kapconstructies

Eigenschappen

VoorkeurslabelkapconstructiesWijze waarop een kap geconstrueerd is. Bij een sporenkap wordt de dakbedekking gedragen door een reeks gespannen die oorspr. in de lengterichting van de kap niet met elkaar verbonden zijn. Sedert XIIIm ontwikkelden zich ondersteuningsconstructies waarbij de gespannen rusten op flieringen, die op de kapgebinten liggen. Er ontstaat dan een constructie van kapgebinten, bestaande uit een of meer schaargebinten op elkaar. Men noemt deze voor de Nederlanden typische constructie een Oudhollandse kap. De gebruikelijke dakhelling is 55-60°. Een bijzondere vorm heeft een houten tongewelf dat in de kapconstructie is opgenomen. In Duitstalige gebieden ontstond uit een kaptype met verticale ondersteunende stijlen (XIV-xv, ‘staande stoel’) een type met schuinstaande ondersteunende stijlen (sedertXVb, ‘liggende stoel’), dat slechts schijnbaar overeenkomst vertoont met de Nederlandse schaargebinten. De gordingenkap wordt afgeleid van de Romeinse constructie, waarbij kapgebinten gordingen ondersteunen. Daarop zijn kepers bevestigd, die de dakbedekking dragen. Er is een hecht verband in de lengterichting van de kap. De gebruikelijke dakhelling is minder dan 45°. Ook in de nok is een gording aangebracht. Het verspreidingsgebied heeft in de M.e. zijn noordgrens in de Nederlandse provincie Limburg. Later vindt de verspreiding over geheel Nederland plaats. Dan vervallen doorgaans de sporen en ook de kepers. Er wordt staand dakbeschot aangebracht over de gordingen. De stijlenkap hangt samen met het verspreidingsgebied van de löss in Midden-Europa. Hij bestaat uit reeksen stijlen in de lengterichting van het dak. Daarover liggen platen met de platte kant horizontaal, ook op de nok van het dak. Die platen ondersteunen kepers die erop gehecht zijn. Het verspreidingsgebied vindt zijn noordwestelijke begrenzing in Zuid-Limburg. De gebruikelijke dakhelling is 45° of minder.Na de M.e. komen andere vormen van kapconstructies voor, zoals de Philibertkap, opgebouwd uit Philibertspanten, hang-, spring en schoorwerken, gelamineerde houten spanten, gietijzeren en stalen constructies en samengestelde betonconstructies. Zie ook tekeningen houten tongewelf en trekplaat. (Haslinghuis)
DefinitieWijze waarop een kap geconstrueerd is. Bij een sporenkap wordt de dakbedekkingDakbedekkingen zijn materialen en constructies waarmee een dak is afgedekt om te voorkomen dat er water binnen kan komen. Een dakbedekking kan zijn van plantaardig materiaal (riet, stro, houten spanen), gebakken materiaal (dakpannen en -tegels), leien, metaalplaten (lood, koper, zink), bitumineus materiaal of kunststof. (Haslinghuis) gedragen door een reeks gespannen die oorspr. in de lengterichting van de kap niet met elkaar verbonden zijn. Sedert XIIIm ontwikkelden zich ondersteuningsconstructies waarbij de gespannen rusten op flieringen, die op de kapgebinten liggen. Er ontstaat dan een constructie van kapgebinten, bestaande uit een of meer schaargebinten op elkaar. Men noemt deze voor de Nederlanden typische constructie een Oudhollandse kap. De gebruikelijke dakhelling is 55-60°. Een bijzondere vorm heeft een houten tongewelfTongewelven zijn gewelven die te beschouwen zijn als de bovenste helft van een liggende cilinder. De doorsnede is dan een halve cirkel, maar kan bijvoorbeeld ook een spitsboog zijn. Het tongewelf is vaak voorzien van gordelbogen die op regelmatige afstanden geplaatst zijn. Een houten tongewelf is geen gewelf in de ware zin van het woord, maar een plafond. Het kan geen drukkrachten opnemen. (Haslinghuis) dat in de kapconstructie is opgenomen. In Duitstalige gebieden ontstond uit een kaptype met verticale ondersteunende stijlen (XIV-xv, ‘staande stoel’) een type met schuinstaande ondersteunende stijlen (sedertXVb, ‘liggende stoel’), dat slechts schijnbaar overeenkomst vertoont met de Nederlandse schaargebinten. De gordingenkap wordt afgeleid van de Romeinse constructie, waarbij kapgebinten gordingen ondersteunen. Daarop zijn kepers bevestigd, die de dakbedekkingDakbedekkingen zijn materialen en constructies waarmee een dak is afgedekt om te voorkomen dat er water binnen kan komen. Een dakbedekking kan zijn van plantaardig materiaal (riet, stro, houten spanen), gebakken materiaal (dakpannen en -tegels), leien, metaalplaten (lood, koper, zink), bitumineus materiaal of kunststof. (Haslinghuis) dragen. Er is een hecht verband in de lengterichting van de kap. De gebruikelijke dakhelling is minder dan 45°. Ook in de nok is een gording aangebracht. Het verspreidingsgebied heeft in de M.e. zijn noordgrens in de Nederlandse provincie Limburg. Later vindt de verspreiding over geheel Nederland plaats. Dan vervallen doorgaans de sporen en ook de kepers. Er wordt staand dakbeschot aangebracht over de gordingen. De stijlenkap hangt samen met het verspreidingsgebied van de löss in Midden-Europa. Hij bestaat uit reeksen stijlen in de lengterichting van het dak. Daarover liggen platen met de platte kantVerwijst naar fijn, decoratief ajourwerk in textiel, gemaakt door draden van linnen, katoen, zijde, haar, metaal of een andere vezel in lussen te leggen, in te rijgen, samen te draaien of te vervlechten om ontwerpen of patronen te vormen. Bij het maken van kant wordt gewerkt met een naald of met klossen. Het toevoegen van borduursels is niet ongewoon. Modern kant kan machinaal zijn vervaardigd. Ajourstoffen die op een weefgetouw zijn gemaakt en decoratief ajourbreiwerk worden doorgaans niet als kant geclassificeerd. Kant is vaak wit of effen van kleur. Echt kant ontstond in de veertiende eeuw in Europa en het Midden-Oosten, hoewel oude culturen bekend waren met gedecoreerde ajourstoffen, waaronder de Egyptische cultuur. Kant is te gebruiken als rand, boord of inzetstuk voor linnengoed of apparels. Ook wordt het samengevoegd tot grotere stukken textiel en dan gebruikt als voorhang, draperie, apparel of iets anders. (Toegepaste Kunst Project, RKD) horizontaal, ook op de nok van het dak. Die platen ondersteunen kepers die erop gehecht zijn. Het verspreidingsgebied vindt zijn noordwestelijke begrenzing in Zuid-Limburg. De gebruikelijke dakhelling is 45° of minder.Na de M.e. komen andere vormen van kapconstructiesWijze waarop een kap geconstrueerd is. Bij een sporenkap wordt de dakbedekking gedragen door een reeks gespannen die oorspr. in de lengterichting van de kap niet met elkaar verbonden zijn. Sedert XIIIm ontwikkelden zich ondersteuningsconstructies waarbij de gespannen rusten op flieringen, die op de kapgebinten liggen. Er ontstaat dan een constructie van kapgebinten, bestaande uit een of meer schaargebinten op elkaar. Men noemt deze voor de Nederlanden typische constructie een Oudhollandse kap. De gebruikelijke dakhelling is 55-60°. Een bijzondere vorm heeft een houten tongewelf dat in de kapconstructie is opgenomen. In Duitstalige gebieden ontstond uit een kaptype met verticale ondersteunende stijlen (XIV-xv, ‘staande stoel’) een type met schuinstaande ondersteunende stijlen (sedertXVb, ‘liggende stoel’), dat slechts schijnbaar overeenkomst vertoont met de Nederlandse schaargebinten. De gordingenkap wordt afgeleid van de Romeinse constructie, waarbij kapgebinten gordingen ondersteunen. Daarop zijn kepers bevestigd, die de dakbedekking dragen. Er is een hecht verband in de lengterichting van de kap. De gebruikelijke dakhelling is minder dan 45°. Ook in de nok is een gording aangebracht. Het verspreidingsgebied heeft in de M.e. zijn noordgrens in de Nederlandse provincie Limburg. Later vindt de verspreiding over geheel Nederland plaats. Dan vervallen doorgaans de sporen en ook de kepers. Er wordt staand dakbeschot aangebracht over de gordingen. De stijlenkap hangt samen met het verspreidingsgebied van de löss in Midden-Europa. Hij bestaat uit reeksen stijlen in de lengterichting van het dak. Daarover liggen platen met de platte kant horizontaal, ook op de nok van het dak. Die platen ondersteunen kepers die erop gehecht zijn. Het verspreidingsgebied vindt zijn noordwestelijke begrenzing in Zuid-Limburg. De gebruikelijke dakhelling is 45° of minder.Na de M.e. komen andere vormen van kapconstructies voor, zoals de Philibertkap, opgebouwd uit Philibertspanten, hang-, spring en schoorwerken, gelamineerde houten spanten, gietijzeren en stalen constructies en samengestelde betonconstructies. Zie ook tekeningen houten tongewelf en trekplaat. (Haslinghuis) voor, zoals de Philibertkap, opgebouwd uit Philibertspanten, hang-, spring en schoorwerken, gelamineerde houten spanten, gietijzeren en stalen constructies en samengestelde betonconstructies. Zie ook tekeningen houten tongewelfTongewelven zijn gewelven die te beschouwen zijn als de bovenste helft van een liggende cilinder. De doorsnede is dan een halve cirkel, maar kan bijvoorbeeld ook een spitsboog zijn. Het tongewelf is vaak voorzien van gordelbogen die op regelmatige afstanden geplaatst zijn. Een houten tongewelf is geen gewelf in de ware zin van het woord, maar een plafond. Het kan geen drukkrachten opnemen. (Haslinghuis) en trekplaat. (Haslinghuis)
Bronhttps://thesaurus.cultureelerfgoed.nl/concept/cht:26a93db4-2239-4f40-b5c0-a89650ab7150

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 23 okt 2021 om 03:58.