Almere-Buiten - Poort - Homeruskwartier Noord - ZA 41, Het Kalkschip

< Rijksmonumenten
Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 28 mrt 2024 om 15:43
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

(528003) monumentenregisterMonumentnummer: 528003

Introductie

Overblijfselen van een vrachtscheepje uit de eerste helft van de zeventiende eeuw.

Weide met gelig gras; in het midden een gedeelte met groener, hoger gras. Op de achtergrond een elektriciteitsmast.
Afb. 1. Foto: Beeldbank RCE
Kaartje met afbakening van het terrein
Afb. 2 Kaartje van het terrein

Kenmerken

  • Type: scheepvaart
  • Periode: Nieuwe tijd
  • Rijksmonument sinds: 5 maart 1969

Voor de exacte locatie en begrenzing van dit archeologisch rijksmonument: volg de link naar het Monumentenregister rechts bovenaan deze kennisbankpagina, en klik vervolgens daar op het bijbehorende kaartje.

Scheepswrakken in de Flevopolders

De provincie Flevoland heeft een bijzondere geschiedenis van land, water en weer land. Duizenden jaren geleden leefden er al mensen, tot het gebied ongeveer vierduizend jaar geleden in een groot moeras veranderde. De mensen trokken weg. Het werd steeds natter en rond het jaar 850 was het geworden tot het water dat het Aelmere genoemd werd.

In de loop van de tijd werd dit 'groot meer' steeds groter en zouter. Rond 1600 was het dan ook de Zuiderzee gaan heten. Van de late middeleeuwen tot de afsluiting in 1932 was de Zuiderzee het dagelijks vaargebied van vele schippers. Beurtveren, vissersschepen, vrachtschepen en internationale handelsschepen doorkruisten dit vaarwater jaarlijks vele keren. De vracht- en handelsschepen vervoerden een grote variëteit aan lading. Brandstoffen zoals turf, steenkool en brandhout, bouwmaterialen als bakstenen, dakpannen en kalk en landbouwproducten zoals graan, hooi en aardappelen, maar ook koeien, mest of stadsvuil werden zo verplaatst.

Niet alle schepen die de Zuiderzee bevoeren, bereikten de haven, door stormen en ander onheil op zee. Na schipbreuk zakten de schepen weg in de zachte zeebodem en bleven zo goed bewaard. Daarom kwamen bij de inpoldering van Flevoland veel scheepswrakken aan het licht. Archeologisch onderzoek aan deze wrakken levert een bijzonder inkijk over het dagelijkse leven aan boord. De leefruimte, het ruim en allerlei voorwerpen vertellen verhalen over het reilen en zeilen aan boord. Schipbreuk was voor de eigenaar toen een ramp, maar voor de archeologen van nu een gelukstreffer, want scheepswrakken zijn belangrijke informatiebronnen. Een goed bewaard scheepswrak is een tijdcapsule: het vertelt het verhaal van het schip, de lading en de bemanning op het moment van vergaan, op een bevroren moment in de tijd.

Van de ca. 450 scheepswrakken die ooit in de Flevopolders zijn gevonden, zijn er nog 73 in de bodem bewaard. Twaalf daarvan zijn archeologische rijksmonumenten.

Verhaal over dit rijksmonument

Bij een vrachtschip vertellen zowel de inventaris als de lading een verhaal over het dagelijks leven en de economie van de tijd waarin het gezonken is. In dit geval was het maar een klein scheepje, met een lengte van 13,25 en een breedte van 2,5 meter. In het scheepje kunnen verschillende ruimten en functies onderscheiden worden.

Zo troffen de archeologen in het voorschip een vuurkist aan. Zo’n vuurkist, een houten bak gevuld met zand en afgedekt met pla vuizen, kwam vaak voor op schepen uit deze periode. Eromheen stonden ijzeren haardplaten ter bescherming van het houtwerk van het schip. Boven de vuurkist was de schouw; dit was de plek waar het vuur brandde. De aanwezigheid van een stookplaats wijst erop dat er aan boord echt gewoond werd en dat het vaartuig was uitgerust voor meerdaagse reizen. Het beeld van het voorschip als kombuis en leefruimte wordt versterkt door de schoenen en lepels die er lagen. Deze twee tinnen eetlepels zijn de getuigen van het eenvoudige leven aan boord van de schipper en zijn knecht.

Uit de vuurkist in het voorschip kon nog iets anders worden afgeleid; er stond namelijk een afbeelding op van een ruiter te paard. Zulke afbeeldingen komen vooral in de zeventiende eeuw voor en deze plaat vormt dus een extra aanwijzing voor de datering. Het voorschip was afgesloten door een schot en aan de andere kant daarvan bevond zich de onderkant van de mastconstructie. Die bestaat uit een constructie met twee zijkanten, de mastwangen, waartussen de draaibare mast wordt vastgehouden. Om het strijken van de mast makkelijker te maken was de onderzijde van de mast voorzien van een contragewicht.

In het ruim lag lading: kalk en jute. Dat laatste materiaal was vermoedelijk van de zakken waarin de kalk vervoerd werd. Kalk, een belangrijk bouwmateriaal, won men uit schelpen, die uit de monding van de Zuiderzee werden gevist bij onder meer Wieringen en Makkum. Vervolgens vond transport van de schelpen plaats naar schelpenovens aan de Zuiderzeekust. Die ovens lagen vaak langs turfroutes, omdat deze brandstof werd gebruikt voor het branden van kalk uit de schelpen. Het eindproduct, gebluste kalk, werd in zakken vervoerd naar de steden, waar het werd gebruikt voor metselwerk. Met zijn strijkbare mast en geringe breedte kon het scheepje diep in de stedelijke centra doordringen en bracht het de schipper dicht bij zijn afnemers.

Het achterschip was heel goed bewaard gebleven. De dekbalken en een enkele dekplank waren nog aanwezig. Dit deel van het schip is tijdens het onderzoek in 1982 grotendeels intact gelaten. Al met al bleek het te gaan om een bijzonder en goed geconserveerd vaartuig. Om het wrak ook voor de toekomst goed te bewaren is het samen met het omringende sediment ingepakt in landbouwplastic en is het terrein opgehoogd. Boven in de ophoging is een gat in het landbouwplastic uitgespaard, zodat regenwater naar binnen kan stromen. Verticaal geplaatst plastic voorkomt dat dit water naar de zijkanten wegstroomt, zodat ter plaatse van het wrak het grondwaterpeil kunstmatig wordt verhoogd zodat het hout beter bewaard blijft. Bij een controle in 2008 bleek dat dit zogenaamde inkuilen effectief is; microscopisch onderzoek van het hout wees toen uit dat het nog steeds van goede kwaliteit was.

Vrijstellingsdiepte

Bij dit rijksmonument liggen de archeologische resten dieper in de ondergrond en zijn er verschillende vrijstellingsdiepten van toepassing:

  • een vrijstellingsdiepte van 10 cm voor het perceel met de kadastrale aanduiding Almere W55
  • een vrijstellingsdiepte van 100 cm voor het perceel met de kadastrale aanduiding Almere W4694

Wel is altijd een vergunning vereist voor:

  • het verrichten van bouwwerkzaamheden;
  • het ophogen, verlagen of egaliseren van het terrein;
  • het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte;
  • het wijzigen van het grondwaterpeil.

Archeologisch rijksmonumentenpaspoort

Nederland kent circa 1500 archeologische rijksmonumenten. Om eigenaren beter te informeren over 'hun' monument heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2023 per monument een archeologisch rijksmonumentenpaspoort uitgegeven. Het bevat informatie over locatie, ouderdom en het type monument, aangevuld met gegevens over bescherming en zorgvuldig gebruik. Deze pagina is (deels) opgesteld en/of aangevuld op basis van dit paspoort. Het is een aanvulling op de monumentgegevens in het Rijksmonumentenregister.


Meer informatie
Meer over het monumentenregister en de pagina's in deze kennisbank is te vinden in Monumenten - Rijksmonumentenregister.
Meer over wat er is beschermd is te vinden in de leeswijzer.

Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 28 mrt 2024 om 15:43.