijn om archeologische vragen goed te kunnen beantwoorden.

De aard van skeletten vaststellen

Bij archeologisch onderzoek bestaan de meeste dierlijke resten uit gefragmenteerde of door de vleesbijl kapot gehakte stukken bot, visresten, mosselschelpen en dergelijke, die als afval in kuilen en greppelsSmalle en ondiepe uitgraving of sleuf in het land, waarlangs overtollig hemelwater wordt afgevoerd naar de sloten. zijn terechtgekomen. Soms worden er echter ook skeletten of delen van skeletten aangetroffen. Dit kunnen weggegooide dode dieren zijn, maar ook zorgvuldig geofferde en begraven beesten of stukken daarvan. Om de aard van dergelijke vondsten goed te kunnen vaststellen is het van belang dat een archeozoöloog in het veld te hulp schiet. Hij of zij kan dan zelf vaststellen op welke manier het lijk van het dier in de bodemNULL terecht is gekomen: of dit met zorg is gebeurd of niet, of alle onderdelen aanwezig zijn of dat er sommige ontbreken, en als er zaken ontbreken of dit waarschijnlijk opzettelijk is gebeurd of dat de tand des tijds hier debet aan is. Dergelijke expertise in het veld is helemaal van belang als skeletten slecht bewaard zijn en dus moeilijk te herkennen; soms is niet meer dan een silhouet van het begraven dier plus wat stukjes tand overgebleven.

Bedreigingen voor archeologische informatie

Een van de uitgangspunten van de archeologische monumentenzorg in Nederland is behoud in situ. Dat wil zeggen: als het maar even kan archeologische resten in de bodemNULL laten zitten voor later. Dat is een prachtig op toekomstig onderzoek gericht principe, maar er moet wel voor gewaakt worden dat in de tussentijd de archeologische informatie die verpakt in het bot zit niet verloren gaat. Bot zal namelijk, netWordt gebruikt voor voorwerpen die bestaan uit ineengrijpende schikkingen van draden, koorden of touwen die zijn samengedraaid, geknoopt of geweven op regelmatige afstanden. Gebruik de term 'net (textiel)' voor open geweven stof gemaakt van twijn, sterke draad of garen, meestal van zijde, katoen, nylon of rayon, met fijne of grove mazen van vaste afmetingen, die wordt gebruikt om verschillende dingen te maken, van sluiers en garneersel op kleding tot tennisnetten en visnetten. (AAT-Ned) als andere zaken, in de bodemNULL vergaan. Deze degradatieprocessen kunnen van biologische, mechanische en chemische aard zijn. Biologische, mechanische en chemische degradatieprocessen hebben invloed op de beschikbaarheid en kwaliteit van de informatie die in het bot aanwezig is.

Biologische degradatie

Vooral micro-organismen zoals bacteriën en schimmels kunnen bot flink aantasten. Het bot wordt daardoor poreus en kwetsbaar en valt uiteindelijk uit elkaar. Ook wortels van planten kunnen schadeSchade is de ongewenste verandering waardoor een object aan waarde verliest. Schade is vooral het gevolg van materiële veranderingen in het object, maar kan ook veroorzaakt worden door veranderingen in de bewaaromstandigheden of door het verlies van een immateriële eigenschap. aanrichten als ze in het bot dringen en het uit elkaar drukken. De snelheid waarmee deze vormen van degradatie zich afspelen is vooral afhankelijk van het milieu waarin het bot zich bevindt. Zo vindt aantasting door schimmels en planten vooral plaats in een zuurstofrijk milieu. Dit is met name te vinden in goed ontwaterde bodems. Omgekeerd, in een zeer natte omgeving, zoals op veel plaatsenConcentratie van bebouwing. in West-Nederland met een hoge grondwaterspiegel, is biologische aantasting zeer gering.

Mechanische degradatie

Het gevaarEen gevaar is een erkende oorzaak voor mogelijke schade. van degradatie door mechanische oorzaken is groot als bot en andere dierlijke resten vlak aan het oppervlak liggen. Het bot wordt dan makkelijk vertrapt of barst1. Een barst is een breuk in een vaste stof. Barsten kunnen een netpatroon vormen en ze kunnen worden veroorzaakt door interne spanningen en uitwendige krachten. 2. Een barst is een scheur of een spleet in het originele materiaal van een voorwerp, zoals in een bouwsteen. 3. Een barst is een breuk in een stuk ceramiek die in een intact gedeelte ontspringt en geleidelijk breder wordt. door een combinatie van vocht en vorst. Ook bodembewerking, zoals ploegen, en bouwactiviteiten in de buurt, zoals heien, en zetting als gevolg daarvan, kunnen een dergelijk effect hebben.

Chemische degradatie

Bot bestaat uit twee componenten, een organische, elastisch collageen, en een minerale, hard apatiet. De combinatie van deze twee in bot heeft hetzelfde effect als staal en cement in gewapend betonBeton wordt gemaakt door water, een bindmiddel (cement of kalk), zand en grovere toeslagstoffen te mengen. Het mengsel hardt uit tot een amorf materiaal dat in de bouw, maar ook daarbuiten wordt gebruikt.: het geeft elasticiteitRek, elasticiteit, is de eigenschap van een materiaal om naar zijn oorspronkelijke vorm en afmeting terug te keren na vervormd te zijn. en stevigheid. Ook in de bodemNULL zorgt het voor duurzaamheidNULL van het bot. Beide componenten kunnen echter chemisch aangetast raken. Het is vooral de combinatie van een zure bodemNULL en stroming van het grondwater die snelle chemische degradatie veroorzaakt.

Bescherming van archeologische vindplaatsen

Goed doorlatende zure bodems met een grote beschikbaarheid van zuurstof zijn funest voor botmateriaal. Gunstig zijn vooral basische – dus meestal kalkrijke – en slecht doorlatende bodems met weinig of geen zuurstof. Bij de bescherming van archeologische terreinen is het dan ook van belang de grondwaterstand zo stabiel en hoog mogelijk te houden en verzuring tegen te gaan. Om de vinger aan de pols te houden kan het van belang zijn dergelijke terreinen in de gaten te houden wat betreft de kwaliteit van bot. Dit is te meer van belang, omdat de conserveringstoestand van dierlijke resten een goede indicator is voor de fysieke kwaliteit van een archeologische vindplaats als geheel.

Kwaliteit bewaken van archeologisch onderzoek naar resten van dieren

Archeozoölogie, het onderzoek van archeologisch bot, op het snijvlak tussen archeologie en de natuurwetenschappenCategorie van wetenschappen die zich bezighoudt met wezens, voorwerpen, energie en processen die in de natuur waarneembaar zijn, en met objectief meetbare verschijnselen. (AAT-Ned), is echt specialistenwerk. Een belangrijke kwaliteitsbepalende factor is dan ook of de onderzoeker daadwerkelijk gespecialiseerd is in dit onderzoek. Om aan te geven dat men beschikt over de juiste kwalificaties kunnen personen zich formeel laten registreren als specialist en kunnen bedrijven zich laten registreren. Zie hiervoor de website van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) met de geldige ‘Beoordelingsrichtlijn’. Soms wordt een ‘superspecialist’ ingeschakeld, bijvoorbeeld als er veel resten van vissen zijn gevonden of bij onderzoek aan insecten of mijten. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld gebruikssporenanalyse of onderzoek aan DNA of sporenelementen. Verder is het wenselijk dat de specialist niet in zijn eentje werkt, maar contact heeft met zijn of haarHaar is een uitgroeisel van de opperhuid bij zoogdieren. Haar is karakteristiek voor alle zoogdieren, al komt het bij sommige soorten voor dat haar afwezig is gedurende bepaalde fasen van het leven. (Wikipedia) nationale en internationale collega’s. Een flink stuk van de kwaliteit van het werk hangt af van deze onderlinge uitwisseling van kennis, ervaring en ideeën.

Voor een deel wordt archeozoölogisch onderzoek uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven, maar ook sommige opgravingsbedrijven, universiteiten en overheden hebben dergelijke specialisten in huis.

Beschikking over bronnen en collecties

Behalve over specialistische literatuur is het van belang dat de archeozoöloog beschikt over een goede vergelijkingscollectie, een collectie recent dierlijk materiaal, die hem of haarHaar is een uitgroeisel van de opperhuid bij zoogdieren. Haar is karakteristiek voor alle zoogdieren, al komt het bij sommige soorten voor dat haar afwezig is gedurende bepaalde fasen van het leven. (Wikipedia) in staat stelt ook gefragmenteerd bot te kunnen determineren. Om het onderzoek te kunnen vergelijken met resultaten uit het verleden is het gepubliceerde botonderzoek in Nederland door de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedBetreft de zorg voor wat ons als samenleving rest uit het verleden. Het is dus breder dan de term 'monument', die in hoofdzaak voor gebouwen gebruikt wordt, maar omvat ook archeologisch erfgoed en 'immaterieel' erfgoed, zoals gebruiken, kennis etc. Het is het geheel van verhalen, plekken, gebouwen en objecten die binnen een groep van generatie op generatie wordt overgedragen. ontsloten door het via www. cultureelerfgoed.nl toegankelijke attenderende systeem voor archeozoölogische informatie BoneInfo.

Programma van eisen

Bot en andere resten van dieren uit archeologische opgravingen zijn belangrijke informatiebronnen om het leven van de mens in het verleden te kunnen reconstrueren. Ze scheppen een beeld van jacht, veeteelt, voedseleconomie, het milieu, handel, sociale status et cetera. Het is daarom van groot belang dat deze materiaalgroep goed geborgen wordt en zorgvuldig door een gekwalificeerde specialist wordt onderzocht. De eerste stap in dit procesEen proces is een serie logische, samenhangende activiteiten die leiden tot een van te voren bepaald doel. is een zorgvuldige behandeling van archeozoölogisch onderzoek in programma’s van eisen voor gravend onderzoek.

Omdat bij veel opgravingen goed archeozoölogisch onderzoek zo’n belangrijke bijdrage kan leveren aan de kennis over het verleden, moet dat onderzoek ook goed geregeld zijn. In de praktijk betekent dit dat de opdrachtgever ervoor moet zorgen dat het onderzoek op zijn minst voldoet aan de richtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer en geregistreerde onderzoekers en gecertificeerde bedrijven inschakelt. Natuurlijk gaat het bij goed onderzoek veel meer om kennis, kunde, creativiteit en enthousiasme van de onderzoekers dan om regels. Maar het formele kwaliteitssysteem borgt in ieder geval de basiskwaliteit door de minimumeisen te geven van onderzoek. Dit zorgen voor kwaliteit houdt in dat in het programma van eisen voor het archeologische veldwerk dat de opdrachtgever laat opstellen allerlei zaken goed zijn vastgelegd. Dit is te meer van belang, omdat specialistisch onderzoek vaak in onderaanneming wordt uitgevoerd en daardoor – volgens de wetten van de markt – vaak geminimaliseerd wordt ten gunste van de hoofdaanneming.

Resultaten van vorig onderzoek

Een programma van eisen voor archeologisch onderzoek begint met terug te kijken naar voorgaand onderzoek om daarmee een verwachting te kunnen formuleren voor het huidige onderzoek. Raadpleging via www.cultureelerfgoed.nl van BoneInfo, het attenderende systeem voor archeozoölogische informatie, levert binnenHet binnenmilieu is wat men binnen in een gebouw ervaart. een paar minuten een overzicht van voorgaand onderzoek aan bot en andere dierlijke resten.

Vraagstelling

Bij de vraagstelling in een programma van eisen voor archeologisch onderzoek is het raadzaam te kijken in hoeverre het onderzoek ook bij kan dragen aan het beantwoorden van vragen uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) op www.cultureelerfgoed.nl. De Onderzoeksagenda, een gezamenlijk product van onderzoekers van bedrijven, universiteiten en overheden, geeft immers de belangrijkste (inter)nationale onderzoeksvragen die er leven in de vakwereld.

Veldwerk

In een programma van eisen voor archeologisch onderzoek moet benoemd worden wat er tijdens de opgraving gedaan dient te worden om archeologische vragen met behulp van het archeozoölogische materiaal te kunnen beantwoorden. Zo zal dus aangegeven moeten worden welk type grondsporen gezeefd moet worden en over welke maaswijdte de onderzoekers moeten beschikken om bijvoorbeeld vragen over visserij te kunnen beantwoorden of hoeveel monstersEen monster is een stukje van een voorwerp dat eraf is genomen voor onderzoek, analyse of voor het archief. Men moet erop letten dat het monster representatief is voor het materiaal dat men wil onderzoeken. (Conservation Dictionary) van een liter er genomen moeten worden voor onderzoek aan mijten. Ook kan aangegeven worden wanneer er een specialist in het veld aanwezig moet zijn, bijvoorbeeld bij het vrij leggen en ter plaatse interpreteren van vondsten van dierlijke skeletten.

Uitwerking

In de uitwerking van het programma van eisen voor archeozoölogisch onderzoek wordt aangegeven hoe, in onderling overleg tussen opgraver en botspecialist, eventuele keuzes gemaakt gaan worden om het nader te onderzoeken1. Het nauwkeurig onderzoeken van een situatie of voorwerp, meestal om de aard of huidige staat ervan vast te stellen (AAT-Ned). 2. Het (voor)onderzoek van een object is het materiële onderzoek dat voor en tijdens een behandeling wordt uitgevoerd om informatie te verkrijgen, voor documentatiedoeleinden en om beslissingen te kunnen nemen. Onderzoek is een studie die wordt ondernomen om nieuwe gegevens en inzichten op een bepaald wetenschapsgebied te verwerven. materiaal te selecteren. Overigens stelt het Nederlandse kwaliteitssysteem ook aan de uitvoering van het specialistische onderzoek eisen. Deze zijn onder andere in het Protocol specialistisch onderzoek van het kwaliteitssysteem opgenomen.

Rapportage

Vaak worden specialistische archeozoölogische onderzoeken1. Het nauwkeurig onderzoeken van een situatie of voorwerp, meestal om de aard of huidige staat ervan vast te stellen (AAT-Ned). 2. Het (voor)onderzoek van een object is het materiële onderzoek dat voor en tijdens een behandeling wordt uitgevoerd om informatie te verkrijgen, voor documentatiedoeleinden en om beslissingen te kunnen nemen. Onderzoek is een studie die wordt ondernomen om nieuwe gegevens en inzichten op een bepaald wetenschapsgebied te verwerven. als losse rapporten uitgebracht. Een veel beter resultaatEen concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resul taat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.", "Een concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resultaat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.") krijg je als de resultaten en conclusies uit het archeozoölogische onderzoek geïntegreerd worden in de rapportage van de opgraving, en de discussie en conclusies door de opgravers en de specialisten gezamenlijk worden geschreven. Een dergelijk co-auteurschap betekent namelijk meer onderlinge discussie en dus een wetenschappelijk beter resultaatEen concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resul taat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.", "Een concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resultaat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews."). Een dergelijke stimulans tot kwaliteit kan in het programma van eisen worden vastgelegd.

Randvoorwaarden

De Beoordelingsrichtlijn stelt eisen aan de opleiding en ervaring van de specialist. Wat er niet in staat, maar de basis is voor goed archeozoölogisch onderzoek, is toegang tot een goede vergelijkingscollectie van recente dieren. Onder de kop Randvoorwaarden in het programma van eisen mogen deze eisen zeker niet ontbreken.

Literatuur

Voor een uitvoeriger inleiding over de omgang met dierlijk materiaal en voor literatuur zie: Lauwerier, R.C.G.M., 2011: KNA Leidraad Archeozoölogie (www.SIKB.nl).

Nuttige webadressen

  • www.voia.nl Vereniging van Ondernemers in Archeologie
  • www.sikb.nl Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

Meer informatie

Zie ook deze artikelen


    Hoort bij deze thema's


    Specialist(en)


    Contact