's-Gravenhage (Den Haag) - Bij Prins Willemstraat 43 - Ter Navolging

< Rijksmonumenten
Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 16 apr 2024 om 03:05

(17960) monumentenregisterMonumentnummer: 17960

Introductie

Begraafplaats "Ter Navolging", gesticht in 1779, op initiatief van Abraham Perrenot. De eerste zogenaamde 'buitenbegraafplaats' in Nederland.

Met waterverf getekende voorstelling van een landschap in de duinen met in de verte een kerktoren en wat bebouwing en links een muur met poort.
Aquarel van J.J. Destrée uit 1882 met daarop links de ingang van Ter Navolging (collectie Prenten Haags Gemeentearchief).
Overzicht van een vloer met zerken en op de achtergrond een muur met grote poort.
De begraafplaats Ter Navolging vanaf de binnenzijde naar de poort (Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Grijze steen met tekst ter herinnering aan twee belangrijke personen die hier begraven zijn en wiens graven geruimd zijn.
Het epitaaf voor Betje Wolff en Aagje Deken.
Foto van een ommuurde begraafplaats met poort en toegangshek. Op het terrein staan meerdere plantpotten.
Begraafplaats Ter Navolging. Foto door Gerard J. Dukker, 2003. Beeldbank RCE, CC BY-SA 3.0

Kenmerken

  • Datering: aanleg 1778, in gebruik 1780
  • Architect: Onbekend
  • Rijksmonument sinds: 22 januari 1967

Historie

In 1776 hield de geschiedkundige Adriaan Kluit (1735-1809) een rede, waarin hij de regeringen veroordeelde die een “zoo schandelijke als verfoeilijke gewoonte in stand houden' om de lijken der dooden in de meest geheiligste plaatzen, in de talrijkste bijeenkomsten der menschen in den grond te laaten verrotten”. In 1777 werd de rede gepubliceerd en de ideeën van Kluit vonden onder andere hun weerklank bij mr. Abraham Perrenot (1726-1784). Deze Zwitser was werkzaam aan het stadhouderlijk hof in Den Haag als Raad van de Nassause Domeinen. Hij stelde een geschrift op tegen het begraven binnen de bebouwde kom met de titel Over de begrafenissen binnen de Steden en Kerken. Hij diende in 1777 een verzoek in bij de Gecommitteerde Raden van Holland met het verzoek om in de zogenaamde Grafelijksduinen een particuliere begraafplaats te mogen aanleggen. Nog datzelfde jaar beschikten de Gecommitteerde Raden gunstig op het verzoek van Perrenot. Hij kreeg de beschikking over een stuk duingrond ter grootte van negen vierkante roeden (vermoedelijk 135m2), gelegen ten westen van de Scheveningsche weg niet ver van het dorp Scheveningen. De jaarlijkse erfpacht bedroeg drie schelling per roede. In de loop van 1778 werd het terrein, op een hooggelegen duin, geschikt gemaakt om te fungeren als begraafplaats. Er werden vijftien kelders gemetseld en vanwege het stuiven van het duinzand werd de begraafplaats omgeven met een muur van bijna drie meter hoog. Aan de oostzijde werd in het midden van de muur een poort gebouwd met boven de doorgang de woorden "In hoop van Navolging".

De eerste begrafenis vond twee jaar na de aanleg plaats. Op 11 mei 1780 werd Johanna Isabella Adelaïde Singendonck bijgezet, een kind nog. Met de gelden uit de grafrechten werden de onderhoudskosten van de begraafplaats betaald. In datzelfde jaar volgden nog drie bijzettingen, waaronder die van Pieter Antonie baron De Huybert, heer van Kruiningen.

Vier jaar na de eerste begrafenis werd Perrenot zelf bijgezet op de begraafplaats. Op zijn zerk werd een Latijnse tekst aangebracht, die in het Nederlands als volgt luidt: "Mijn rottende overblijfselen moeten verre van de stad liggen; daar ik levend vermeed iemand te benadelen, wens ik zulks ook na mijn dood niet te doen". De zerk van Perrenot is verdwenen, maar dezelfde tekst is vandaag de dag te lezen in het Latijn en het Nederlands op een gedenkplaat op een van de muren.

In 1792 bleek de begraafplaats al te klein. Onder dezelfde voorwaarden als in 1777 stelden de Gecommitteerde Raden wederom een stuk grond beschikbaar. Het aantal grafkelders, dat ondertussen al was gegroeid tot 30 kon daardoor worden uitgebreid tot 72 grafkelders. Tegelijk werd om het ommuurde gedeelte een pad aangelegd dat met houtgewas werd afgezet.

In de loop van de 19de eeuw rukte de bebouwing van Scheveningen en 's-Gravenhage op en raakte de begraafplaats ingesloten door woonhuizen en andere gebouwen. In 1864 werd op een van de hoeken een bakstenen vertrek aangelegd met een plat dak. Dit diende als wachtkamer en berging voor gereedschappen. De voorzijde, waarin ook de toegang was gemaakt, kreeg een afgeronde gevel, wat een zeer karakteristiek uiterlijk opleverde. In 1885 werd een tweede vertrek gebouwd, identiek aan de eerste. Dit vertrek diende als lijkenhuisje en later als ontvangstruimte.

Vooral in de 19de eeuw was de begraafplaats behoorlijk in trek en een aantal bekende personen vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder Elisabeth Wolff (1738-1804), Agatha Deken (1741-1804) en G. Groen van Prinsterer (1801-1876). De graven van de vriendinnen Wolff en Deken zijn geruimd, maar direct rechts van de ingang is aan de binnenzijde hun epitaaf in de muur gemetseld. Op 21 oktober 1895 werd het onthuld. De aanstichter van dit alles, Adriaan Kluit, werd op zijn verzoek begraven op de algemene begraafplaats buiten Katwijk aan Zee die daar in 1793 in gebruik was genomen.

In het laatste kwart van de 20ste eeuw kwam de exploitatie van de begraafplaats in gevaar. In eerste instantie dreigde sluiting en ruiming, maar de oprichting van een stichting om de begraafplaats voor verval te behoeden en het begraven van een doodgeboren kind in 1976, voorkwam dit. Hierna kwam het herstel en werden er weer nieuwe keldergraven uitgegeven. Door aan de buitenzijde van de muur urnenkelders te maken en in een rozenperk asurnen bij te laten zetten, ontstond er weer financiële armslag.

Rijksmonument

Sinds de aanwijzing van de begraafplaats tot rijksmonument in 1967 lijkt er relatief weinig veranderd. Het smeedijzeren hekwerk onderaan de straat is echter in 2006 weer in oorspronkelijke staat teruggebracht en bovenaan het toegangspad is een modern hek aangebracht, een kunstwerk van de hand van Leontine Lieffering uit 1993.

Huidige situatie

Vandaag de dag ligt Ter Navolging allang niet meer vrij in de duinen. De omgeving is veranderd in een drukke wijk met doorgaande wegen, woningen en kantoren. Rondom, tegen de muur, zijn urnengraven aangebracht en aan de andere zijde van de muur bewaart men oude zerken die afkomstig zijn van opgezegde kelders. In de muur bevinden zich de twee ruimtes en in enkele blindnissen zijn doodssymbolen opgenomen.

Door de toegangspoort met daarboven een afdekking met de tekst TER NAVOLGING en een onderzijde van een vaas, komt men op de eigenlijke begraafplaats. Een kleine pin op de vaas wijst erop dat er nog een ornament bovenop aanwezig was. Via een smal klinkerpad kan men tussen de zerken doorlopen, bijna zoals in een kerk. Aan de muren hangen zelfs epitafen net als in kerken. Zij herinneren aan hen die er ooit begraven zijn, maar waarvan het graf al heel lang is geruimd, waaronder Perrenot zelf. Waar de oude zerken verdwenen zijn, liggen nu nieuwe. Vanwege de hernieuwde belangstelling zijn verschillende kelders opnieuw uitgegeven. De nieuwe zerken vallen op doordat ze niet meer van hardsteen zijn, maar van gepolijst graniet. Dat geeft in de loop der tijd de begraafplaats steeds minder het aanzien van een kerkvloer. Een bijzondere zerk, zoals die van Pieter Antonie baron De Huybert uit 1780, is aan de buitenzijde tegen de muur geplaatst.

De begraafplaats is vooral van belang als eerste voorbeeld van een buitenbegraafplaats die inderdaad navolging vond. In Tiel, Muiden, Diemen en Hilversum vinden we soortgelijke begraafplaatsen uit dezelfde tijd, maar die zijn uiteindelijk sterker aangepast en veranderd dan de eerste Ter Navolging.

Canonmonument, venster 25

In 1788 voelden de beide schrijfsters van de briefroman Sara Burgerhart, Betje Wolff en Aagje Deken, zich door de politieke omstandigheden gedwongen het land te verlaten. Zij waren beiden uitgesproken aanhangers van de patriotse strijd. De politieke situatie in Nederland veranderde ten gunste van stadhouder Willem V. Veel patriotten ontvluchtten het land. Zij woonden tot 1797 in Frankrijk. Na terugkeer in Nederland, bewoonden ze verschillende panden in Den Haag. Nadat zij in 1804 slechts enkele dagen na elkaar waren overleden, vonden zij hun laatste rustplaats hier.

Deze pagina is tot stand gekomen in samenwerking met stichting Dodenakkers.

Bronnen en verwijzingen

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema's Begrippen

begraafplaatsen

Specialist(en)

Meer informatie
Meer over het monumentenregister en de pagina's in deze kennisbank is te vinden in Monumenten - Rijksmonumentenregister.
Meer over wat er is beschermd is te vinden in de leeswijzer.

Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 16 apr 2024 om 03:05.