Cultuurhistorie - een nadere kennismaking

Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 23 aug 2023 om 15:58 (Nieuwe pagina aangemaakt met '{{#element: |Elementtype=Artikel |Status=Publiceren |Voorkeurslabel=Cultuurhistorie - een nadere kennismaking |Artikelsoort=Overig |Introductie=Het Nederlandse land...')
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Introductie

Het Nederlandse landschap is een cultuurlandschap, dat in de loop van duizenden jaren lang door mensen is vormgegeven. De mens heeft bossen gekapt en omgezet in akkers, weilanden en heidevelden, veengebieden ontwaterd, heggen aangeplant en beken rechtgetrokken. Door al die activiteiten werd het oorspronkelijke natuurlandschap omgezet in een cultuurlandschap. Dat cultuurlandschap heeft een eigen waarde. De menselijke activiteiten hebben geleid en leiden nog steeds tot een grote variatie aan (deel-)cultuurlandschappen, die een leefmilieu vormen voor planten- en diersoorten. Zo worden turfwinningslandschappen, zoals de Vinkeveense plassen en de Weerribben, of een heidegebied tegenwoordig vooral geroemd om hun natuurwaarden, terwijl ze hun wording en deels hun betekenis te danken hebben aan menselijk handelen. Een belangrijk deel van de 'rode lijst' soorten, waar Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid voor heeft, is gebonden aan cultuurlandschappen.

Luchtfoto van een veengebied met sloten
Foto van het maken van een proefsleuf
Afb. 2. Door middel van het graven van een kleine 'proefsleuf' nemen archeologen een kijkje in de ondergrond.
Foto van de ruine van het Genneperhuis in Noord-Limburg, verscholen in het groen.
Afb. 3. De overeenkomsten en verschillen tussen de vakgebieden blijken wanneer eenzelfde object vanuit verschillende disciplines, elk door een eigen bril, wordt bestudeerd. Zo zal bij de bestudering van een kasteelruïne (in dit geval de ruïne van het Genneperhuis in Noord-Limburg) de bouwhistoricus het eerst naar het muurwerk kijken, de architectuurhistoricus naar de vorm en ligging van gebouw en tuinen, de archeoloog naar de grondsporen, de historisch-geograaf vooral naar de relatie met de omgeving en de historisch-ecoloog naar muur- en stinzeflora.
Kaart van Nederland met IKAW gebieden
Afb. 4. IKAW (bron: Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten)
Foto van een karakteristieke tabakschuur bij Els.
Afb. 5. Een karakteristieke tabakschuur bij Els. Tabakschuren zijn de enige restanten van de teelt van tabak die in Nederland vanaf de zeventiende eeuw werd uitgevoerd.
Foto van een hakhoustoof op de Veluwe, in de buurt van Drie met een boom met een reeks uitlopers.
Afb. 6. Hakhoustoof op de Veluwe, in de buurt van Drie.
Foto van twee grafheuvels, zichtbaar in het landschap.
Afb. 7. Een aantal keurig gerestaureerde grafheuvels bij Mander, in Twente.
Foto van het Klupkeshuus Ootmarsum Twente.
Afb. 8. Het zogenaamde 'klupkeshuus' in het openluchtmuseum van Ootmarsum, Twente. Overplaatsing van een dergelijk object naar een museum is vaak de beste manier om het te behouden.
Foto van Archeologen die bezig zijn met een opgraving in Eersel, in het plangebied Kerkebogten. De foto toont een kringgreppel van een grafheuvel uit de Midden-Bronstijd (1800-1500 voor Chr.)
Afb. 9. Archeologen zijn bezig met een opgraving in Eersel, in het plangebied Kerkebogten. De foto toont een kringgreppel van een grafheuvel uit de Midden-Bronstijd (1800-1500 voor Chr.).
Foto van de Donjon Nijmegen
Afb. 10. Donjon, Nijmegen
Foto van een oude boswal met Eiken.
Afb. 11. Oude boswal, beplant met eikenbomen. Wil je een dergelijk element behouden, dan moet de wal regelmatig worden aangevuld. Indien de cultuurhistorische waarde voorop staat, zal ook opnieuw een hakhoutbeheer gevoerd moeten worden.
Twee foto's met de restauratie van de barak van Tollebeek (Noordoostpolder).
Afb. 12. De barak van Tollebeek (Noordoostpolder), voor en na de restauratie. Met het herstel van de barak is een stukje poldergeschiedenis weer levend gemaakt.
Foto van een brongebied op een stuwwal in Twente.
Afb. 13. Een brongebied op een stuwwal in Twente. Deze bronnen voeden een aantal beken die afstromen over de flanken van de stuwwal. De brongebieden en beekjes bieden ook een leefmilieu voor bijzondere planten en vogels.
Foto van een bollenschuur bij Hillegom.
Afb. 14. Wat cultuurhistorisch waardevol of interessant is, hoeft niet per sé door iedereen even mooi gevonden te worden. Deze voormalige bollenschuur bij Hillegom is bijvoorbeeld zeer karakteristiek voor de 'bloembollenstreek', en daarmee van grote betekenis voor behoud van de eigenheid, maar zal niet door iedereen even mooi worden gevonden.
Foto van een hakhoutstoof bij Garderen.
Afb. 15. Hakhoutstoof bij Garderen, op de Veluwe. Onlangs zijn dit soort zeer oude eikenhakhoutbossen min of meer 'herontdekt', waardoor men heel anders is gaan aankijken tegen dit soort bossen.
Foto van restaurant De Kas Amsterdam.jpg
Afb. 16. Restaurant de Kas in Park Frankendael (Amsterdam), een Belvedere-project avant la lettre. De kweekkas uit 1926 van de Amsterdamse Stadskwekerij stond op de nominatie om gesloopt te worden, maar door inzet van velen is het gelukt om het unieke 8 meter hoge glazen gebouw te herbouwen tot restaurant met een eigen kwekerij.

Opeenvolgende periodes

Cultuurlandschappen dragen de sporen van hun geschiedenis. Menselijke activiteiten die door de eeuwen heen hebben plaatsgevonden, hebben sporen in het landschap achtergelaten. Zo vinden we in het landschap prehistorische grafheuvels, die al duizenden jaren geleden zijn aangelegd en die, meestal omdat het land nadien slechts extensief werd gebruikt, tot op heden zichtbaar zijn gebleven. Uit de Middeleeuwen stammen veel slotenpatronen, zo ook de stratenpatronen van de meeste dorpen en steden, de oudste dijken en gebouwen en een deel van de houtwallen en heggen. Uit de eeuwen nadien stammen droogmakerijen, buitenplaatsen en parken, productiebossen en opnieuw honderdduizenden hectaren ingericht cultuurland. Al die sporen maken dat we het landschap als een soort geschiedenisboek kunnen lezen. Veel cultuurhistorische objecten hebben hun oorspronkelijke functie geheel of grotendeels verloren, andere worden nog dagelijks gebruikt.

Wie houdt zich met cultuurhistorie bezig?

Onderzoek naar, en advisering over, cultuurhistorie is vanouds verspreid over verschillende vakgebieden, waarvan archeologie, architectuur/bouwhistorie, historische geografie en historische ecologie, de belangrijkste zijn. Daarvan kijkt de architectuurhistorie vooral naar de geschiedenis en betekenis van gebouwen, steden en parken. Ontwerptekeningen, ideeënboeken en archieven dragen eraan bij een beeld van die geschiedenis te geven. De architectuurhistorie houdt zich bijvoorbeeld bezig met interieurs, buitenplaatsen, industrieel erfgoed, stedenbouw, maar ook bijvoorbeeld met kleurgebuik, wederopbouwarchitectuur en monumentaal groen. Bouwhistorie, een vakgebied dat de laatste jaren sterk is gegroeid, kijkt meer naar constructies en bouwsporen en lijkt soms veel op archeologie.

De archeologie houdt zich, althans in Nederland, bezig met het bodemarchief (de zaken die zich in de grond bevinden) en met prehistorische en enkele middeleeuwse bovengrondse overblijfselen. Bij de laatste gaat het vooral om objecten waarover geen of weinig schriftelijke gegevens bestaan en die alleen met archeologische methoden goed kunnen worden onderzocht. Een deel van die archeologische methoden, zoals opgraven en in mindere mate onderzoek met een grondboor, kunnen sporen in de bodem beschadigen of vernietigen. Deze methoden zijn daarom voorbehouden aan officieel geregistreerde archeologen. [1]

De historische geografie heeft (strikt genomen) meer een eigen beschouwingswijze, de ruimtelijke invalshoek, dan een eigen onderzoeksobject. In de Nederlandse verhoudingen echter zijn sporen van vroegere menselijke activiteiten die buiten het terrein van de bouwhistorie en de archeologie vallen, in de praktijk het werkterrein van de historisch-geografen geworden. Het gaat daarbij om zaken als nederzettingsvormen, wegenpatronen, kavelpatronen, bolliggende akkers, heggen en houtwallen, waterstaatswerken (dijken, sluizen), kleine elementen (wegkruisen, grenspalen, poelen, doorbraakkolken enz.), sporen van delfstoffenwinning (bijvoorbeeld petgaten en boerenkuilen) en sporen van oude bodemgebruiksvormen (hoogstamboomgaarden, heidevelden). Een aantal van die objecten wordt ook bestudeerd door de historische ecologie, een jong vakgebied dat zich richt op de invloed van mensen op ecosystemen in het verleden. [2]

De historisch geograaf bekijkt losse (landschaps)elementen en hun onderlinge samenhangen: ensembles en patronen. Een ensemble is een ongelijksoortige, maar wel ruimtelijk en functioneel met elkaar samenhangende groep elementen, zoals een molengang met weteringen, boezemwateren en dijken, die samen zorgen voor een droge polder. Een patroon bestaat uit een aantal ruimtelijk samenhangende, gelijksoortige elementen, bijvoorbeeld een wegenpatroon of een percelering. Dit handboek is met name vanuit de invalshoek van de historische geografie geschreven.

Een bijzondere categorie cultuurhistorische objecten: het bodemarchief

De term bodemarchief wordt gebruikt voor de resten van vroegere menselijke activiteiten die in de bodem bewaard zijn gebleven, maar die niet zichtbaar zijn aan de oppervlakte. Het gaat om uiteenlopende zaken, zoals fundamenten, grondsporen (zichtbaar als verkleuringen in de bodem) en losse voorwerpen (munten, aardewerk, botten, metalen of stenen bijlen). Deze resten worden bedreigd door bijvoorbeeld graafwerk voor huizenbouw of wegenaanleg. Voorafgaand aan graafwerk wordt tegenwoordig archeologisch onderzoek uitgevoerd, dat in ieder geval zorgt voor documentatie.

Een minder bekende maar niet minder ernstige bedreiging wordt gevormd door bodembewerking, zoals (diep)ploegen. Daarnaast zijn er sluipende bedreigingen, zoals verzuring en verlaging van de grondwaterstand die over een langere tijd een ernstige aantasting van het bodemarchief kunnen betekenen. De gevolgen van deze bedreigingen zullen per materiaal verschillen. Zo zijn organische materialen gevoelig voor verdroging en dus voor verlaging van de grondwaterstand en zijn vooral metalen gevoelig voor de inwerking van zuur.

In deze gevallen kan cultuurhistorisch beheer een oplossing bieden.

Voor een terrein waar archeologische sporen aanwezig zijn, zou dat bijvoorbeeld in kunnen houden dat grondwerkzaamheden worden beperkt tot de reeds verstoorde laag (bouwvoor), dat de bemesting wordt aangepast om verzuring van de bodem tegen te gaan en dat het grondwaterpeil hoog wordt gehouden.[3] Om een dergelijk beheeradvies te kunnen schrijven is vooraf zogenaamd 'prospectief' archeologisch onderzoek nodig, dat een indruk geeft van de plekken waar archeologische vondsten te verwachten zijn. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, een van de voorgangers van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, heeft een Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden samengesteld. Deze IKAW deelt Nederland in naar gebieden met een hoge, middelhoge of lage 'trefkans'.

De voorbeelden maken wel duidelijk dat er zowel in thema's als in methoden veel overlappingen bestaan. De laatste jaren is er dan ook een groeiende samenwerking tussen de verschillende vak - gebieden. Zo worden er op verschillende universiteiten gemeenschappelijke masteropleidingen aangeboden en zijn er steeds meer onderzoeksbureaus die verschillende van de genoemde werk - terreinen bestrijken. De belangrijkste instituten, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodem - onderzoek (Amersfoort) en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (Zeist) zijn in 2006 opgegaan in de nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, gevestigd in Amersfoort.

Behoud

Cultuurhistorische en aardkundige waarden zijn moeilijk vervangbaar. Dat maakt dat het zinvol is om ze te behouden. Het is echter niet wenselijk om alles te behouden: dat zou het landschap tot een museum maken waarin geen nieuwe activiteiten mogelijk zijn. De praktijk van het landschapsbehoud bestaat uit het maken van keuzes, waarbij we moeten aangeven wát we willen behouden en waarom.

Algemeen uitgangspunt: behoud
Wat Materie/vorm/plaats/betekenis
Waarom Argumenten voor behoud
Behoud: dus beheer
Stap 1 Onderzoek
- veldonderzoek

- oral history

- oude kaarten

- literatuur
- archieven
- internet

Stap 2 Kiezen beheerdoelstelling
- waardering
- mogelijkheden
- wanneer en waar
- referentiebeelden
Stap 3 Kiezen beheerstrategie
- onderhoud

- zichtbaar maken
- consolidatie

- restauratie
- reconstructie

- mitigatie en compensatie

- behoud door ontwikkeling
Stap 4 Uitvoering cultuurhistorisch beheer

Het schema geeft aan wat de belangrijkste aandachtspunten zijn bij het behoud en beheer van cultuurhistorische waarden. In de tekst worden al de verschillende stappen op weg naar een goed cultuurhistorisch beheer nader uitgelegd.

Wat willen we behouden?

Bijna overal liggen in het landschap cultuurhistorische sporen uit ons verleden. Net zoals deze ooit zijn ontstaan uit menselijk handelen, zullen door nieuwe ingrepen oude sporen verdwijnen en zal tegelijkertijd ook weer nieuwe cultuurhistorie ontstaan. Beheer van een historisch cultuurlandschap betekent niet dat er een kaasstolp over het landschap wordt gezet en er niets meer mag veranderen. Veeleer gaat het om het begeleiden van verandering, waardoor belangrijke historische waarden (en ook natuur- en esthetische waarden) blijven bestaan. Dat betekent ook dat er keuzes moeten worden gemaakt.

In de volgende paragraaf wordt een reeks argumenten genoemd om historische elementen en structuren in het landschap te behouden. Daarbij springen er twee argumenten uit. Het eerste is het tijdsgebonden karakter van cultuurhistorische objecten. Dat maakt dat verdwijnen onomkeerbaar is. Men kan wel vormen nabootsen, maar de processen die tot de vorming van die objecten hebben geleid, bestaan niet meer.

Het tweede argument is dat van historische landschapselementen en -structuren als bron van kennis van het verleden. Men spreekt in dit verband wel van de informatiewaarde. Dit begrip kan helpen om keuzes te maken, door als uitgangspunt te nemen dat de historische ontwikkeling en kenmerken van een cultuurlandschap herkenbaar moeten blijven.

Twee groepen objecten zijn de belangrijkste 'dragers' van die informatie:

  • de algemene karakteristieken van een landschapstype. Dit zijn de elementen, patronen en structuren die over een lange periode constant zijn gebleven. Zij bepalen grotendeels het karakter van een landschap of een gebied. In laag-Nederland zijn het de hoofdvormen van landinrichting (zoals verkavelingspatronen en weteringen) en in hoog-Nederland gaat het vooral om oude bodemgebruikseenheden (essen en kampen).
  • sporen van kenmerkende ontwikkelingen die het landschap hebben gevormd. Voorbeelden zijn resten van waterstaatskundige ontwikkelingen, sporen van vestingbouw en bijzondere vormen van landbouw. Veel van deze sporen horen bij bepaalde perioden en zijn ook kenmerkend voor bepaalde streken. Zo liggen de grootste concentraties van eendenkooien in de komgronden van het rivierengebied. Tabaksschuren, restanten van de teelt van tabak die in Nederland vanaf de zeventiende eeuw werd uitgevoerd, vinden we vooral op de zuidelijke helling van de Utrechtse Heuvelrug. Een derde voorbeeld zijn hennepakkers: kleine, door sloten omgeven landjes in de veengebieden van Utrecht en Zuid-Holland, waarop in de 17e en 18e eeuw hennep werd geteeld voor de touwindustrie.

Materie, vorm, plaats en betekenis

Meer in detail, op het niveau van afzonderlijke elementen en structuren, gaat het in de discussie 'wat te behouden' om de volgende begrippen: materie, vorm, plaats en betekenis.[3]

  • de term materie duidt op het originele (oorspronkelijke, authentieke) materiaal van het object. Voorbeelden zijn het muurwerk, de grondsporen en de bodemprofielen. In de archeologie staat het originele materiaal, zoals dat in de bodem bewaard is gebleven, centraal. Ook bij gebouwen is, althans in theorie, de nadruk in de loop van de afgelopen eeuw steeds meer komen te liggen op het behoud van oorspronkelijke materialen. Oud houtwerk of oude dakpannen worden alleen nog maar vervangen wanneer dat noodzakelijk is. De belangrijkste reden is de betekenis van oorspronkelijk materiaal voor wetenschappelijk onderzoek. Een reproductie van een schilderij kan net zo mooi zijn als het origineel, maar alleen het origineel leent zich voor onderzoek naar de gebruikte materialen of de mogelijke tekening onder de verf. Evenzo kan bij een gebouw alleen oorspronkelijk houtwerk worden onderzocht op ouderdom van het gebruikte hout, de constructiewijze en eventuele latere reparaties. Ook grondlichamen, zoals dijken of houtwallen, kunnen informatie geven over de opbouw in de loop van de tijd. Bij behoud door restauratie van gebouwen wordt daarom geprobeerd om oud muurwerk of kozijnen etc. zo lang mogelijk in stand te houden. Hetzelfde geldt voor sporen in de bodem, zoals paalgaten van gebouwen, bodemlagen in een grafheuvel of prehistorische voorwerpen in hun bodemkundige context. Archeologen proberen daarom hun terreinen optimaal te beschermen, bijvoorbeeld door een grafheuvel met een extra meter zand te bedekken. Bij groene elementen is periodieke vervanging nodig om het levende materiaal te behouden, maar zelfs hier bieden hakhoutstobben een voorbeeld van oude materie [4].
  • vorm (met daarmee samenhangend een concept of idee waarom die vorm op deze plek is toegepast) duidt op het uiterlijk of het aanzien van het object. Een extreem voorbeeld is een gerestaureerde botter, waarin na talloze reparaties geen spoortje oorspronkelijk houtwerk meer is overgebleven, maar waarin de oorspronkelijke vorm wel al die tijd intact bleef. Bij restauraties van gebouwen wordt vaak zichtbaar gemaakt welk deel uit origineel materiaal bestaat. Bij gerestaureerde grafheuvels is daarentegen alleen de uiterlijke vorm hersteld (gereconstrueerd) en is daardoor niet meer te zien wat nog van de oorspronkelijke materie over was. Toch is het wel belangrijk om te kunnen beoordelen of de restauratie is gebaseerd op veel of op zeer weinig overgebleven gegevens. Nog weer anders is het bij levend materiaal, zoals struiken of bomen in een park. In dit geval is periodieke vervanging onlosmakelijk verbonden met de aard van het object.
  • plaats duidt op de ligging, ook in relatie tot de omgeving. Overplaatsing naar een openluchtmuseum is soms de beste manier om een gebouw te behouden. Maar een deel van de historische informatie is gebonden aan de plek. Naarmate de belangstelling voor de omgeving van een monument in de loop van de 20ste eeuw toenam, stuitte verplaatsing op steeds minder bijval. Toch is er soms voor verplaatsing nog wel wat te zeggen, als het object anders zeker zou verdwijnen of als functioneren onmogelijk zou worden (een windmolen temidden van hoge flatgebouwen). Windmolens zijn in het verleden bijna roerende objecten geweest: ze werden vaak in hun geheel verkocht en door een nieuwe eigenaar afgebroken en op een andere plek weer opgebouwd. Toch blijft plaats belangrijk. Een houtwal is bijvoorbeeld aangelegd om een stuk bouwland te beschermen tegen wild en vee; de plek van de houtwal markeert een historische grens tussen bouwland en weidegebieden. Door die houtwal te verplaatsen, verdwijnt (behalve het oorspronkelijke profiel met de onderzoeksmogelijkheden die dat biedt) ook een deel van de historische informatie over het landschap. Cultuurhistorie laat zich minder gemakkelijk elders compenseren dan natuur.
  • betekenis tenslotte duidt op de wijze waarop een object functioneert. De boerderij die verbouwd is tot woonhuis heeft een totaal andere uitstraling dan een boerderij die nog in gebruik is als boerderij.

In de praktijk ontstaan er voortdurend conflicten over wat te behouden. In de officiële monumentenzorg (geformuleerd door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten) staat behoud van materie voorop, zoals geformuleerd in het Verdrag van Venetië. In dit verdrag stelden monumentenzorgergs vast dat behoud vóór reconstructie gaat, met als belangrijkste argument de wetenschappelijke waarde.

De andere kant is echter een voortdurende behoefte om te onderzoeken en te verfraaien. Bij archeologische objecten is het dilemma dat we het moeten opgraven om de informatie te krijgen, maar dat opgraven tegelijk betekent dat een groot deel van het object zelf vernietigd wordt.

Behoud van gebouwen met de oude functie is vaak onmogelijk. Een nieuwe functie zoeken is op zichzelf geen probleem, maar heeft soms wel grote consequenties voor de vorm. Vooral bij specifieke gebouwtypen komt dat soms hard aan: een fabriek die als cultureel centrum wordt gebruikt of een kerk die bewoond wordt.

Verplaatsing komt vooral veel voor bij losse objecten, zoals wegkruisen, grensstenen en gevelstenen. Zo wordt straatmeubilair verplaatst bij wegverbredingen en zijn veel dijkpalen verplaatst bij dijkverbeteringen. Ook vandalisme kan een reden zijn om historische objecten te verplaatsen. Van de vele grenspalen die Nederland rijk is, staat nog maar een klein deel op de oorspronkelijke plek, hoewel die palen hun historische belang juist danken aan de exacte plek waarop ze staan. Bij wegkruisen ontstaan soms interessante discussies. Als een kruis is opgericht op de plek van een misdaad of ongeluk, zit de historische waarde vooral in de oorspronkelijke locatie. Bij een kruis dat een wegsplitsing markeert, is verplaatsing bij veranderingen in de wegen echter wel bespreekbaar.

De discussie over behoud van vorm, materie of functie kunnen we illustreren aan de hand van een kasteelruïne. Voor een kasteelruïne is consolidatie (vastleggen van de huidige vorm en materie door bijvoorbeeld het afdekken met een beschermende laag) de beste manier om de informatie in stand te houden. Als een ruïne weer wordt opgebouwd, komt het dichter bij de oorspronkelijke vorm, maar gaat een deel van de originele sporen verloren. Nog onlangs speelde dit dilemma bij de discussies over de 'herbouw' van het Valkhof in Nijmegen, waarbij overigens ook de oude vorm slechts in zeer grote lijnen bekend is. Hier zou de reconstructie een 20ste-eeuws gebouw met het uiterlijk van een kasteel hebben opgeleverd, ten koste van een bijzonder 19e- eeuws stadspark en ten koste van de authentieke ondergrondse resten van het oorspronkelijke kasteel.

Van der Laan is tegen herbouw donjon Nijmegen

Van onze verslaggeefster Anja Sligter

ARNHEM - Staatssecretaris Van der Laan van Cultuur is tegen herbouw van de donjon in Nijmegen. Een nieuwgebouwde toren is strijdig met de cultuurhistorische betekenis van het Valkhofpark. Bovendien is herbouw geen ontwikkeling die uit cultuurhistorisch oogpunt gewenst is, aldus de staatssecretaris. Van der Laan liet dit het college van B en W van Nijmegen donderdag per brief weten. Het advies van de staatssecretaris zet het Nijmeegse referendum op 7 maart in een ander daglicht. Op initiatief van D66 spreekt de bevolking zich, tegelijkertijd met de gemeenteraadsverkiezingen, uit over het herbouwen van de donjon. De verwachting is dat de Nijmeegse bevolking in meerderheid voor stemt. Een replica van de donjon torent al een halfjaar boven de stad uit. Honderdduizend bezoekers beklommen de toren.

Het Valkhofpark, de bodem en het gezicht van Nijmegen zijn echter driedubbel beschermd. Daarom beslist uiteindelijk de staatssecretaris over veranderingen aan de rijksmonumenten. Volgens Bert de Vries, woordvoerder van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en Rijksdienst voor Monumentenzorg, was het verstandiger 'als eerst advies was gevraagd voordat een referendum was uitgeschreven'. Weliswaar is het standpunt van de staatssecretaris slechts een advies, maar wel een zwaarwegend advies. Staatssecretaris Nuis torpedeerde eerder op dezelfde manier de herbouw van de Valkhofburcht.

Wethouder Paul Depla is niet onder de indruk. 'Laat de burgers van Nijmegen zich volgende week nu eerst maar eens uitspreken over de donjon', zegt hij. Wanneer hij dat mandaat krijgt, wil hij gesprekken gaan voeren met de staatssecretaris.

(bron: Volkskrant, 3 maart 2006)

Nijmegen wil herbouw donjon

Door onze verslaggever

Nijmegenaren zien herbouw van de donjon zitten. Een ruime meerderheid van de kiezers zei gisteren 'ja' tegen een hoge toren in het Valkhofpark.

Bij het referendum dat gelijktijdig werd gehouden met de gemeenteraadsverkiezingen, koos 60 procent van de kiezers voor een 'nieuwe' toren in de ruïne van de voormalige middeleeuwse Valkhofburcht. Ter gelegenheid van de viering van Nijmegen 2000 stad staat op dit moment in het Valkhofpark een tijdelijke toren, opgetrokken met steigers en zeildoek. Dit model is geïnspireerd op tekeningen van het bouwwerk dat keizer Frederik I Barbarossa omstreeks 1150 op deze plaats liet neerzetten.

Het bouwsel is zo populair dat een meerderheid van de kiezers het wil vervangen door een stenen toren. PvdA-lijsttrekker en grote winnaar van de raadsverkiezingen Paul Depla was heel kort in zijn reactie: „Bouwen dat ding!“ GroenLinkswethouder Lenie Scholten zei de reactie af te willen wachten van staatssecretaris Medy van der Laan van Cultuur die zich eerder weinig enthousiast uitliet over de bouwplannen in het historische Valkhofpark.

(bron: De Gelderlander, 8 maart 2006)

Een houtwal is een ander voorbeeld van mogelijk tegenstrijdige behoudsdoelen en de noodzaak van zorgvuldige afwegingen. Bij de nadruk op materie zou het beheer erop gericht zijn oude bomen en stobben te beschermen. Ligt de nadruk op de vorm, dan is men eerder geneigd de wal regelmatig opnieuw in te planten. In beide gevallen dient de wal regelmatig te worden aangevuld. Verplaatsing van een wal betekent dat het oorspronkelijke bodemprofiel onherroepelijk verdwijnt en betekent daarbij het verlies van de historische plek en omgeving.

Waarom behoud van cultuurhistorische waarden?

Waarom zouden we oude gebouwen en landschappen proberen te behouden? Daarvoor is een reeks argumenten te geven.

Argumenten

Het ethische argument: de wortels van onze cultuur

Een oud cultuurlandschap vertegenwoordigt de geschiedenis van onze cultuur. In het verlengde hiervan staat het argument van onvervangbaarheid: een bepaald cultuurlandschap is een eenmalig verschijnsel. Verdwijnen van cultuurhistorische waarden is een onomkeerbaar proces; wat weg is, komt nooit terug. In dit opzicht verschilt cultuurhistorie van een deel van de natuurwaarden, die wel vervangbaar zijn.

Het wetenschappelijke argument: het landschap als historische bron

Bij het wetenschappelijke argument gaat het om het landschap als bron van kennis over de geschiedenis. Het landschap toont ons zaken waarover weinig andere gegevens voorhanden zijn. Voor sommige soorten objecten levert het landschap zelfs de enige kennisbron, bijvoorbeeld voor de archeologische sporen onder het aardoppervlak. Een ander voorbeeld is het microreliëf, de kleine hoogteverschillen in het landschap zoals rabatten en opgehoogde akkers, die niet op kaarten zijn aangegeven en die, zeker als ze in bosgebieden liggen, ook op luchtfoto's moeilijk zichtbaar zijn. Wel is er sinds enkele jaren het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN), dat een zeer gedetailleerd beeld van hoogteverschillend geeft, maar ook de informatie hiervan vervangt nog niet het onderzoek in het terrein. Een derde voorbeeld vormen de zogenaamde 'kleine landschapselementen'. De topografische kaart geeft houtwallen, heggen, boomsingels, sluisjes en wegkruisen aan, maar geeft geen aanvullende informatie over uiterlijk, materiaal en historische achtergronden. Voor al dit soort zaken geldt, dat de makers zelden sporen achterlieten in archieven of literatuur. De enige bron is het landschap zelf.

Dat maakt het ook noodzakelijk om objecten die verdwijnen, goed te documenteren, zoals archeologen en bouwhistorici voortdurend doen. Toch is documenteren niet voldoende, omdat onderzoekstechnieken nog voortdurend worden verbeterd. Een object dat verdwijnt, kan dan wel met de huidige technieken perfect onderzocht worden, voor toekomstige technieken is het niet meer beschikbaar. Als de keuze gaat tussen onderzoeken of laten liggen, verdient het laatste dan ook altijd de voorkeur.

Het educatieve argument: het landschap als aanschouwelijk geschiedverhaal

Het educatieve argument sluit aan bij het 'landschap als geschiedenisboek', als bron om geschiedenis uit te leggen. Beter dan een stapel boeken of foto's kan een wandeling door het landschap inzicht geven in het leven van vroegere bewoners. Met de opkomst van het 'Omgevingsonderwijs' wordt dit argument belangrijker dan ooit.

Het ecologische argument: de soortenrijkdom van de mensgebonden natuur

Specifieke half-natuurlijke ecosystemen ontwikkelden zich doordat lange tijd een bepaald beheer werd gevoerd. Houtwallen, hakhoutbossen, heidevelden en schrale graslanden zijn cultuurlandschappen met een eigen rijkdom aan soorten. Een belangrijk deel van de Nederlandse flora en fauna, waaronder een substantieel deel van de 'rode-lijst soorten', is gekoppeld aan het cultuurlandschap. Dat betreft in de meeste gevallen soorten die gebonden zijn aan biotopen die zonder de invloed van de mens zeldzaam zouden zijn geweest of soorten die zich hebben aangepast aan het cultuurlandschap. Soms zijn dit soorten van dynamische milieus, zoals kwelders en rivieroevers, maar vaker gaat het om soorten die afhankelijk zijn van stabiele milieus. Tot de laatste groep behoren vooral oude cultuurlandschappen en cultuurlandschapselementen die lange tijd een bepaald beheer hebben gehad. Voorbeelden zijn stinsenflora, muurvegetatie, heide, houtwallen, hakhoutbossen en schrale graslanden. Dergelijke halfnatuurlijke ecosystemen ontwikkelden zich langzaam.

Er bestaat vaak een verband tussen de ouderdom van een bepaald type vegetatie of landgebruik en het voorkomen van soorten. Zo liggen in oudere graslanden grotere mierenhopen en hebben oudere houtwallen en bossen een groter aantal (houtige) soorten. Bij een onderzoek naar deze landschapselementen bleek een aantal soorten bosplanten niet voor te komen in beplantingen van minder dan tachtig jaar oud. De achtergronden zijn niet geheel duidelijk, maar waarschijnlijk heeft het te maken met de extreem langzame verbreiding van een aantal soorten. Verdwijnen van dergelijke objecten is moeilijk te compenseren en is in de praktijk vaak onomkeerbaar. Cultuurhistorisch beheer draagt daarmee bij aan de biodiversiteit.

Het economische argument: geld verdienen aan het landschap

Cultuurlandschappen hebben een economische waarde. Het meest direct blijkt dat uit recreatie en toerisme. Daarnaast biedt een aantrekkelijk landschap ook een gezochte vestigingsplaats voor bewoners en bedrijven.

Diversiteit: het eigene van een landschap

Oude gebouwen en landschapselementen zijn voor een belangrijk deel bepalend voor het eigen karakter van de afzonderlijke landschappen en voor de verscheidenheid binnen het Nederlandse landschap als geheel. Iemand die op een onbekende plaats in Nederland wordt afgezet kan door die kenmerken al snel zien in welk deel van het land hij of zij zich bevindt. Zaken die overal in het land hetzelfde zijn, zoals de kleur van het gras, de coniferen in een tuin of het uiterlijk van een nieuwbouwwijk, bieden daarbij geen aanknopingspunten en dragen niet bij tot de herkenbaarheid van een gebied.

In dit verband spreekt men vaak van de 'identiteit' van een landschap. Dat is niet hetzelfde als de kenmerken: de term 'identiteit' verwijst naar de relatie tussen enerzijds de kenmerken van een gebied en anderzijds de bewoners, gebruikers en bezoekers die de kenmerken benoemen en (positief of negatief) waarderen.

Het bijzondere van een gebied of een landschap wordt vaak in hoge mate gekoppeld aan de historische inrichting en elementen van dat gebied. Helemaal terecht is dat niet: ook moderne ontwikkelingen kunnen een gebied onderscheiden van andere en kunnen zelfs deel worden van de identiteit. Nog recent hebben concentraties van bepaalde vormen van landbouw, zoals de Noord-Limburgse asperges of de Kempische varkens, gebieden een nieuwe identiteit gegeven. Voor een stad kunnen markante nieuwe gebouwen eenzelfde effect hebben. Zoals Hilversum zich in de vooroorlogse jaren uit de grauwe middenmoot wist op te werken door de gebouwen van Dudok, hebben de laatste jaren verschillende Nederlandse steden beeldbepalende gebouwen of objecten gerealiseerd: de Erasmusbrug in Rotterdam, de Amersfoortse wijk Kattenbroek of het Gronings Museum en het gebouw van de Gasunie in Groningen ontwikkelden zich snel tot 'landmarks' voor de steden.

Een belangrijk deel van de moderne ontwikkelingen leidt echter tot verlies aan kenmerken zonder er nieuwe voor terug te geven. Vooral in de laatste halve eeuw is het landschap vervlakt doordat veel landschapselementen zijn verdwenen. Het landschap wordt steeds meer bepaald door zaken die in heel Nederland hetzelfde zijn. De oude kleinschalige landschappen zijn grootschaliger geworden doordat houtwallen en heggen werden vervangen door prikkeldraad. Aan de andere kant zijn de oude open landschappen minder open geworden doordat ze werden doorsneden met snelwegen en hoogspanningsleidingen.[5] Het eigen karakter van de verschillende Nederlandse landschappen, en daarmee de verscheidenheid binnen het Nederlandse landschap als geheel, is minder duidelijk geworden. Behoud en herstel van historische landschapselementen is een goede manier om die verscheidenheid in stand te houden.

Het esthetische argument: het mooie en het interessante

Een laatste, maar zeker niet het minst belangrijke, argument is het esthetische. Zijn de vorige aspecten vooral gebaseerd op de mening van experts, het esthetische argument verwijst naar de beleving en brengt ons bij het belang dat bewoners, gebruikers en bezoekers hechten aan historische elementen. De belevingswaarde van vooral oude cultuurlandschappen blijkt bijvoorbeeld uit de stijgende populariteit van wandel- en fietsroutes door dergelijke landschappen.

De term 'schoonheid' wordt al in de Monumentenwet genoemd als een argument voor behoud. Het mag echter bij de esthetische kant van het cultuurlandschap niet alleen om schoonheid gaan, maar ook om 'het interessante' en 'het historische'. Een oud cultuurlandschap bevat verrassingen en verhalen. Veel van die verhalen zijn historisch en geven het landschap tijdsdiepte. Historische objecten bieden aanknopingspunten voor verhalen en hebben soms relaties met eigen voorouders of met bekende schrijvers, schilders of politici. Ook komen ze tegemoet aan gevoelens van nostalgie, het idealiserend terugverlangen naar dat wat geweest is.

Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat die beleving samenhangt met de kennis en de belangstelling van de waarnemer. Bestudering van het landschap voegt verhalen toe en maakt dat men meer ziet en beleeft. Onderwijs en voorlichting kunnen leiden tot een andere, meer geschoolde wijze van kijken naar het landschap. Er is een grote behoefte aan informatiemateriaal over het (cultuur)landschap.[6] Er is ook een groeiende berg informatiemateriaal (van sterk uiteenlopende kwaliteit) beschikbaar, in de vorm van boeken, wandel- en fietsgidsen, streekbeschrijvingen en andere geschriften.

Behoud en ontwikkeling; Belvedere

Dat cultuurhistorische objecten onvervangbaar zijn, heeft in het verleden te vaak geleid tot een defensieve houding vanuit de landschapsbescherming. De activiteiten van de laatste leken vaak vooral gericht op het tegenhouden van ontwikkelingen. Die houding heeft echter in de praktijk niet altijd geleid tot behoud van waardevolle cultuurlandschappen. In een dynamisch land als het onze, met zijn enorme druk op de grond, is het tegenhouden van ontwikkelingen vaak onmogelijk. Een defensieve houding is dan vaak een verliezersstrategie.

De laatste jaren wordt meer en meer gezocht naar een meer dynamisch erfgoedbeheer. De Nota Belvedere (1999), die deze omslag sterk heeft gestimuleerd, spreekt van 'behoud door ontwikkeling'. In plaats van het tegenhouden van ontwikkelingen wordt nu gestreefd naar 'meedenken'. Een oud Chinees spreekwoord leert ons dat riet beter met de wind mee kan buigen dan knakken.

De 'agenda' van Belvedere heeft zich in eerste instantie gericht op de stedenbouwers, planologen en landschapsarchitecten, maar de laatste tijd zijn ook de 'groene' organisaties meer en meer betrokken in de uitvoering van het Belvedere-programma. In het project 'Cultuurhistorie Natuurlijk' wordt samengewerkt met de terreinbeherende organisaties en Landschapsbeheer Nederland, met als doel de beheerders van natuur- en landschapswaarden bekend te maken met de cultuurhistorische waarden en de mogelijkheden om deze te gebruiken bij de inrichting en het beheer van hun terreinen. Deze combinatie blijkt in de praktijk toch nog voor problemen te zorgen: “Natuurontwikkeling met primaire ecologische doelstellingen staat soms op gespannen voet met de cultuurhistorische waarden in het gebied. Ook is cultuurhistorisch natuurbeheer vaak duurder dan 'gewoon' natuurbeheer, is er gebrek aan geschikte cultuurhistorische kennis en is het vaak lastig om (wel aanwezige) kennis te vertalen naar inrichtings- en beheerkeuzen. Gelukkig zijn er de laatste jaren op verschillende plekken initiatieven en concrete projecten van de grond gekomen waarbij cultuurhistorie en natuurontwikkeling bij elkaar worden gebracht” [7].

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

  1. Zie www.sikb.nl
  2. Dirkx et al., 1992.
  3. 3,0 3,1 Naar Renes e.a. 1997.
  4. Zie bijvoorbeeld Spek et al, 2005.
  5. Natuurverkenning 97.
  6. Coeterier, 1995.
  7. www.belvedere.nu, RO-dossier Natuurontwikkeling.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 23 aug 2023 om 15:58.