Imitatieschilderingen - historie en betekenis

Introductie[bewerken]

Oplettende bezoekers van historische panden valt het soms op, het met verf geïmiteerde hout- en marmer op wanden of plafonds. Maar hoe zit dat nu precies met die geschilderde imitaties, hoe werden zij in de loop van de tijd toegepast en welke betekenis hebben zij?

Gemarmerde en gehoute kastenwand (ca 1650) met trompe l’oeil decoraties op de gehouten deuren, Pieterkerkgracht 9, Leiden
Afbeelding 00 - Gemarmerde en gehoute kastenwand (ca 1650) met trompe l’oeil decoraties op de gehouten deuren, Pieterkerkgracht 9, Leiden © Rene Gerritsen
Imitaties van siermetselwerk (ca 1300) in de Mariakerk te Krewerd
Afbeelding 01 - Imitaties van siermetselwerk (ca 1300) in de Mariakerk te Krewerd
Porfier imitatie op de achterzijde van het portret dat Jan van Eyck in 1439 schilderde van zijn vrouw Margareta
Afbeeldingen 02 - Porfier imitatie op de achterzijde van het portret dat Jan van Eyck in 1439 schilderde van zijn vrouw Margareta © Musea Brugge, fotograaf Hugo Maertens
Foto van een bouwsculptuur Sint Maartenskerk Doorn
Afbeelding 03 - Bouwsculptuur Sint Maartenskerk Doorn © RCE Kris Roderburg 2013
Grof geschilderde houtimitatie op een balk afkomstig uit Verwerstraat 7 in Den Bosch
Afbeelding 04a - Grof geschilderde houtimitatie op een balk afkomstig uit Verwerstraat 7 in Den Bosch. © SRAL 2015
Beschilderd houten plafond (tweede helft 17de eeuw) versierd met moresken op een licht geel fond met kronkelige lichtbruine kronkelige penseelstreken
Afbeelding 04b - Beschilderd houten plafond (tweede helft 17de eeuw) versierd met moresken op een licht geel fond met kronkelige lichtbruine kronkelige penseelstreken. Sommige mensen zien er marmeradertjes in, maar mogelijk gaat het om een nabootsing van op dat moment gewild - maar schaars geworden - eiken wagenschot. Lichte Gaard 13 Utrecht © RCE Bardet 1985
Een laat zestiende-eeuws balkenplafond met geschilderde decoraties van rolwerk en vruchten op een achtergrond voorzien van een houtimitatie
Afbeelding 04c - Een laat zestiende-eeuws balkenplafond met geschilderde decoraties van rolwerk en vruchten op een achtergrond voorzien van een houtimitatie. Rusland/Oudezijds Achterburgwal Amsterdam © RCE Chris Booms 2017
Beschilderd balkenplafond (eerste helft zeventiende eeuw) met rolwerk en gemarmerde panelen in Huis ten Bosch in Maarssen
Afbeelding 05 - Beschilderd balkenplafond (eerste helft zeventiende eeuw) met rolwerk en gemarmerde panelen in Huis ten Bosch in Maarssen. © RCE Chris Booms 2019
De goudleerkamer (1686) uit het huis De Rozijnkorf in Dordrecht opgesteld in Museum Simon van Gijn
Afbeelding 06a - De goudleerkamer (1686) uit het huis De Rozijnkorf in Dordrecht opgesteld in Museum Simon van Gijn. © B. Crijns.
Detail van de goudleerkamer (1686)
Afbeelding 06b - Detail van de goudleerkamer (1686) uit het huis De Rozijnkorf in Dordrecht © B. Crijns.
Detail van een gehoute deur, Trompenburg, 's-Gravenland
Afbeelding 07 - Detail van een gehoute deur, Trompenburg, 's-Gravenland, A.J. van der Wal 2003.
Allegorie op de Wetenschappen, een uit een serie van vijf grisaillen op doek
Afbeelding 08 - Allegorie op de Wetenschappen, een uit een serie van vijf grisaillen op doek geschilderd door Gerard de Lairesse in opdracht voor Philips de Flines. Van dichtbij is te zien hoe subtiel en trefzeker de marmering onderdeel uitmaakt van de grisaille © Rijksmuseum
Baccante door Jurriaan Andriessen geschilderd voor het gesloopte pand Keizersgracht 187
Afbeelding 09 - Baccante door Jurriaan Andriessen geschilderd voor het gesloopte pand Keizersgracht 187. © Rijksmuseum
Reconstructie van de bij restauratie aangetroffen houtimitatie uit de achttiende eeuw in de zaal van het Amsterdamse Huis van Briene
Afbeelding 10 - Reconstructie van de bij restauratie aangetroffen houtimitatie uit de achttiende eeuw in de zaal van het Amsterdamse Huis van Briene. De hoeken van het beschilderd linnen zijn door Dirk Dalens III in 1733 trompe l’oeil beschilderd als marmeren nisssen. © M. Svensson 2004.
Plankje van een kerkbank uit de kerk in Oene met een oranje gekleurde afwerking (midden van de negentiende eeuw)
Afbeelding 11 - Plankje van een kerkbank uit de kerk in Oene met een oranje gekleurde afwerking (midden van de negentiende eeuw)
Staphorter of Rouveen interieur met grenen imitatie
Afbeelding 12 - Staphorter of Rouveen interieur met grenen imitatie
Wortelwerk, verwijst vermoedelijk naar wortelhout of warrelknoesthout, een stuk hout uit een tumorachtig warrig gegroeide boomstam met een uitgesproken tekening
Afbeelding 13 - ‘Wortelwerk’ verwijst vermoedelijk naar wortelhout of warrelknoesthout, een stuk hout uit een tumorachtig warrig gegroeide boomstam met een uitgesproken tekening. Een paneel beschilderd met rood wortelnoten à livre ouvert in het midden, onder en boven essenwortel en de zijflanken palmnoten door Jan Berghuis jr.
AKleasterwei 1 Veenklooster, Stucco-lustro marmering op de wanden
Afbeelding 11 - AKleasterwei 1 Veenklooster, Stucco-lustro marmering op de wanden © RCE A.J.. van der Wal
Kleurentrap met diverse houtimitaties uit verschillende perioden, op de binnenzijde van de voordeur van Museum Willet Holthuysen in Amsterdam
Afbeelding 15 - Kleurentrap met diverse houtimitaties uit verschillende perioden, op de binnenzijde van de voordeur van Museum Willet Holthuysen in Amsterdam. © Leonieke Polman 2013
Expressieve imitaties op de schouw in het Nijsinghhuis te Eelde
Afbeelding 16 - Expressieve imitaties op de schouw in het Nijsinghhuis te Eelde © RCE 1941
Foto van de negentiende eeuw gemarmerde deuren in de bibliotheek van het Trippenhuis
Afbeelding 17 - De negentiende eeuw gemarmerde deuren in de bibliotheek van het Trippenhuis © RCE
Marmering loopt door op betimmering en stucco-lustro pleisterwerk
Afbeelding 18 - Marmering loopt door op betimmering en stucco-lustro pleisterwerk. Putten Oldenaller © E. Koldeweij , Oldenaller
Drie verschillende marmerimitaties op het beschilderd linnen behangsel en de schouwboezem en een echt marmeren schoorsteenmantel in de Pastorie in Kockengen
Afbeelding 19 - Drie verschillende marmerimitaties op het beschilderd linnen behangsel en de schouwboezem en een echt marmeren schoorsteenmantel in de Pastorie in Kockengen © M. Svensson 2004
Natuusteenimitatie met kram op de lambrisering in de Oranjezaal (ca 1650) van Huis ten Bosch
Afbeelding 20 - Natuusteenimitatie met kram op de lambrisering in de Oranjezaal (ca 1650) van Huis ten Bosch © Galen, P. van, Dukker, G.J. 1999
Verscholen portret in de marmering onder het orgel in de Oude Kerk in Amsterdam.
Afbeelding 21 - Verscholen portret in de marmering onder het orgel in de Oude Kerk in Amsterdam. © Bernice Crijns 1998
Diverse kwasten en penselen voor het schilderen van St. Remy marmer: chiqueteur of dopkwasten, daskwast, slechtkwast, marterpenseel en platte en ronde Lyonse kwasten
Afbeelding 22 - Diverse kwasten en penselen voor het schilderen van St. Remy marmer: chiqueteur of dopkwasten, daskwast, slechtkwast, marterpenseel en platte en ronde Lyonse kwasten © Gebr. A.R. & P. van der Burg, Handleiding tot de methode van het hout- en marmerschilderen, 1876.

Soorten imitaties en hun toepassing

Zulke schilderingen zijn te vinden op gebruiksvoorwerpen en gevel- en interieuronderdelen. Meestal hout- of marmerimitaties, zoals eiken, mahonie, wit marmer en vert de mer (een groene marmersoort), maar ook schildpad- en steenimitaties komen voor. Ze zijn aangebracht op uiteenlopende ondergronden zoals hout, metaal, papier, textiel, stucwerk en steen. Vaak bootsen de schilderingen een duurder materiaal na zoals marmer, op een goedkopere ondergrond. De imitatie kan een realistische kopie van het natuurlijke materiaal zijn, of een meer naïeve weergave. Ook ruimtelijke en architectonische elementen worden nagebootst, bijvoorbeeld koepels en zuilen, om een driedimensionale illusie te bereiken: de trompe l’oeil. Imitatieschilderingen zijn doorgaans het werk van de ‘klad- of grofschilder’, zoals de decoratieschilder tot het begin van de twintigste eeuw wordt genoemd, als tegenhanger van de ‘kunst- of fijnschilder’. De imitaties worden niet altijd toegepast uit zuinigheid.

Historie

Het decoreren met imitaties is van alle tijden. Zelfs op mummiekisten zijn imitaties van houttekening aangetroffen. Uit lang vervlogen tijden kennen we ook geabstraheerd geschilderde marmersoorten, zoals op Etrurische, Romeinse en romaanse architectuuronderdelen.

In Nederland komen de oudste imitaties voor op de gepleisterde wanden en gewelven van romaanse kerken in het noorden. Geen exotische marmerimitaties maar geschilderde baksteenpatronen (zie afbeelding 01).

Iets later treffen we op lijstwerk van middeleeuwse altaarstukken en muurschilderingen weldegelijk imitaties van marmer aan. Ook de achterkanten van schilderijen op paneel zijn ermee opgesierd, vaak meerdere marmersoorten naast elkaar. Vooral het rode porfier is populair. De vroegste voorbeelden kennen we uit Bohemen, al voor in de veertiende eeuw, en in de Nederlanden vanaf circa 1430. Voorbeelden zijn zichtbaar op de lijsten en achterkanten van de werken van kunstenaars zoals Jan van Eyck en Jeroen Bosch (zie afbeelding 02).

1500-1600

Zestiende-eeuwse drieluiken uit de Lage Landen tonen in dichte toestand natuurgetrouwe steen- of marmerimitaties, soms in combinatie met grisailles, wapenschilden of teksten. Ook de polychromie (veelkleurigheid) op houten of stenen sculpturen kan sporen van marmerimitaties vertonen zoals een vroeg voorbeeld uit circa 1525. Fragmenten van een beeldengroep zijn gevonden onder de vloer van de Maartenskerk in Doorn, waar ze na de Beeldenstorm zijn begraven. De unieke polychromie is hierdoor bewaard gebleven en een oplettend oog herkent in de zwarte veeg op het groengrijze fond een adering (zie afbeelding 03).

Vooral van marmerimitaties bestaan vroege voorbeelden. Houtimitaties uit de renaissance zijn schaars, maar bestaan wel degelijk. Dat zien we met name bij interieuronderdelen die langere tijd aan het zicht onttrokken zijn geweest, zoals oudere schilderingen boven een later aangebracht plafond. Beschilderde balkenplafonds uit de tweede helft van de zestiende eeuw tonen veelal geabstraheerde, naïeve weergaven van een houttekening, zoals in de Verwerstraat in Den Bosch, Lichte Gaard in Utrecht en Oude Zijds Achterburgwal/Rusland in Amsterdam (zie afbeelding 04).

1600-1700

Het plafond met gemarmerde velden in het Huis ten Bosch te Maarssen dateert hoogstwaarschijnlijk van 1629. In dat jaar laat de eigenaar dit huis in classisistische stijl verbouwen, vermoedelijk door de architect en kunst- en decoratieschilder Jacob van Campen (zie afbeelding 05).

In de loop van de zeventiende eeuw krijgen imitatieschilderingen een meer natuurgetrouw voorkomen. Maar niet altijd, getuige de relatief grof gemarmerde afwerking van 1686 op de betimmering van de goudleerkamer van het voormalige Dordtse pand De Rozijnkorf. Deze kamer staat tegenwoordig opgesteld in Museum Simon van Gijn (zie afbeeldingen 06a en 06b).

Ook de houtimitatie op de deur van de buitenplaats Trompenburgh in ’s-Graveland lijkt weinig realistisch. De beschildering dateert van 1675-1684 en komt tijdens een restauratie tamelijk ongeschonden achter een voorzetwand tevoorschijn. Vermoedelijk gaat het om een imitatie van olijfoesterhout, een populaire houtsoort in die tijd (zie afbeeldingen 07).

In dezelfde periode komen wel meer realistische imitaties voor. Zo schildert Gerard de Lairesse gemarmerde grisailles in de met echt marmer beklede voorportalen van Amsterdamse grachtenpanden. Hij creëert tussen 1675 en 1683 bijvoorbeeld een reeks van vijf interieurstukken voor het huis Messina aan de Herengracht (zie afbeeldingen 08).

1700-1800

In de tweede helft van de achtiende eeuw zijn de ‘witjes’, vernoemd naar de schilder Jacob de Wit, en andere trompe l’oeil schilderingen nog altijd in zwang. Deze versterken de architectonische vormentaal, zoals te zien is aan de neoclassicistische behangselschildering met bacchante, door Jurriaan Andriessen geschilderd in 1786 voor het gesloopte Amsterdamse pand Keizersgracht 187 (zie afbeelding 09).

In het midden van de achtiende eeuw zijn donkere, roodbruine, houten rococo-interieurs in de mode, en zo ook de geschilderde variant. Aan het einde van zijn carrière publiceert kladschilder Lambertus Simis zijn kennis van het ambacht. Dankzij hem weten we veel de gebruikte kleuren in dit tijdvak. Hij schrijft dat toendertijd de meest voorname vertrekken en zalen van een nieuwe techniek, ‘gladhouten’ werden voorzien. Wat hij omschrijft als een houtimitatie afgewerkt met een ‘goede barnsteenlak’. Het donkerkleurige gladhout wordt niet alleen op betimmering maar ook op plafonds toegepast. Vermogende opdrachtgevers combineren gladhout met bladgoud op kraalprofielen en snijwerk. Hoewel het zijn hoogtepunt rond 1760 beleeft, duurt het volgens Simis lang voor gladhout uit de zalen en voorname vertrekken verdwijnt (zie afbeelding 10).

In eerste instantie is Frans notenhout geliefd om na te bootsen. Spoedig volgen andere fijnporige donkerrode houtsoorten zoals amboina, en wat later mahonie en olijvenhout. Als gladhout ook bij de burgerstand en de ‘gewone man’ in zwang raakt, schuiven de rijkere lui het meer en meer terzijde. In plaats van donkerrode en bruine houtkleuren komen lichtolijf-, ceder-, rozen- en andere lichte houtsoorten op, volgens Simis niet gecombineerd met vergulde maar met doorgaans bruin geschilderde profiellijsten. Hij beschrijft dat het korte tijd mode is om alles nog ‘heel licht en flauw zonder de minste uitmonstering’ te beschilderen. Daarna kom je houtingen vooral nog tegen in hallen en gangen met een lichte kleur van nieuw of geolied eikenhout op met name deuren en kozijnen. De leuningen van trappen krijgen een donkerrode of mahoniehouten kleur en vaak ook de traptreden, maar die zijn soms gemarmerd net als de wand of de lambrisering.

1800-1900

Volgens Simis blijft een ‘matig donker’ of roodbruine gladhouten afwerking aan het begin van de negentiende eeuw gebruikelijk voor keukens en vertrekken waar veel gestookt wordt. Voor gangen en voorhuizen is dan juist licht eiken in de mode. Een alternatief is het aanbrengen van een rode of bruine sauslaag over nieuw en onbeschilderd hout, dat vervolgens wordt afgelakt. Dankzij kleuronderzoek zijn meerdere oranjebruine voorbeelden uit circa 1840 ontdekt op onder andere de houten banken van de kerk in Oene en op de orgelkas van de doopsgezinde kerk in Almelo. Ook in winkels en voorhuizen en in huurwoningen blijft gladhout schilderwerk geliefd, omdat het tegen een stootje kan door de lak, die de afwerking sterk en duurzaam maakt. (zie afbeelding 11).

Aan het eind van de negentiende eeuw zijn imitaties nog volop in zwang. Een bijzonder voorbeeld is de geschilderde hardsteenimitatie lambrisering in de hal van het stadhuis van Maastricht met imitatiefrijnwerk. Of neem de schildpadimitatie die belegd lijkt met messing (Boulle-marqueterie) in het universiteitspand Drift 23 in Utrecht.

Met name in de negentiende eeuw lijken decorateurs specifieke stijlen en daarbij passende decoraties te gebruiken voor bepaalde vertrekken. Zo is een eetkamer vaak uitgevoerd in oud-Hollandse stijl met al dan niet een geïmiteerde eikenhouten betimmering. Gaandeweg verandert de smaak en hechten mensen steeds meer aan het natuurlijke materiaal, waardoor interieurs van hun geschilderde afwerkingen worden ontdaan en veel imitaties verdwijnen.

1900-1945

Imitaties raken in de loop van de twintigste eeuw langzaam maar zeker uit de mode maar worden aan het begin nog veel toegepast. In de art nouveau en art deco perioden komen imitaties van exotische houtsoorten (teak, esdoorn, ebben) en edelstenen (onyx en lapis lazuli) in de mode. Vele huisschilders uit die tijd zijn bedreven in het imiteren van eiken, teak, pallisander, witmarmer, napoleon en vert de mer. Zo zijn bijvoorbeeld deuren van de twintigste-eeuwse bouwblokken in Amsterdam Zuid nogal eens van een teakimitatie voorzien. En in de gangen van vroeg-twintigste-eeuwse woningen kom je grenenimitaties veelvuldig tegen (zie afbeelding 12).

Na 1945

In en na de Tweede Wereldoorlog is er een tekort aan allerhande materialen, ook verf. Rijkere afwerkingen zoals imitaties zijn in die periode schaars. Na de oorlog neemt de beschikbaarheid van kant-en-klare verfproducten toe, wat met de opkomst van de doe-het-zelf cultuur leidt tot afkalving van het schilderambacht. Met het verdwijnen van het specialisme imitatieschilderen uit het curriculum van de huis- en decoratieschilder neemt de toepassing in de loop van de twintigste eeuw af. Bij monumenten blijven imitaties wel gangbaar. Het lijkt erop dat de termen ‘restauratietechnieken’ en ‘restauratieschilder’ hier uit voortkomen, voor respectievelijk de imitatietechnieken en de schilder die gespecialiseerd is in het nieuw schilderen van oude decoratieve technieken zoals imitaties. Vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw groeit de populariteit van imitatieschilderingen als huisdecoratie weer een tijdje bij een groter publiek. Dit voorkomt de teloorgang van het ambacht en bevorderd de overdracht van de ambachtelijke kennis aan volgende generaties.

Soorten imitaties

Door de eeuwen heen is er een grote verscheidenheid aan imitatieschilderingen. We lichten er vier uit.

Arabiën en gladhouten

Lambertus Simis vertelt dat het gladhouten als een nieuwe techniek rond 1740 is uitgevonden. Dit zou afwijken van de oudere techniek, die Simis ‘arabiën’ en ‘wortelwerk’ noemt, waarbij de schilder een varkensblaas in de verf rolt. Die verf kan verschillende kleuren hebben, waaronder blauw (zie afbeelding 13).

Schildpadimitatie

Het decoratieve patroon van het schildpadschild is veelvuldig geïmiteerd op lijsten en gebruiksvoorwerpen, maar ook op kamerbetimmeringen. Een rijk voorbeeld is het in het laatste deel van de zeventiende eeuw geschilderde chinoiserie vertrek in Slot Rosenburg in Kopenhagen, een staaltje vakmanschap van de uit de Nederlanden afkomstige decoratieschilder François de Bray. Een ander mooi voorbeeld is de Japanse kamer (1720-1770) in chinoiseriestijl uit het voormalige huis Buitenrust, nu onderdeel van de collectie van het Haags Gemeentemuseum. Op de lambrisering is op een rood fond een schildpadimitatie aangebracht. Dit in combinatie met op oosters lakwerk geïnspireerde wanden in zwart, goud en rood met glinsterende strooiglas- en goudleerpanelen.

Bezanding

Ook aan de buitenkant van panden zijn imitaties aangebracht om de architectonische uitdrukking te versterken. Tijdens de restauratie van Kasteel Amerongen komt bij kleuronderzoek een zandsteenimitatie tevoorschijn op een houten kozijn dat dateert uit 1673, het jaar waarin het kasteel is herbouwd, nadat het door Fransen was platgebrand. Vergelijkbare imitaties, waarbij zand in de natte verflaag is gestrooid, zijn dankzij kleurhistorisch onderzoek teruggevonden aan de buitenkant van het Capitool, een ‘folly’ (namaakruïne) in 1818 ontworpen door J.D. Zocher jr voor buitenplaats Schaep en Burgh in ’s-Graveland. Houten lijsten en ornamenten op de gevels van het Victoriahotel uit 1890 tegenover station Amsterdam Centraal en het Hoofdgebouw van Artis aan de Plantage Middenlaan waren ook voorzien van bezandingen, die samen met echt zandstenen bouwdelen of de portlandcementen pleisterwerk de indruk moet wekken van een echt natuurstenen gebouw.

Stucco-lustro marmertechniek

Historisch gezien wordt een zeer gladde kalkhoudende pleisterlaag ‘stucco-lustro’ genoemd. Deze gladde pleisterlaag kan eveneens van geschilderde aders zijn voorzien. Net als bij de frescotechniek schildert de decoratieschilder de aders op een verse pleisterlaag. Vaak gebeurt dit met verdunde Oost-Indische inkt. Deze techniek vereist een grote vaardigheid om de ader trefzeker op te zetten; het moet in één keer raak zijn in tegenstelling tot en marmering in olieverf. Deze marmertechniek is bij kleuronderzoek aangetroffen in Museum Meermanno en de Sterrewacht in Leiden. Onder andere in Fogelsanghstate in Veenklooster en Raadhuis de Paauw in Wassenaar is deze afwerking nog in het zicht te bewonderen (zie afbeelding 14).

Cultuurhistorisch belang

Imitaties zijn altijd verbonden met het gebouw waarvoor ze zijn bedacht, en maken zo deel uit van de monumentale waarde van het pand. Soms beperkt de imitatie zich tot een bouwonderdeel, vaker maken de schilderingen deel uit een samenhangend decoratieschema in architectuur en soms zelfs meubels. De imitatie kan de eerste en enige geschilderde afwerking zijn, of er zijn in de loop der tijd meerdere imitaties over elkaar heen aangebracht (zie afbeelding 15).

Imitaties zijn bedoeld om de aankleding van een object, interieur of gebouw te verfraaien en gelijkertijd dienen ze als onopvallende achtergronddecoratie. De meest eenvoudige imitaties zijn overigens de egaal grijs, oker of bruin geschilderde gevelonderdelen, kleuren die respectievelijk hardsteen, zandsteen en hout moeten voorstellen.

De oudst bekende Nederlandse voorbeelden treffen we aan in romaanse kerkjes en op paneelschilderkunst. Ze zijn in alle periode zeer uiteenlopend toegepast. Hedendaagse imitaties zijn soms geschilderd met acrylverf, met name ingegeven door aangescherpte wet- en regelgeving voor oplosmiddelhoudende verven. Hoewel oude technieken in lijm- of kalkverf hier ook aan voldoen. Kennis over waar, waarom, wanneer, hoe en door wie de imitaties zijn toegepast geeft betekenis aan de imitatie. Al die facetten helpen de imitaties te waarderen en er zorgvuldig mee om te gaan. Niet alleen fraaie meesterstukjes maar ook de meer boerse of naïef geschilderde imitaties kunnen waardevol zijn (zie afbeelding 16).

Waarom kiezen voor imitatie?

De redenen om te kiezen voor dit type decoratieve afwerking variëren, en datzelfde geldt voor de plek waar de imitaties zijn toegepast.

Mode

Bepaalde materiaalsoorten worden veelvuldig geïmiteerd in de periode waarin zij verkrijgbaar en in de mode zijn – ter vervanging of direct naast het echte materiaal. Eikenhout is vooral in trek in de middeleeuwen, met een grote vraag aan het einde van de zestiende eeuw en aan het einde van de negentiende eeuw. Pallisander, ook bekend onder de naam sakerdaan, wordt naast notenhout veel toegepast tijdens het Hollands classicisme. Het is aangetroffen op een afgetimmerd zeventiende eeuws luik in het Paleis op de Dam in Amsterdam. Roodbruine houtsoorten zijn duidelijk in zwang in het midden van de achttiende eeuw. Lambertus Simis beschrijft in zijn schildershandboek de opeenvolgende modes van houtsoorten.

Verkrijgbaarheid en kosten

Soms is een materiaal in Nederland relatief moeilijk verkrijgbaar vanwege schaarste, oorlogen of handelsembargo of omdat het materiaal van ver moet komen. Het kan een reden zijn om voor een imitatie in verf te kiezen. Toch is het materiaal ook nagebootst in landen waar het volop verkrijgbaar was, zoals marmer in Italië en Griekenland. Een andere reden kan zijn dat het echte materiaal niet meer leverbaar was. Denk aan marmersoorten waarvan de groeven uitgeput raakten, zoals jaune de sienne en rouge royal.

Het lijkt voor de hand te liggen dat financiële motieven een rol spelen in de keuze voor een geschilderde imitatie van een kostbaar materiaal, immers arbeidskracht was relatief goedkoop. Toch blijkt dat in zeer rijke interieurs weldegelijk imitaties terug te vinden zijn, zoals Paleis Het Loo in Apeldoorn en Paleis Huis ten Bosch in Den Haag.

Geschiktheid

Naast kosten en de mate van verkrijgbaarheid moeten er dus andere beweegredenen zijn voor het gebruik van geïmiteerd materiaal. Zo heeft een geschilderde variant als voordeel dat het eenvoudiger schoon te houden is dan het poreuze kale hout of marmer. Veel utilitaire ruimten zoals trappenhuizen en keukens zijn gehout. In het trappenhuis van Amsterdamse grachtenpanden is vaak op de belangrijkste etages echt marmer en op de hoger gelegen verdieping geschilderd marmer toegepast.

Bovendien geven geschilderde imitaties de bouwkundige vrijheid objecten na te bootsen die in het echte materiaal lastiger te realiseren of niet functioneel zijn, zoals gemarmerde plafonds, deuren of meubelen en zware bouwmaterialen op een drassige bodem (zie afbeelding 17).

Ideaalbeeld

Het nabootsen van de natuur loopt als rode draad door de eeuwen heen. In de schilderkunst is dit veel toegepast en zeer gewaardeerd, zeker vanaf de renaissance. Pas aan het eind van de negentiende eeuw gaan mensen het natuurlijke materiaal waarderen. In de periode ervoor is het gangbaar bouwmateriaal te verhullen om het te ‘verheffen’. Het echte materiaal is niet perfect, het geschilderde equivalent wel: egaal van kleur met de fraaiste tekening en compositie, aangepast aan de wensen van de opdrachtgever. Zo worden gevels van onregelmatige baksteen of natuursteen bewust afgewerkt als een perfect geschilderde bekleding.

Bovendien biedt imitatie de mogelijkheid iets te schilderen wat in de echte natuur niet voorkomt. Een materiaal kan fraaier worden uitgevoerd dan het in werkelijkheid is. Zoals een zeer rijke houtimitatie in Ham House in Richmond Engeland, uitgevoerd op een ondergrond van bladgoud. Of het uiterlijk van het materiaal is geabstraheerd, zoals de marmering op een schouwpartij in de rechtervoorkamer van het voormalige raadhuis, het Nijsinghhuis, in Eelde (zie afbeelding 18).

Groter geheel

Imitaties maken doorgaans deel uit van het totale decoratieschema. Ze kunnen de vormentaal van de architectuur versterken. Soms lopen de imitaties van de textiele wand over op de omringende betimmering of gestucte schouwboezem. Dit is zichtbaar in de afwerking uit 1802 van de voorkamer in de pastorie in Kockengen (zie afbeelding 19).

Dat een ogenschijnlijk eenvoudige imitatie een enorme verbeeldingskracht kan bezitten, is te zien in de Oranjezaal van Huis ten Bosch. Een als zandstenen blokken geschilderde lambrisering ‘barst’ onder het gewicht van de Nijd die in de voorstelling erboven is weergegeven samen met de Triomf van Frederik Hendrik van Oranje. Een geschilderde kram houdt het fundament bijeen, terwijl de Nijd vermorzeld wordt door Frederik Hendrik, de ‘stedendwinger'. De imitatie is onderdeel van de symboliek die de heldendaden van de prins van Oranje verheerlijkt (zie afbeelding 20).

Artistieke waardering

Tot slot is er veel waardering voor het artistieke vermogen van de imitatieschilder om de natuur te verfraaien, te evenaren en zelfs te overtreffen. Rond het midden van de zeventiende eeuw wordt de Haagse Michiel Soetens geroemd om zijn op linnen geschilderde marmerimitaties. Ze zouden zelfs concurreren met de kostbare goudleren behangsels. Arnold Houbraken schrijft aan het eind van zijn leven, begin achttiende eeuw, over kunstenaars uit zijn tijd. Daarbij noemt hij Gerard de Lairesses gemarmerde bas-reliëfs, die zo natuurlijk overkomen dat ze voor gebeeldhouwde marmeren platen worden aangezien. Ook Simis noteert dat het geschilderde gladhout dikwijls een hoger aanzien geniet dan het natuurlijke materiaal. In de negentiende eeuw blijkt de waardering voor dit type schilderwerk uit de vele wedstrijden in dit ambacht tijdens de (inter)nationale kunstnijverheidstentoonstellingen. Rond de jaren 1840 besluit de absolute topper op dit gebied, de Britse Thomas Kershaw, zijn carrière als fijnschilder te beëindigen en zich definitief toe te leggen op imitaties, waarmee hij zo veel lof oogst. Zijn kladschilderkunsten leveren hem geen windeieren op. Hij sterft als multimiljonair. Prijswinnende panelen van Kershaw maken tegenwoordig deel uit van de museale collecties van onder andere het Victoria and Albert Museum in Londen.

Kladschilder

Het schilderen van hout- en marmerimitaties en andere oogbedriegende decoraties maken van oudsher onderdeel uit van het schilderambacht. Zij zijn het domein van de decoratieschilder, een specialisatie in het schildersambacht. Tegenwoordig wordt de decoratieschilder cq. kladschilder ook wel sier- of restauratieschilder genoemd. Het is uitzonderlijk als een imitatie aan een bepaalde schilder kan worden toegewezen – de meeste zijn anoniem. Eigenlijk is dat vreemd. Want het mag dan een ambacht zijn, het wordt – ook vandaag de dag – als kunstig gezien dat hij het kale materiaal weet te evenaren of zelfs te overtreffen. De imitatieschilder kan als het ware toveren met zijn penseel. Om die reden staan schilders af en toe bij naam genoemd in oude bronnen. Van het eind zeventiende-eeuwse werk van Willem van Nijmegen is Nicodemus Tessin tijdens zijn reis door Nederland zo onder de indruk, dat hij in zijn verslag optekent dat hij, qua marmersoort en glans, nooit eerder zo’n geslaagde marmering zag. Een andere in de bronnen vermelde schilder is de Vlaams-Haagse Mathieu Dubus die halverwege de zeventiende eeuw als zogenoemde kamerschilder werkt voor het stadhouderlijk hof in Paleis Noordeinde in Den Haag, Huis ter Nieuburch in Rijswijk en Kasteel Buren in de Gelderse ‘Oranjestad’. Van oudsher laten imitatieschilders wel hun signatuur in de vorm van een grapje in de imitatie achter – vaak een trompe l’oeil, zoals een verroeste spijker of vliegje. Ze vallen de argeloze voorbijganger niet op, maar zijn een aangename verrassing voor de alerte kijker en aandachtige onderzoeker van de schilderkunstige technieken. Zo komt de beschouwer in de Oude Kerk in Amsterdam links onder het orgel plotseling oog in oog te staan met het zelfportret van de imitatieschilder uit de jaren 1970 (zie afbeelding 21).

Van gilde tot nu

Tot 1800 ligt de verantwoordelijkheid voor de opleiding in het schildersvak bij een leermeester en het Sint Lucasgilde, dit geldt voor beide klad- en fijnschilders. Na het opheffen van de gilden raakt het ambacht in verval. In de loop van de negentiende eeuw spelen handboeken een steeds grotere rol in de kennisoverdracht – ook over de decoratieve schildertechnieken. Dit gaat hand in hand met de oprichting van (avond)tekenscholen, later respectievelijk de ambachtscholen, de lagere technische school (lts) en het voorgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). De techniek van het houten en marmeren verdwijnt bij onderwijshervormingen na 1945 geleidelijk uit het lespakket. Particuliere initiatieven, zoals de Studieclub Schilders, de oud-leerlingenvereniging van Nimeto in Nederland en in België het Institut Supérieur de Peinture van der Kelen en de School voor Fijnschilders A. Meylemans, zorgen dat het ambacht niet in de vergetelheid raakt en de huidige roc’s (regionale opleidingscentra) en mbo-vakscholen besteden er inmiddels weer aandacht aan.

Leerboeken

Vroege schriftelijke bronnen over de technieken zijn zeldzaam. Het imiteren is een ambacht dat lang ‘geheim’ wordt gehouden (zie afbeelding 22). Van vóór de zeventiende eeuw zijn hierover geen Nederlandstalige handleidingen bekend. Wel bestaan er beschrijvingen voor de aanverwante techniek van gemarmerd papier. De oudst bekende is in de tiende eeuw geschreven door de Chinees Su-I-Chien. De technieken voor gemarmerd papier lijken soms overeen te komen met oude marmeringen op een houten of ivoren ondergrond, bijvoorbeeld de voor papier beschreven sprenkel- en spatmarmertechniek. De oudst bekende Nederlandse beschrijving van de schildertechniek voor het nabootsen van schildpad dateert uit de tweede helft van de zeventiende eeuw en komt van Jacoba van Veen. De vroegst bekende Nederlandstalige handleiding voor marmerimitaties dateert uit 1735, geschreven door Jo. Da Silva. Na het opheffen van de gilden aan het begin van de negentiende eeuw en de oprichting van teken- en ambachtsscholen in de jaren daarna neemt het publiceren van handboeken enorm toe.

Schilderstijl

Net als bij de schilderkunst spelen de leermeester en de ‘school’ waaruit de imitatieschilder afkomstig is een rol in het karakter van de imitatie. Daarnaast is het eigen handschrift van grote invloed. Soms is uit de geschilderde tekening te herleiden of de schilder links- of rechtshandig was. De stijl of vormentaal van de imitaties houdt nauw verband met de gebruikte verf en daarbij passende technieken.

Waardering via kleurhistorisch onderzoek

Vragen als ‘wat wordt er geïmiteerd, van wanneer dateert het werk en hoe is de imitatie gemaakt’ zijn niet altijd makkelijk te beantwoorden. Het geïmiteerde materiaal, de gebruikte verf, schildersgerei en technieken kunnen per periode en leerschool verschillen. Kennis hierover helpt antwoorden te vinden op bovenstaande vragen, en dat biedt dan weer handvatten om de kunsthistorische waarde ervan te bepalen. Kleurhistorisch onderzoek kan hierbij helpen. [Imitatieschilderingen - herstel]

Tekst: Bernice Crijns. Redactie: Ben Kooij, Mariël Polman, Leonieke Polman, Jan Berghuis, Michiel Verweij, Karin van der Lem

Lees verder

  • Bakker, P. (2012). Crisis? Welke crisis? Kanttekeningen bij het economisch verval van de schilderkunst in Leiden na 1660. De Zeventiende Eeuw. Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief, 27(2), pp.232–269.
  • Berghuis, J. jr. & H. Janse (1992). Grondig onderwys in de Schilder- en Verw-kunst. Restauratievademecum bijdrage 13. Zeist/Den Haag: Rijksdienst voor de Monumentenzorg/Sdu.
  • Bristow, I.C. (1996). Interior House-painting Colours and Technology 1615-1840. New Haven/Londen: Yale University Press.
  • Crijns, B. (2000). Net echt. Het imiteren van kostbare materialen, I. Marmer. kM: vakinformatie voor beeldend kunstenaars en restauratoren 34: 28-31.
  • Crijns, B. (2017). Identifying and repainting historical graining techniques in interiors dated before 1800. In Material imitation and imitation materials in furniture and conservation. Stichting Ebenist: 7-18.
  • Crijns, B. (2000) Inzicht door imitaties in zicht, II. Hout. kM: vakinformatie voor beeldend kunstenaars en restauratoren 35: 40-46.
  • Crijns, B. (2016). Kenmerken van Stucco-lustro. kM: vakinformatie voor beeldend kunstenaars en restauratoren 97: 34-35.
  • Crijns, B. (2000). Oogbedriegend. Het imiteren van kostbare materialen, III. Steen. kM: vakinformatie voor beeldend kunstenaars en restauratoren 36: 44.
  • Crijns, B. (2001). Veelkleurige schildpadimitaties, IV. Schildpad. kM: vakinformatie voor beeldend kunstenaars en restauratoren 37: 32-34.
  • Piena, H. (2003). Mahoniegehoute witwerken: imitaties van materiaal, constuctie en functie. Cr, 4 (2): 48-69.
  • Uitvoeringsrichtlijn 2004 Kleurhistorisch Onderzoek, Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumenten, 2016.

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen


    Hoort bij deze thema's


    Specialist(en)


    Contact

    Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 9 nov 2021 om 13:43.