Nieuw bos met oude wortels: onderzoek naar verdwenen bossen

Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 15 mrt 2022 om 12:18
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Introductie[bewerken]

De Bossenstrategie 2030 beoogt de aanplant van veel nieuw bos. De vraag is, waar dat moet komen, en bovendien hoe het eruit zou moeten zien. Want het ene bos is het andere niet, niet qua aanzien en ecologie en ook niet wat betreft gebruiksmogelijkheden. Ook is de ene plek, of een bepaald type bos, historisch en landschappelijk wellicht logischer dan de andere.

Schilderij Landschap met twee eiken, 1641 - Jan van Goyen
Landschap met twee eiken, 1641 - Jan van Goyen. Beeld: Rijksmuseum
Bos, Holt
Afb. 1a. Referentiebeeld van middeleeuwse bostypen: Holt
Bos, Wolt
Afb. 1b. Referentiebeeld van middeleeuwse bostypen: Wolt
Bos, Laar
Afb. 1c. Referentiebeeld van middeleeuwse bostypen: Laar
Bos, Loo
Afb. 1d. Referentiebeeld van middeleeuwse bostypen: Loo
Bos, Rode
Afb. 1e. Referentiebeeld van middeleeuwse bostypen: Rode
Kaart met gemodelleerde verspreiding van verwijzingen naar bos (alle toponiemen bij elkaar) in de namen van plaatsen en gehuchten
Afb. 2. Gemodelleerde verspreiding van verwijzingen naar bos (alle toponiemen bij elkaar) in de namen van plaatsen en gehuchten.
Kaart met zwaartepunten in de verspreiding van verschillende middeleeuwse bostoponiemen en bostypen
Afb. 3. Zwaartepunten in de verspreiding van verschillende middeleeuwse bostoponiemen en bostypen.
Kaart met de verspreiding van middeleeuwse bosnamen vergeleken met die van het hedendaagse bos
Afb 4. De verspreiding van middeleeuwse bosnamen vergeleken met die van het hedendaagse bos.

Bij het zoeken naar locaties voor nieuw bos wordt vaak gekeken naar bestaande bosplaatsen of plekken waarvan bekend is dat er bos heeft gestaan. Probleem daarbij is dat bos pas vanaf circa 1850 gedetailleerd en landsdekkend op de kaart staat. En dat was nu juist het moment waarop in Nederland bijna geen bos meer stond. Dus waar stond al dat verdwenen bos dan?

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is daarom bij de realisatie van de Bossenstrategie betrokken, ook in onderzoekende zin. Grootschalige bosaanplant kan immers flinke landschappelijke gevolgen hebben. Op initiatief van de RCE is een begin gemaakt met een onderzoek naar de landelijke verspreiding van bos in de Middeleeuwen. Plaatsnamen die duiden op de vroegere aanwezigheid van bos zijn geïnventariseerd.

Komen en gaan van bos

Over de geschiedenis van het Nederlandse bos bestaan hardnekkige misverstanden. Die hebben te maken met de mate van bebossing en de locatie en ruimtelijke stabiliteit van bossen. Wat het eerste betreft: grote delen van Nederland waren al eeuwen voor het begin van onze jaartelling al lang niet meer dicht bebost. Bovendien was het resterende bos, vooral op de zandgronden, lang niet zo dicht meer als het oorspronkelijke. Het schaarse bos dat er in de Late Middeleeuwen nog was, bestond grotendeels uit sterk door de mens beïnvloed gebruiksbos.

Ook staat vast dat er in de loop van de geschiedenis geen sprake was van een continue afname van het bosareaal. In de nadagen van de Romeinse tijd en de tijd direct daarna nam dat juist toe, plaatselijk zelfs flink. Bovendien is lokaal en regionaal een, soms herhaaldelijke, afwisseling van ontbossing en herbebossing vastgesteld. Dat was vooral zo op de voor landbouw geschikte hogere delen van het landschap, veel minder in moerassig laagland. Toen Nederland omstreeks de 16e-17e eeuw bijna helemaal ontbost was geraakt, vooral door overmatig gebruik, stond hoofdzakelijk in dat moerassige laagland nog enig bos.

Wat we ook weten, is dat bos lange tijd ruimtelijk dynamisch was. Het ‘bewoog’ door het landschap. Want bosregeneratie trad op in het voetspoor van nederzettingen die periodiek werden verplaatst: op braakliggende cultuurgrond. Dat verklaart waarom zelfs ‘oud’ bos op verlaten akkerland kan staan. Het meeste van het weinige bos dat in de Late Middeleeuwen nog in de hogere delen van het landschap te vinden was, is beslist secundair en relatief open bos geweest. Bos met een nog min of meer natuurlijk karakter zal het laatst in moerassig laagland hebben gestaan.

Bos in beweging

Het project ‘Bos in beweging’ is opgezet om meer zicht te krijgen op de vroegere aanwezigheid van bos in het Nederlandse landschap. Om te beginnen wordt er gekeken naar de Late Middeleeuwen (1000-1500 na Chr.). Uit die tijd hebben we weliswaar geen kaartmateriaal maar wél historische gegevens. Zo is er de Historia Forestis: Nederlandse bosgeschiedenis, het monumentale proefschrift van Jaap Buis. Buitengewoon informatief, maar het geeft geen geografisch overzicht. Maar hoe dan wel?

Bos verstopt in plaatsnamen

Om snel in ieder geval een globaal beeld te krijgen van de verspreiding van bos in de periode 1000-1500 na Chr. is besloten tot een zogenaamde big data-aanpak. Als basis daarvoor is gekozen voor geografische namen, toponiemen, in het bijzonder namen van alle Nederlandse plaatsen en gehuchten. Van toponiemen is bekend dat ze vaak verwijzen naar het lokale landschap, of de manier waarop de mens dat gebruikte. Daar komt bij dat het merendeel van de hedendaagse Nederlandse plaatsnamen is ontstaan in de periode die we onderzoeken, of net iets daarvoor. Ongeveer 10 procent van die namen (622 van de 6284) bleek te duiden op de aanwezigheid van bos.

Het is belangrijk te beseffen dat bosplaatsnamen in feite verwijzen naar bos dat verdween in de tijd dat ze ontstonden. Want dat is normaal gesproken de consequentie van de stichting van nederzettingen. Daarom zal ook nog een landelijke inventarisatie van historisch bekende middeleeuwse bossen in geschreven bronnen worden uitgevoerd. Want die stonden er in het algemeen nog op het moment dat ze in die geschriften worden genoemd. Ook zal de verspreiding van (archeologische resten van) middeleeuwse houtskoolmeilers worden bestudeerd. Ook dat zijn bosindicatoren.

Soorten bosnamen en soorten bos

Het laatmiddeleeuwse landschap kende verschillende soorten bos. Voor het realiseren van de ambities van de Bossenstrategie, en vooral ook voor de functies die men het nieuwe bos wil geven, kan die variatie, in de vorm van verschillende referentiebeelden, interessant zijn. In bossen met een holt-naam stond hoog opgaand geboomte, wat geschikt was als bouwhout. Dat soort bos was schaars geworden. Door duizenden jaren van agrarische activiteit en ook bodemdegradatie had het meeste bos toen een open karakter gekregen, of was zelfs veranderd in bosweide (wood pasture).

Loo, al dan niet afgesleten tot -el(e), verwijst naar open bos, waar boeren vee weidden. ‘Hudewald’ wordt dat soort bos in Duitsland genoemd. Het bostoponiem laar duidt op een open, afgeperkt gebied in het boslandschap. Veelvoorkomend zijn plaatsnamen eindigend op -rode, -rade, -rath en -roth(e). Dergelijke namen zijn verbonden met bosontginningen (bos rooien). En dan zijn er nog -woud en -wold, -wald. Wold verwijst vermoedelijk niet per se naar gesloten bos maar naar onontgonnen natte wildernis met een dichte begroeiing. Andere naambestanddelen die verwijzen naar bos, met uitzonderling van het voor de hand liggende -bos, komen veel minder vaak in plaatsnamen voor.

Regionale verschillen

Zowel de verspreiding van alle bostoponiemen als die van afzonderlijke naamvormen (en dus bostypen) is gekarteerd. Om verschillen in dichtheid te accentueren zijn stippenkaarten omgezet in wolkenkaarten. Die geven de dichtheid van de toponiemen per vierkante kilometer weer.

In het landelijke totaalbeeld valt meteen op dat er vooral in het zuiden (Noord-Brabant en Limburg) erg veel bosgerelateerde plaatsnamen zijn. Waarschijnlijk heeft dat te maken met grootschalige ontginning van secundair bos in de Middeleeuwen. Dat bos is vooral hier tot ontwikkeling gekomen als gevolg van sterke bevolkingsafname in de nadagen van de Romeinse tijd.

Grootschalige ontginning blijkt uit de hoge dichtheid aan rode-namen in hetzelfde gebied. Vaak zal het in de Middeleeuwen ontgonnen bos een naam met het (relatief jonge) element -bos hebben gehad, want ook die clusteren in het zuiden. Wold/wald-namen zijn vooral te vinden rondom het Drents Plateau. Van die moerassige randzone is bekend dat er in de Late Middeleeuwen grote ontginningen plaatsvonden. Woud-namen daarentegen, zijn vooral in het westen des lands aanwezig. Holt-namen vinden we verspreid over heel Nederland maar plaatsnamen met loo zien we bijna alleen het oosten. Laar clustert duidelijk in Noord-Brabant. Loo en laar lijken gebonden aan (bos op) pleistocene zandgronden. Dat zal dus open secundair bos zijn geweest.

Naar plaatsnamen met het naambestanddeel -el(e) is afzonderlijk gekeken. Vermoedelijk zijn dat grotendeels loo-namen geweest. Een dichte concentratie van dit soort namen tekent zich af in het oosten van Noord-Brabant en in Noord-Limburg, en in het aangrenzende deel van het rivierengebied. Interessant is dat de verspreiding van middeleeuwse plaatsnamen waarin bos verborgen zit, min of meer complementair is aan die van het hedendaagse Nederlandse bos. Met uitzondering van Flevoland is dat bos in hoofdzaak vanaf de 19e eeuw aangeplant op grotendeels boomloze en bovendien dunbevolkte woeste gronden. In het oosten van Noord-Brabant is de ruimtelijke correlatie tussen oud en nieuw bos het grootst.

Verbinding tussen bos en mens

Vooralsnog lijkt het erop dat er in Nederland in de late Middeleeuwen grote regionale verschillen waren in de verspreiding van bos en in die van specifieke bostypen. Weliswaar was bijna al dat bos omstreeks 1650 verdwenen, maar er zou bij de realisatie van nieuwe bossen wel rekening met voordien aanwezige boslocaties gehouden kunnen worden. Niet in de laatste plaats misschien, omdat bossen ook in het verleden maatschappelijk van groot belang waren; het benutten ervan was deel van het dagelijks leven van lokale gemeenschappen. Bovendien waren bossen - zeker in de Late Middeleeuwen - onlosmakelijk onderdeel van de cultuurlandschappen waarin mensen woonden en werkten. Een dergelijke verbinding tussen bos en mens is ook in de hedendaagse situatie van belang, want kansrijk. Zonder maatschappelijke draagvlak, zeker lokaal, zal het lastig zijn de ambities van de Bossenstrategie te verwezenlijken.

Opmerkelijk is ook dat de verspreiding van middeleeuwse plaatsnamen waaruit de aanwezigheid van bos blijkt, min of meer complementair is aan die van het hedendaagse Nederlandse bos. Koppelen we deze observatie aan de grote mate van de ruimtelijke dynamiek die het Nederlandse bos lange tijd eigen was, dan is er alle reden om niet al te statisch te denken over het lokaliseren van nieuw bos. Landschapshistorisch gezien zouden niet alleen bestaande en historisch bekende maar ook ‘nieuwe’ bosplaatsen logisch zijn. Dat wil zeggen buiten de nu bekende locaties: bos heeft zich op meer plekken bevonden dan lang is aangenomen.

Wordt vervolgd.

Meer over dit onderzoek

Dit artikel verscheen in januari 2022 in VNBL / Vakblad Natuur Bos Landschap. Tekst: Bert Groenewoudt (RCE), Gijs Eijgenraam (WUR) en Menne Kosian (RCE)

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

    Hoort bij deze thema's

    Trefwoorden

    Specialist(en)


    Reageren
    U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

    Wilt u ons helpen?
    De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
    Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

    Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 1 okt 2022 om 03:08.