Heidevelden (cultuurhistorisch beheer)

Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 24 aug 2023 om 03:03
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Heide in bloei. In de achtergrond staan bloeiende bomen met blauwe lucht erboven.
Afb 1. Prachtig bloeiende heide.
Zonsopgang bij de Wildenberg. Kale bomen en wat struiken vormen het landschap.
Afb 2. De oude handelsweg van De Wijk naar Balkbrug op de Wildenberg (Overijssel). Het hoogteverschil met de omgeving is opvallend. Hierdoor bleef de weg ook in het natte seizoen goed toegankelijk.
afgeplagde heide laat een oud pad zien. Het bestaat nu alleen uit aarde en wat sporen.
Afb 3. Een oud pad naar Norg (Drenthe) komt na afplaggen van de heide tevoorschijn.
Mensen verwijderen de afgehakte takken en stammen van grove den. Ze zijn omringd door nog staande dennen.
Afb 4. Vrijwilligers verwijderen grove den om ruimte te maken voor heide.
Bloeiende heide met bomen in de achtergrond. In de heide staan grazende koeien.
Afb 5. Bloeiende heide met koeien als beheerders.
Heideveld met jeneverbesstruiken. Ze hebben de vorm van een verfkwast en zijn zeker wel een paar meter hoog. Achter de struiken staat een bomenrij.
Afb 6 Drents heideveld met vitale Jeneverbesstruiken.
Aan de linkerkant is een schaapskooi te zien waar een kudde schapen net naar binnen wordt geloodst. Ernaast staan toeristen te kijken naar het spektakel.
Afb 7. Schaapskooi bij Dwingelderveld (Drenthe). Schapen helpen de heide onderhouden en zijn een mooie bezienswaardigheid.
Een grafheuvel met daarop bomen en eromheen paaltjes. De heuvel is te herkennen aan de duidelijke ophoging in het landschap.
Afb 8. Een grafheuvel is een prachtig archeologisch monument en goed te herkennen in het landschap.

Definitie, ouderdom en verspreiding

Heidevelden zijn terreinen met grotendeels uit heidesoorten bestaande vegetatie. In het landbouwsysteem maakte de heide samen met het aanwezige bos eeuwenlang deel uit van de zogenaamde ‘woeste grond’. Op die woeste gronden werd vee geweid en werden plaggen gestoken, waardoor de grond sterk verarmde. Op deze schrale grond verdween het van oorsprong aanwezige bos meer en meer en ontstond een heidevegetatie. De uitgestrekte paarse heidevelden van Nederland zijn dus geen natuurlijk verschijnsel, maar een gevolg van ingrijpen door de mens. In de 19e en vroege 20e eeuw zijn veel heidevelden ontgonnen als akker- en grasland. Kenmerk van deze ontginningen is een grootschalige rationele verkaveling. Ook zijn in deze tijd enorme lappen heide beplant met productiebos, meestal met dennen. Een groot deel van de huidige Nederlandse bossen vindt hier zijn oorsprong.

Door beweiding, branden en strooiselroof verdwenen al sinds de prehistorie de bossen. Er kwam een tamelijk open landschap van heide, gras, en struikgewas voor in de plaats. Deze heidegebieden werden vooral gebruikt om runderen en schapen te weiden en om plaggen te steken. In de loop van de tijd is het gebruik van heide steeds intensiever geworden. De grote aantallen schapen die in de late middeleeuwen voor de wol en in de nieuwe tijd voor de mest werden gehouden, maakten het landschap steeds uniformer, totdat de meeste heidevelden in de 19e eeuw volledig werden gedomineerd door struikheide. De heide verloor toen haar functie als schapenweide en delen van de heidevelden werden beplant met naaldbos (mijnhout), omgezet in cultuurland, of er kwam een natuurlijke successie op gang.

Heidevelden komen voor op plaatsen met een uitermate arme bodem. Op veel plaatsen in de wereld komen deze omstandigheden voor, soms van nature, maar vaak ook als gevolg van menselijk handelen. Het is een typische vegetatie die goed gedijd in streken waar een zeeklimaat heerst, met een hoge luchtvochtigheid en niet te warme zomers en geen strenge winters. In Nederland liggen de heidevelden op de hogere zandgronden en bij de restjes hoogveen. Hoogveen is erg arm en vochtig, wat een natte heidevegetatie oplevert. Op de zandgronden komt vaker droge heide voor. Droge en natte heide kunnen goed uit elkaar gehouden worden vanwege de verschillen in vegetatie. Kensoort van natte heide is dopheide, struikheide van droge heide. Op de Veluwe en in het noorden van Nederland komt op de drogere delen ook kraaiheide voor.

Op de heide zijn veel historisch-geografische en archeologische elementen te vinden, zoals celtic fields, oude karrensporen, grenswallen, urnenvelden en grafheuvels. De aanwezigheid van deze elementen is te danken aan het relatief extensieve gebruik van de heide en het niet aantasten van het bodemprofiel door boomwortels. Door slecht beheer van de heide (zowel gebrek aan onderhoud als verkeerd onderhoud) kunnen deze elementen ook beschadigd raken of verdwijnen.

Beheeropties

Behoud en consolidatie

De optie ‘niets doen’ betekent op vrij korte termijn het verdwijnen van de uitgestrekte weidse heidevelden: de heide zal vergrassen en de natuurlijke successie komt op gang. Een door mens gemaakt cultuurhistorisch landschap op de zandgronden gaat daarmee verloren. Ook verdwijnen de extreme omstandigheden die de heidevelden aantrekkelijk maken voor bepaalde planten- en diersoorten. Om de heide intact te houden is het nodig om te plaggen en/of begrazing in te voeren.

Door te plaggen worden overtollige voedingsstoffen afgevoerd en blijft de bodem te arm voor pijpestrootje. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met ongewenste bijwerkingen. Zo bestaat bij machinaal plaggen het gevaar dat aardkundig waardevol reliëf en archeologische waarden verloren gaan. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om resten van celtic fields, grafheuvels, oude karrensporen of ijzerkuilen. Microreliëf is ook van grote waarde voor diverse planten- en insectensoorten.

Ook fasering binnen een heidecomplex is van belang. Zowel uit ecologisch als uit esthetisch oogpunt is het gewenst dat telkens een deel van de heide wordt geplagd en niet alles ineens. Begrazing is een goede methode om de heide te laten verjongen en om opslag van bomen tegen te gaan. Schapen, maar ook geiten en runderen kunnen hierbij een functie vervullen. Verschillende schaapskooien herinneren aan dit beheer. Te intensieve begrazing kan negatieve gevolgen hebben voor de heide. Enerzijds kan de mest leiden tot bodemverrijking en vergrassing. Anderzijds kunnen flora en fauna er onder leiden en bestaat er risico op verstuiving.

Restauratie

Verruigde heidegebieden kunnen gerestaureerd worden door de bomen te kappen, de vegetatie te maaien en af te voeren en de bodem te plaggen. Na verloop van tijd zullen vanzelf de heideplanten opkomen, waarna een heidebeheer ingesteld kan worden.

Heideherstel vraagt om landschappelijke intensieve ingrepen. Recreanten en natuurliefhebbers kunnen het als erg negatief ervaren als natuurlijk bos gekapt wordt om plaats te maken voor heide. Vaak is het gefaseerd uitvoeren van de maatregelen een optie. Dit voorkomt een visuele kaalslag in het landschap. Echter waar zeldzame planten en dieren voorkomen, is het kappen van het bos niet wenselijk.

Reconstructie

Heidevelden die in het verleden ontgonnen zijn voor land- of bosbouw kunnen teruggebracht worden in de oude staat. In het geval van bosbouw is dezelfde methodiek toe te passen als bij restauratie, zij het dat er mogelijk herintroductie van voor heide kenmerkende soorten nodig is vanwege de lange afwezig daarvan.

Akker- of weidegebieden zijn aanzienlijk lastiger om te vormen tot heidevelden. Door de jarenlange aanvoer van (kunst)mest zijn de bodems verrijkt met fosfaat en stikstof. Voor heideontwikkeling dient dan de bovengrond afgegraven te worden.

Behoud door ontwikkeling

Heidevelden worden gezien als kenmerkende stukken natuur in Nederland en genieten veel waardering van natuurliefhebber, recreanten en beleidsmakers. Heidevelden zijn dan ook in trek als recreatiegebied. Niet alleen voor wandelend en fietsend publiek, maar ook voor sport en spel. Bijvoorbeeld voor vliegeraars en het laten vliegen van modelvliegtuigen. Daarnaast zijn enkele heidevelden in gebruik als militair oefenterrein. Tevens zijn heidevelden belangrijke vindplaatsen van cultuurhistorische relicten.

Beheerders van heidevelden kunnen meerdere van deze functies (gaan) combineren als ze rekening houden met de historische waarde van de heide. Zolang de bodem niet op de schop gaat en het gebruik niet al te intensief wordt, is medegebruik een goede methode om de heide een grotere waarde toe te kennen in de maatschappelijke context.

Een voorbeeld van reeds uitgevoerd beheer

“Als vrijwilligersgroep vormen we goede pr voor de beheersinstantie”

Delen van de Veluwe staan bekend om hun uitgestrekte heidevlakten. Staatsbosbeheer laat een groot deel van dit werk rond Kootwijk uitvoeren door vrijwilligersgroepen. Aart Buurma is coördinator van één van die groepen.

Over welke elementen hebben we het hier?

Wij beheren de heidecomplexen van Staatsbosbeheer rondom Kootwijk, waaronder het Kootwijkse Veld, de Regelbergen en de Hoog Buurlosche heide. Het grootste deel van de heide wordt niet begraasd, op een stuk van Hoog Buurlo na, waar een schaapskooi is.

Wat is de taakverdeling tussen Staatsbosbeheer en de vrijwilligers?

Wij zijn eigenlijk uitvoerders. Staatsbosbeheer is eindverantwoordelijke en bepaalt in principe de vorm van het beheer. Wij voeren dat uit, maar we doen ook aanbevelingen aan de hand van onze ervaringen. Zo hebben we inspraak. Op werkdagen komt er steevast iemand van Staatsbosbeheer langs om zijn betrokkenheid te tonen. Van Staatsbosbeheer kunnen we ook het nodige materiaal, gereedschap, zitbankjes en schaftwagen betrekken. Het is een gezellig sociaal gebeuren. Tijdens de pauze vertelt altijd wel iemand een verhaal over de heide en de natuur. Zo leer je nogal wat en raak je bewust welk doel het werken in de natuur dient.

Uit wat voor mensen bestaat de vrijwilligersgroep?

In de eerste plaats zijn er veel vutters en gepensioneerden, maar daarnaast ook een flink aantal jongere mensen met een kantoorbaan die in het weekend de handen uit de mouwen willen steken in de buitenlucht.

Zijn er ook andere partijen die deelnemen aan het beheer?

Als vrijwilligers kunnen we niet al het werk doen dat nodig is. Daarom wordt er ook beheerwerk uitbesteed, vooral aan gespecialiseerde bedrijven. Zij doen het grootschalige en grovere werk. Op deze manier houden wij tijd over voor afwisselend werk in uiteenlopende natuurgebieden. De ervaring leert dat wij het kleinschalig beheer zorgvuldiger uitvoeren.

Waaruit bestaan de werkzaamheden?

Onze grootste en belangrijkste taak is het weghalen van vliegdennen. Die blijven keer op keer terugkomen. Je moet dat werk dus in ieder open natuurterrein om de paar jaar doen. De kleintjes kun je er zo uittrekken of beter nog steken met de spade. De grotere dennen zagen we om. De wortels mogen blijven zitten, want de den zal niet opnieuw uitlopen. Hier en daar verwijderen we ook prunussen. Dit kost meer moeite, omdat die met wortel en al verwijderd moeten worden om uitlopen te voorkomen. Daarom wordt het vaak ook uitbesteed en machinaal gedaan.

Is het weghalen van opslag het enige werk dat jullie doen?

Nee, we doen ook veel andere dingen, vooral voor soortenbescherming. Zo maken we bijvoorbeeld plagplekjes voor reptielen. Op de stukjes zand gaan zij graag liggen zonnen. Bovendien maakt het de heide minder eentonig. We leggen soms stapeltjes hout weg als vlucht- en schuilplek voor dieren. Hier en daar laten we een heidevelden grove den staan voor bijvoorbeeld de roodborsttapuit en de sabelsprinkhaan. Van de Vlinderstichting horen we graag wat hun idee is over specifiek beheer voor het heideblauwtje en gentiaanblauwtje. Daarnaast beheren we korstmosvlaktes, zoals bij de Kathedraal van Radio Kootwijk. Hier komen ook weer veel zeldzame cladoniasoorten (korstmossen) voor. Ook deze terreintypen proberen we in stand te houden.

Zijn er nog specifieke elementen waar in het beheer rekening mee gehouden wordt?

Er liggen enkele grafheuvels op de heide. Deze liggen vrij van bomen en beheren we met de heide mee om ze open te houden. We hebben onlangs een ongeveer twee kilometer lange schapendrift van het dorp naar de hei open gemaakt. Deze was een beetje hol. In twee ochtenden hebben we de weg zelf en de randen vrijgemaakt van opslag.

Hebt u aanbevelingen?

  • Het is belangrijk om plezier te beleven aan het werk. Het is ook een sociaal samenzijn en je steekt er wat van op, buiten het feit dat het erg nuttig en waardevol werk is. Dat is een voordeel van vrijwilligerswerk boven uitbesteding denk ik. Beroepsmensen doen het toch vaker gewoon omdat ze er geld voor krijgen en niet omdat ze speciale affiniteit met het gebied of soorten hebben. Vrijwilligers hebben wat meer aandacht voor details, ze kunnen meepraten over het beheer vanuit hun opgedane natuurkennis en het werken in de praktijk.
  • Breng variatie aan in de werkzaamheden, zo blijft het interessant. Leg ook uit aan vrijwilligers en recreanten waarom beheermaatregelen gedaan worden. Zorg dat regelmatig een ander gebied en een ander type landschap onder handen genomen wordt.

Nader signalement

Van de middeleeuwen tot circa 1900 diende de heide in het landbouwsysteem als leverancier van voedingsstoffen voor de akkers. Dit gebeurde op meerdere manieren: weiden, maaien of plaggen steken.

De heidevelden werden met vee (vooral schapen) beweid. ’s Nachts en in de winter werd het vee op stal gezet. De mest van de schapen werd verzameld en diende ter bevruchting van de akkers. Het maaien kon op twee manieren gebeuren. Met een zeis of sikkel werd het plantaardig materiaal afgesneden. Dit diende als strooisel in de stallen, als wintervoer voor het vee of, bij oudere heide, als brandstof voor ovens. De andere methode was het maaien van de heide met inbegrip van de strooisellaag met een plaggenzicht of heidezicht. Deze bestond uit een houten steel met in een hoek van 90 graden scherpgeslepen metalen blad daaronder. Daarmee werd een zode afgemaaid. Deze plaggen werden voornamelijk in de potstal gebruikt als strooisel.

Het steken van plaggen gebeurde met een plaggenschop. Bij plaggen wordt een zandlaag mee afgestoken. Ook deze plaggen werden gebruikt in de stallen als strooisel. Deze zandhoudende plaggen die bij de mestbereiding gebruikt werden, zijn de belangrijkste oorzaak van de ophoging van de essen en engen. Na verloop van eeuwen zijn oude essen wel een meter hoger komen te liggen. Gemaaide plaggen van organisch materiaal droegen hier nauwelijks aan bij omdat die bijna volledig verteerden. Plaggen met weinig zand werden ook gebruikt als bouwmateriaal, bijvoorbeeld voor waterputten, schaapskooien en op de nok van boerderijdaken. Overigens verschilde de mate van toepassing van gemaaide of gestoken plaggen per regio, waardoor de essen maar ook de heidevelden per gebied een ander aanzicht zullen hebben gehad.

Door een té intensief gebruik van de heide zijn op verschillende plaatsen zandverstuivingen ontstaan. Dit werd vooral een probleem vanaf de 16e eeuw, al bestaan er ook oudere stuifzanden. Verstuiving vond met name plaats bij grotere bevolkingsconcentraties en op toch al arme dekzandgronden. Met name in Brabant en op de Veluwe kwamen stuifzanden voor. Naarmate de intensiteit van gebruik toenam, verliep de ontwikkeling van ‘woeste grond’ van bos, via kruidenvegetatie en heide naar stuifzand. In de loop van de tijd zullen heidevelden niet altijd een heidemonocultuur zijn geweest, maar lange tijd ook rijk begroeid met kruiden. De uitgestrekte paarse heide dateert hoogstwaarschijnlijk pas uit de 18e eeuw.

Maar er gebeurde meer op de heide. Zo werd er ook hout gesprokkeld en vond er hakhoutbeheer en zandwinning plaats. Het waren gemeenschappelijke gronden en men haalde eruit wat er in zat. Het algemene beeld is, dat ook juist dit relatief intensieve gebruik zorgde voor een open verstuivende heide.

Toen het belang van de natuurlijke mestproductie met de introductie van kunstmest eind 19e eeuw afnam, verminderde ook het nut van de heidevelden. Omdat deze gronden min of meer vrij kwamen lag de weg open voor nieuwe ontwikkelingen. Parallel aan de groeiende industrie werden grote oppervlakten heide beplant met bos, voornamelijk naaldbomen. Daarnaast werden er onder invloed van onder andere de Heidemij veel stukken heide ontgonnen voor landbouwproductie, wat dankzij de kunstmest geen probleem meer was op deze arme gronden. Op deze manier veranderde het weidse kenmerkende heidelandschap binnen 100 jaar in een meer gesloten en gecultiveerd complex van productiebossen en heideontginningen.

Stuifzand

Soms zijn heidegebieden zo intensief afgeplagd en beweid dat de beplanting geen kans kreeg om het zand vast te houden. Als dit eenmaal begon te stuiven, ontstonden er vaak grote zandverstuivingen. Op sommige plaatsen stoof het zand weg tot op het grondwater, op andere plaatsen werden heide en bouwland ondergestoven door dit zand. Vaak was het land nadien onbruikbaar, omdat de wind vat bleef houden op het zand en beplanting geen kans kreeg. Men probeerde de verstuiving tegen te gaan door aanplant van bomen en de aanleg van singels en wallen. Hierdoor zijn vooral in de 19e eeuw veel stuifzandcomplexen weer vastgelegd.

De huidige stuifzandgebieden in Nederland (het verschijnsel komt alleen voor op de zandgebieden van Noordwest-Europa) worden kunstmatig levend gehouden door opkomende begroeiing af te plaggen. Veelvuldige betreding van deze gebieden is gewenst om de verstuiving in stand te houden. De recreatieve aantrekkelijkheid van deze gebieden speelt daarbij in het voordeel van het stuifzand. De voornaamste cultuurhistorische waarde van stuifzand zit in het feit dat het door roofbouw van de mens ontstaan is. Vaak ook bedekken stuifzanden oude bodems en archeologische relicten, soms hele dorpen.

IJzerkuil

Zie hiervoor het beheermodel Delfstofwinning.

Jeneverbesstruweel

De gewone jeneverbes is een inheemse, struweelvormende plant van de droge zandgronden en duinen. Ze kwamen in heel Nederland op de heide voor, maar zijn momenteel in het zuiden van het land vrijwel verdwenen. In Drenthe en plaatselijk in Overijssel komen nog veel struwelen voor. Vanwege de bessen die ze leveren voor de jeneverbereiding werden ze gekoesterd. Bovendien deden er verhalen de ronde dat er goede geest in jeneverbesstruiken leefden. Hierdoor werden ze zelden gekapt. De jeneverbes is nu bedreigd doordat er nauwelijks jonge aanwas is. Naar de oorzaken daarvan vindt onderzoek plaats.

Schaapskooi

Een schaapskooi is een stal voor schapen. Lange tijd werd de daarin opgespaarde mest over het land verspreid. Hoewel deze stallen vaak nabij de boerderij stonden, lagen er ook veel midden op de heide, zodat de schapen niet telkens over grote afstand vervoerd hoefden te worden. Het vloeroppervlak van schaapskooien loopt meestal spits toe aan de uiteinden. Hierdoor kon de kudde beter gecontroleerd naar buiten komen. Schaapskooien zijn een herinnering aan de voormalige functie van de heide in de agrarische bedrijfsvoering. Ze zijn hier en daar opnieuw in gebruik genomen in verband met het beheer van de heide. Daarnaast hebben veel schaapskooien een nieuwe functie gekregen, bijvoorbeeld als bezoekerscentrum.

Wegen

Over de weidse heidevelden liepen belangrijke verbindingswegen, zoals Hessenwegen. Deze wegen zijn vanaf het begin van de 17e eeuw ontstaan en waren speciaal voor de zogenaamde Hessenwagens. Deze wagens van reizende kooplieden waren breder dan Nederlandse wagens, en hadden daarom andere sporen nodig. De wielen zouden de sporen van andere wegen kapot rijden. Daarom liepen die wegen vaak buiten de bewoonde wereld om, dus over de heide. Resten van karrensporen komen nog veel voor op de heide.

Celtic fields, grafheuvels en urnenvelden

Juist omdat heidegrond vaak relatief weinig verstoord is, komen er veel zichtbare en onzichtbare archeologische waarden voor als celtic fields (zie beheermodel Celtic fields) en grafheuvels en urnenvelden (zie beheermodel Grafheuvel en urnenveld). Het reliëf hiervan is relatief eenvoudig te herkennen. Vandaar dat de meeste bekende celtic fields op de heide liggen. Bij het beheer van de heide is het dan ook belangrijk op de eventuele aanwezigheid van deze archeologische waardevolle elementen gespitst te zijn. Het reliëf en bodemprofiel geven duidelijke aanwijzingen hiervoor. Het is van groot belang dat microreliëf niet verloren gaat door ondeskundig handelen. Plaggen is in dergelijke gevallen ten zeerste af te raden.

Ecologische waarden en potenties

Heidevelden hebben een bijzondere ecologische waarde, mogelijk dankzij het feit dat ze een nietnatuurlijk biotoop zijn. Door het ingrijpen van de mens zijn de omstandigheden namelijk extremer geworden, waardoor op de heide planten -en diersoorten voorkomen die daarvan profiteren. Voorbeelden zijn de heidekikker, het heideblauwtje en het gentiaanblauwtje met zijn waardplant klokjesgentiaan. Vele soorten die verbonden zijn aan heidebiotopen zijn bedreigd of verdwenen. Zo zijn de soorten als korhoen, grauwe klauwier, wolverlei, wilde tijm, heide kartelblad en grote wolfsklauw sterk bedreigde soorten en in grote delen van het land verdwenen.

Literatuur

  • Baas, H., e.a. (2005), Leestekens van het landschap : 188 landschapselementen in kort bestek. Landschapsbeheer Nederland, Utrecht.
  • Munkhof, P. van den (1991), Jeneverbessen: Levende herinneringen aan armoede en ellende. Natuurhistorisch maandblad 80. pp. 162-170; 191-195.
  • Smidt, J.T. de (1982), De Nederlandse heidevegetaties. KNVV, Hoogwoud (Wet. Med. 144, 2e druk)
  • Spek, T (2004), Het Drentse Esdorpenlandschap; een historisch-geografische studie. Utrecht.

Websites en organisaties

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 24 aug 2023 om 03:03.