Dendrochronologie

Introductie[bewerken]

Dendrochronologie of jaarringenonderzoek is de wetenschaps die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen.

In het kort

Doel: dateren, landschap- en klimaatreconstructie, oorsprongbepaling bouwhout.
Bruikbaar voor: dateringen tussen 12.400 jaar geleden en nu.
Nodig: onbewerkte of bewerkte houtresten, bomen/palen liefst met spinthout en bast.

Afbeelding 1. Overzicht van kalenders van in Nederland aangetroffen dateerbare houtsoorten vanaf 1000 v. Chr. - afbeelding E. Jansma
Afbeelding 1. Overzicht van kalenders van in Nederland aangetroffen dateerbare houtsoorten vanaf 1000 v. Chr. - afbeelding E. Jansma
Afbeelding 2. Monstername - foto Hannes Grobe/AWI - Eigen werk CC BY-SA 2.5 wikicommons
Afbeelding 2. Monstername - foto Hannes Grobe/AWI - Eigen werk CC BY-SA 2.5 wikicommons

Jaarringen in hout ontstaan ten gevolge van de wisselingen der seizoenen. Gunstige omstandigheden zorgen voor meer groei (brede ringen), ongunstige omstandigheden voor verminderde groei (smalle ringen). Zodoende ontstaat er door de jaren heen een patroon van dikkere en dunnere ringen, uniek voor een bepaalde tijdsperiode en herkomstgebied. Door het opbouwen van een referentiecollectie kunnen stukken hout in de tijd geplaatst worden. Wanneer de buitenste ring nog aanwezig is, kan zelfs de kapdatum van de bewuste boom bepaald worden. Als de ring compleet is, kan de datering zelfs nog scherper: voorjaar, zomer of herfst/winter van jaar X.

Kansen en beperkingen

Het klimaat en de bodem zijn van invloed op de groei van jaarringen. De mogelijkheden van dendrochronologie zijn daarom sterk gerelateerd aan het al dan niet bestaan van een referentiecollectie. Langs de rivieren en met de rivieren verbonden binnenwateren reageerden de bomen door heel Nederland relatief overeenkomstig op de hydrologische omstandigheden (door synchrone hydrologische druk). De patronen van de hogere zandgronden in Oost, Zuidoost en Zuid Nederland wijken daar vanaf, omdat ze veel minder hydrologische stress reflecteren. De gebruikte referentiecollectie moet dus betrekking hebben op vergelijkbare standplaatstypes als die van het bestudeerde stuk hout. Die standplaatsen zijn dus niet lokaal, maar komen verspreid door heel Nederland voor.

Inmiddels zijn er diverse referentiecollecties ontwikkeld en is het in heel Nederland mogelijk hout te dateren aan de hand van dendrochronologie. Het is ook mogelijk om geïmporteerd hout te herkennen op basis van Europese referentiecollecties.

Eik Es Iep Beuk Grove den Zilverspar
-6000 tot 2000 -766 tot -669 -146 tot 117 744 tot 1149 1326 tot 1863 -111 tot 176
-224 tot 788 1397 tot 1686 598 tot 771
1023 tot 1332
1681 tot 1849

Hoe neem je een monster

  • Bij houten palen/bouwhout: een schijf van ongeveer 5 cm, liefst met spinthout en bast, op de plek van de grootste diameter.
  • Meerdere monsters van hetzelfde stuk hout, minimaal 60 ringen.
  • Bij voorkeur eik, daarnaast ook es, iep, beuk, zilverspar en grove den geschikt.
  • Artefacten in zijn geheel lichten en monstername aan specialist overlaten.
  • Verpak elk monster apart in een schone plastic zak.
  • Bouwhout in bewoond pand: gebruik holle boor of werk non-interventief mbv foto’s (zie ook: Informatieblad Monstername bij Dendrochronologie, Uitgave RCE/SIKB).
  • Spinthout voor het zagen niet te strak met brede tape omwikkelen en naast de tape zagen.

Combineren met andere methoden

Dendrochronologisch onderzoek levert een bijdrage aan het verfijnen van de 14C-calibratiecurve en hierop gebaseerde dateringen. Het onderzoek kan daarnaast bijdragen aan het vaststellen van herkomstbepalingen (wanneer de overeenkomst met een niet-lokale referentiekalender opvallend is bijvoorbeeld). Ten bate van vegetatiereconstructies kan dendrochronologie een aanvulling zijn op micromorfologisch onderzoek, palynologie, boommorfologie en overstromingsreconstructies.

Hoe interpreteer je de resultaten

Bij het dateren van houtresten of houten objecten wordt uiteindelijk (indien de jongste ring onder de bast aanwezig is) de kapdatum van de boom bepaald. Bij houten objecten wordt een marge aangegeven van de oorspronkelijk leefjaren van het hout. Een uitkomst is dan vaak: ‘dit object is in ieder geval niet ouder dan N jaren’. Soms wordt hout namelijk eerste gedroogd voordat het verder bewerkt wordt, waardoor er enkele jaren verschil kan zitten tussen een kapdatum en het gebruik van het hout. De belangrijkste reden is echter dat door de bewerking de jongste ring veelal ontbreekt.

Resultaten delen

Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen als primaire data in de basisrapportage te worden weergegeven, desnoods in een voetnoot of bijlage. Methode van monstername, methode van analyse, hoeveelheid monsters, de meetreeksen zoals die zijn ontwikkeld en eventuele overwegingen/aanpassingen of relativering van de data-precisie zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor de vergelijking met het onderzoek op vergelijkbare sites.

Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen als primaire data in de basisrapportage te worden weergegeven, desnoods in een voetnoot of bijlage. Methode van monstername, methode van analyse, hoeveelheid monsters, de meetreeksen zoals die zijn ontwikkeld en eventuele overwegingen/aanpassingen of relativering van de data-precisie zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor de vergelijking met het onderzoek op vergelijkbare sites. De specialist wordt geadviseerd resultaten zoals meetreeksen en dendrochronologische verslagen te archiveren in het dendrochronologische e-depot van DataverseNL.

Lees verder

  • Jansma, E., 2002: Veldhandleiding dendrochronologisch onderzoek. In: A. Carmiggelt & P.J.W.M. Schulten (eds.), Veldhandleiding archeologie; archeologie leidraad 1, CvAK, 111-114. Te raadplegen via www.sikb.nl
  • Jansma, E., 2006: 3. Dendrochronologie, Nationale Onderzoeksagenda Archeologie, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
  • Jansma, E., 2016: Richtlijn houtmonsters dendrochronologisch dateringsonderzoek. In: KNA Opgraven (landbodems) Protocol 4004, 67-68. Te raadplegen via www.sikb.nl
  • DataverseNL

Tekst: Yvonne Lammers

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 5 feb 2022 om 04:02.