Oppervlaktekartering: verschil tussen versies

k
k (Tekst vervangen - "|Kennisitemtype=Factsheet" door "|Artikelsoort=Methoden en technieken")
 
(9 tussenliggende versies door 2 gebruikers niet weergegeven)
Regel 1: Regel 1:
 
{{#element:
 
{{#element:
 
|Paginanaam=Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie
 
|Paginanaam=Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie
|Elementtype=Kennisitem
+
|Elementtype=Artikel
|Voorkeurslabel=Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie
+
|Voorkeurslabel=Oppervlaktekartering
|Kennisitemtype=Factsheet
+
|Artikelsoort=Methoden en technieken
|Introductie=Oppervlaktekartering is een methode van Inventariserend Veldonderzoek (IVO) om vondsten aan het oppervlak op te sporen, bijv. door middel van het systematisch belopen van braakliggende percelen (akkers), en het inspecteren van molsho- pen, geschoonde slootkanten en andere bodemontsluitingen.
+
|Introductie=Oppervlaktekartering is een methode van Inventariserend Veldonderzoek (IVO) om vondsten aan het oppervlak op te sporen, bijvoorbeeld door middel van het systematisch belopen van braakliggende percelen (akkers), en het inspecteren van molshopen, geschoonde slootkanten en andere bodemontsluitingen.
 
|Omschrijving===Methode==
 
|Omschrijving===Methode==
Oppervlaktekartering is geschikt voor het opsporen van vindplaat- sen gelegen aan of nabij de oppervlakte en met een hoge vondstdichtheid. Een goede zichtbaarheid van vondsten aan het oppervlak is van groot belang voor een betrouwbaar resultaat. Bij een slechte vondstzichtbaarheid (gewasresten, onkruid of groenbemester op akker, akker is niet uitgeregend) is de bruik- baarheid van de methode beperkt.
+
Oppervlaktekartering is geschikt voor het opsporen van vindplaatsen gelegen aan of nabij de oppervlakte en met een hoge vondstdichtheid. Een goede zichtbaarheid van vondsten aan het oppervlak is van groot belang voor een betrouwbaar resultaat. Bij een slechte vondstzichtbaarheid (gewasresten, onkruid of groenbemester op akker, akker is niet uitgeregend) is de bruikbaarheid van de methode beperkt.
  
 
==Strategie==
 
==Strategie==
Regel 13: Regel 13:
 
Het succes van de eerste strategie wordt in sterke mate bepaald door de systematiek en intensiteit waarmee percelen (met goede vondstzichtbaarheid) worden belopen en door de ervaring van de karteerders. De afstand tussen de raaien of looplijnen dient te worden afgestemd op de afmetingen van de verwachte vindplaats(en). Indien vindplaatsen met verschillende afmetingen worden verwacht, is de afmeting van de kleinste verwachte vindplaats (complextype) maatgevend.
 
Het succes van de eerste strategie wordt in sterke mate bepaald door de systematiek en intensiteit waarmee percelen (met goede vondstzichtbaarheid) worden belopen en door de ervaring van de karteerders. De afstand tussen de raaien of looplijnen dient te worden afgestemd op de afmetingen van de verwachte vindplaats(en). Indien vindplaatsen met verschillende afmetingen worden verwacht, is de afmeting van de kleinste verwachte vindplaats (complextype) maatgevend.
  
Een afstand van 5 tot 10 m tussen de raaien is gebruikelijk voor het vaststellen van de aan- of afwezigheid van middelgrote en grote archeologische vindplaatsen. Voor het opsporen van (zeer) kleine vindplaatsen of vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, is een onderlinge afstand van 5 of zelfs 2 m noodzakelijk. Indien een vindplaats is opgespoord, kan de afstand tussen twee raaien worden verkleind tot bijv. 2,5 of 1 m. Deze vorm van oppervlakte- kartering wordt ook wel detailkartering genoemd en kan worden toegepast voor het verzamelen van aanvullende gegevens met het oog op het (verder) toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting.
+
Een afstand van 5 tot 10 m tussen de raaien is gebruikelijk voor het vaststellen van de aan- of afwezigheid van middelgrote en grote archeologische vindplaatsen. Voor het opsporen van (zeer) kleine vindplaatsen of vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, is een onderlinge afstand van 5 of zelfs 2 m noodzakelijk. Indien een vindplaats is opgespoord, kan de afstand tussen twee raaien worden verkleind tot bijv. 2,5 of 1 m. Deze vorm van oppervlaktekartering wordt ook wel detailkartering genoemd en kan worden toegepast voor het verzamelen van aanvullende gegevens met het oog op het (verder) toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting.
  
In het geval van een slechte vondstzichtbaarheid aan het opper- vlak kan worden gekozen voor de tweede strategie, namelijk het inspecteren van puntlocaties. Door op specifieke, van te voren geselecteerde punten een klein deel van het oppervlak schoon te maken, wordt de vondstzichtbaarheid vergroot. Het aantal puntlocaties en de onderlinge afstand ervan is afhankelijk van de omvang en vondstdichtheid van de verwachte vindplaats(en).
+
In het geval van een slechte vondstzichtbaarheid aan het oppervlak kan worden gekozen voor de tweede strategie, namelijk het inspecteren van puntlocaties. Door op specifieke, van te voren geselecteerde punten een klein deel van het oppervlak schoon te maken, wordt de vondstzichtbaarheid vergroot. Het aantal puntlocaties en de onderlinge afstand ervan is afhankelijk van de omvang en vondstdichtheid van de verwachte vindplaats(en).
  
 
==Verzamelwijze==
 
==Verzamelwijze==
 
Archeologische vondsten die tijdens een oppervlaktekartering worden aangetroffen, worden ingemeten en geraapt van het oppervlak. Kleine aantallen vondsten en bijzondere vondsten die wijzen op bijv. een intentionele depositie of een geïsoleerd graf, worden elk afzonderlijk, driedimensionaal (x- en y-coördinaat en hoogte ten opzichte van NAP) ingemeten. Bij een concentratie van vondsten is het van belang de begrenzing ervan in te meten.
 
Archeologische vondsten die tijdens een oppervlaktekartering worden aangetroffen, worden ingemeten en geraapt van het oppervlak. Kleine aantallen vondsten en bijzondere vondsten die wijzen op bijv. een intentionele depositie of een geïsoleerd graf, worden elk afzonderlijk, driedimensionaal (x- en y-coördinaat en hoogte ten opzichte van NAP) ingemeten. Bij een concentratie van vondsten is het van belang de begrenzing ervan in te meten.
  
Vondsten die deel uitmaken van de concentratie hoeven in dat geval niet individueel te worden ingemeten, maar worden verzameld in vakken van bijv. 2 x 2 m, 5 x 5 m of 10 x 10 m afhankelijk van de omvang van de concentratie. Bij grote hoeveel- heden gelijksoortig vondstmateriaal (in type, aard of datering) kan volstaan worden met het verzamelen van een selectie. Het uitgangspunt is dat voldoende materiaal wordt verzameld om uitspraken te doen over aard, omvang en datering van de vindplaats.
+
Vondsten die deel uitmaken van de concentratie hoeven in dat geval niet individueel te worden ingemeten, maar worden verzameld in vakken van bijv. 2 x 2 m, 5 x 5 m of 10 x 10 m afhankelijk van de omvang van de concentratie. Bij grote hoeveelheden gelijksoortig vondstmateriaal (in type, aard of datering) kan volstaan worden met het verzamelen van een selectie. Het uitgangspunt is dat voldoende materiaal wordt verzameld om uitspraken te doen over aard, omvang en datering van de vindplaats.
  
 
<table border="1" cellpadding="2" cellspacing="0">
 
<table border="1" cellpadding="2" cellspacing="0">
Regel 35: Regel 35:
 
<tr>
 
<tr>
 
<td>Klein 50-200 m2)</td>
 
<td>Klein 50-200 m2)</td>
<td>2- 5 m</td>
+
<td>2-5 m</td>
 
<td>1 x 1 m, 2 x 2 m</td>
 
<td>1 x 1 m, 2 x 2 m</td>
 
</tr>
 
</tr>
Regel 52: Regel 52:
 
   
 
   
 
==Voorbeeld==
 
==Voorbeeld==
In onderstaand voorbeeld wordt uitgegaan van twee middelgrote vindplaatsen (afmetingen ca. 40 x 22,5 m), waarvan één met hoge vondstdichtheid (rechts) en één met lage vondstdichtheid (links). De derde, kleine vindplaats heeft een afmeting van ca. 10 x 8 m. Met een afstand van 10 m tussen de loopraaien wordt de middel- grote vindplaats met hoge vondstdichtheid opgespoord aan de hand van het verzamelen van oppervlaktevondsten. Vanwege de lage vondstdichtheid is de kans groot dat de andere middelgrote vindplaats wordt gemist. De kleine vindplaats valt precies tussen de raaien en wordt vermoedelijk eveneens gemist ondanks de hoge vondstdichtheid. Voor het opsporen van beide laatstge- noemde vindplaatsen dient de tussenafstand tussen de raaien te worden verkleind.
+
''Zie Afbeelding 2. ''
  
De tweede strategie, het inspecteren van puntlocaties, leidt alleen tot de ontdekking van de middelgrote vindplaats met hoge vondstdichtheid. Voor het opsporen van beide andere vindplaat- sen dienen meer puntlocaties te worden geïnspecteerd.
+
In dit voorbeeld wordt uitgegaan van twee middelgrote vindplaatsen (afmetingen ca. 40 x 22,5 m), waarvan één met hoge vondstdichtheid (rechts) en één met lage vondstdichtheid (links). De derde, kleine vindplaats heeft een afmeting van ca. 10 x 8 m. Met een afstand van 10 m tussen de loopraaien wordt de middelgrote vindplaats met hoge vondstdichtheid opgespoord aan de hand van het verzamelen van oppervlaktevondsten. Vanwege de lage vondstdichtheid is de kans groot dat de andere middelgrote vindplaats wordt gemist. De kleine vindplaats valt precies tussen de raaien en wordt vermoedelijk eveneens gemist ondanks de hoge vondstdichtheid. Voor het opsporen van beide laatstgenoemde vindplaatsen dient de tussenafstand tussen de raaien te worden verkleind.
 +
 
 +
De tweede strategie, het inspecteren van puntlocaties, leidt alleen tot de ontdekking van de middelgrote vindplaats met hoge vondstdichtheid. Voor het opsporen van beide andere vindplaatsen dienen meer puntlocaties te worden geïnspecteerd.
 
   
 
   
 
==Combinatie met andere methoden==
 
==Combinatie met andere methoden==
Oppervlaktekartering wordt vrijwel altijd geadviseerd in combina- tie met één of meer andere methode(n) van inventariserend veldonderzoek, bijv. geofysisch onderzoek en/of proefsleuven- onderzoek. Indien hiervoor wordt gekozen, heeft het uitvoeren van eerst een oppervlaktekartering de voorkeur. De methode is non-destructief en levert, indien op correcte wijze uitgevoerd, een betrouwbare uitkomst, een en ander afhankelijk van de vondst- zichtbaarheid aan het oppervlak en de omvang, diepteligging en vondstdichtheid van de verwachte archeologische vindplaats(en). In het geval geen vindplaats is aangetroffen en er twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de uitkomst van de oppervlakte- kartering, kan worden besloten tot het uitvoeren van een andere methode als tweede fase van Inventariserend Veldonderzoek.
+
Oppervlaktekartering wordt vrijwel altijd geadviseerd in combinatie met één of meer andere methode(n) van inventariserend veldonderzoek, bijv. geofysisch onderzoek en/of proefsleuvenonderzoek. Indien hiervoor wordt gekozen, heeft het uitvoeren van eerst een oppervlaktekartering de voorkeur. De methode is non-destructief en levert, indien op correcte wijze uitgevoerd, een betrouwbare uitkomst, een en ander afhankelijk van de vondstzichtbaarheid aan het oppervlak en de omvang, diepteligging en vondstdichtheid van de verwachte archeologische vindplaats(en). In het geval geen vindplaats is aangetroffen en er twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de uitkomst van de oppervlaktekartering, kan worden besloten tot het uitvoeren van een andere methode als tweede fase van Inventariserend Veldonderzoek.
  
 
==Richtlijnen en aanvullende informatie==
 
==Richtlijnen en aanvullende informatie==
Regel 68: Regel 70:
  
 
Velde, P. van de, 2001: An extensive alternative to intensive survey: Point sampling in the Riu Mannu Survey Project, Sardinia, Journal of Mediterranean Archaeology 14, 24-52.
 
Velde, P. van de, 2001: An extensive alternative to intensive survey: Point sampling in the Riu Mannu Survey Project, Sardinia, Journal of Mediterranean Archaeology 14, 24-52.
|Afbeelding (extern)=[[Bestand:Oppervlaktekartering.jpg|400px|rechts|thumb|Oppervlaktekartering tijdens archeologische
+
|Afbeelding (extern)=[[Bestand:Oppervlaktekartering.jpg|400px|rechts|thumb|Afbeelding 1. Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie foto RCE|alt=Afbeelding 1. Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie foto RCE]]
prospectie foto RCE|alt=Oppervlaktekartering tijdens archeologische
+
[[Bestand:Oppervlaktekartering 2.jpg|400px|rechts|thumb|Afbeelding 2. Voorbeeld van oppervlaktekartering|alt=Afbeelding 2. Voorbeeld van oppervlaktekartering]]
prospectie foto RCE]]
+
|Bron=Bestand:Factsheet-archeologie-oppervlaktekartering.pdf
[[Bestand:Oppervlaktekartering 2.jpg|400px|rechts|thumb|Oppervlaktekartering: Puntlocatie, Raai, Vindplaats, Vondst|alt=Oppervlaktekartering: Puntlocatie, Raai, Vindplaats, Vondst]]
+
|Lid van=Thema/Archeologie,Thema/Inventariserend veldonderzoek
|Lid van=Thema/Archeologie
+
|Specialisten=Eelco Rensink,Jan-Willem de Kort
 
}}
 
}}

Huidige versie van 25 jan 2021 om 14:16

Introductie

Oppervlaktekartering is een methode van Inventariserend Veldonderzoek (IVO) om vondsten aan het oppervlak op te sporen, bijvoorbeeld door middel van het systematisch belopen van braakliggende percelen (akkersEen akker is een stuk bewerkte grond waarop cultuurgewassen zoals graan of suikerbieten worden verbouwd. (Wikipedia)), en het inspecteren van molshopen, geschoonde slootkanten en andere bodemontsluitingen.

Afbeelding 1. Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie foto RCE
Afbeelding 1. Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie foto RCEDe Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is een onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. We werken onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de minister en voeren wet- en regelgeving en erfgoedbeleid uit dat het ministerie en de dienst samen maken. Ook ontwikkelen we praktisch toepasbare kennis en geven we advies over rijksmonumenten, landschap & leefomgeving, archeologie en roerend erfgoed.
Afbeelding 2. Voorbeeld van oppervlaktekartering
Afbeelding 2. Voorbeeld van oppervlaktekartering

Methode

Oppervlaktekartering is geschikt voor het opsporen van vindplaatsen gelegen aan of nabij de oppervlakte en met een hoge vondstdichtheid. Een goede zichtbaarheid van vondsten aan het oppervlak is van groot belang voor een betrouwbaar resultaatEen concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resul taat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.", "Een concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resultaat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews."). Bij een slechte vondstzichtbaarheid (gewasresten, onkruid of groenbemester op akker, akker is niet uitgeregend) is de bruikbaarheid van de methode beperkt.

Strategie

Er zijn twee strategieën van oppervlaktekartering, namelijk het lopen en inspecteren van het oppervlak langs raaien of lijnen, en het inspecteren van puntlocaties.

Het succes van de eerste strategie wordt in sterke mate bepaald door de systematiek en intensiteit waarmee percelen (met goede vondstzichtbaarheid) worden belopen en door de ervaring van de karteerders. De afstand tussen de raaien of looplijnen dient te worden afgestemd op de afmetingen van de verwachte vindplaats(en). Indien vindplaatsen met verschillende afmetingen worden verwacht, is de afmeting van de kleinste verwachte vindplaats (complextype) maatgevend.

Een afstand van 5 tot 10 m tussen de raaien is gebruikelijk voor het vaststellen van de aan- of afwezigheid van middelgrote en grote archeologische vindplaatsen. Voor het opsporen van (zeer) kleine vindplaatsen of vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, is een onderlinge afstand van 5 of zelfs 2 m noodzakelijk. Indien een vindplaats is opgespoord, kan de afstand tussen twee raaien worden verkleind tot bijv. 2,5 of 1 m. Deze vorm van oppervlaktekartering wordt ook wel detailkartering genoemd en kan worden toegepast voor het verzamelen van aanvullende gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. met het oog op het (verder) toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting.

In het geval van een slechte vondstzichtbaarheid aan het oppervlak kan worden gekozen voor de tweede strategie, namelijk het inspecteren van puntlocaties. Door op specifieke, van te voren geselecteerde punten een klein deel van het oppervlak schoon te maken, wordt de vondstzichtbaarheid vergroot. Het aantal puntlocaties en de onderlinge afstand ervan is afhankelijk van de omvang en vondstdichtheid van de verwachte vindplaats(en).

Verzamelwijze

Archeologische vondstenOverblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument. (Erfgoedwet) die tijdens een oppervlaktekartering worden aangetroffen, worden ingemeten en geraapt van het oppervlak. Kleine aantallen vondsten en bijzondere vondsten die wijzen op bijv. een intentionele depositie of een geïsoleerd graf, worden elk afzonderlijk, driedimensionaal (x- en y-coördinaat en hoogte ten opzichte van NAP) ingemeten. Bij een concentratie van vondsten is het van belang de begrenzing ervan in te meten.

Vondsten die deel uitmaken van de concentratie hoeven in dat geval niet individueel te worden ingemeten, maar worden verzameld in vakken van bijv. 2 x 2 m, 5 x 5 m of 10 x 10 m afhankelijk van de omvang van de concentratie. Bij grote hoeveelheden gelijksoortig vondstmateriaal (in type, aard of datering) kan volstaan worden met het verzamelen van een selectie. Het uitgangspunt is dat voldoende materiaal wordt verzameld om uitspraken te doen over aard, omvang en datering van de vindplaats.

Omvang verwachte vindplaats Afstand tussen looplijnen Verzameleenheid vondsten
Zeer klein (<50 m2) 2 m 1 x 1 m
Klein 50-200 m2) 2-5 m 1 x 1 m, 2 x 2 m
Middelgroot (200-1000 m2) 5-10 m 2 x 2 m, 5 x 5 m
Groot (> 1000 m2) 10 m 5 x 5 m, 10 x 10 m

Overzicht van strategie van oppervlaktekartering voor het opsporen van vindplaatsen met verschillende omvang, en de bijbehorende eenheid voor het verzamelen van de vondsten. Nota bene: kleine aantallen en bijzondere vondsten worden bij voorkeur afzonderlijk ingemeten.

Voorbeeld

Zie Afbeelding 2.

In dit voorbeeld wordt uitgegaan van twee middelgrote vindplaatsen (afmetingen ca. 40 x 22,5 m), waarvan één met hoge vondstdichtheid (rechts) en één met lage vondstdichtheid (links). De derde, kleine vindplaats heeft een afmeting van ca. 10 x 8 m. Met een afstand van 10 m tussen de loopraaien wordt de middelgrote vindplaats met hoge vondstdichtheid opgespoord aan de hand van het verzamelen van oppervlaktevondsten. Vanwege de lage vondstdichtheid is de kans groot dat de andere middelgrote vindplaats wordt gemist. De kleine vindplaats valt precies tussen de raaien en wordt vermoedelijk eveneens gemist ondanks de hoge vondstdichtheid. Voor het opsporen van beide laatstgenoemde vindplaatsen dient de tussenafstand tussen de raaien te worden verkleind.

De tweede strategie, het inspecteren van puntlocaties, leidt alleen tot de ontdekking van de middelgrote vindplaats met hoge vondstdichtheid. Voor het opsporen van beide andere vindplaatsen dienen meer puntlocaties te worden geïnspecteerd.

Combinatie met andere methoden

Oppervlaktekartering wordt vrijwel altijd geadviseerd in combinatie met één of meer andere methode(n) van inventariserend veldonderzoek, bijv. geofysisch onderzoek en/of proefsleuvenonderzoek. Indien hiervoor wordt gekozen, heeft het uitvoeren van eerst een oppervlaktekartering de voorkeur. De methode is non-destructief en levert, indien op correcte wijze uitgevoerd, een betrouwbare uitkomst, een en ander afhankelijk van de vondstzichtbaarheid aan het oppervlak en de omvang, diepteligging en vondstdichtheid van de verwachte archeologische vindplaats(en). In het geval geen vindplaats is aangetroffen en er twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de uitkomst van de oppervlaktekartering, kan worden besloten tot het uitvoeren van een andere methode als tweede fase van Inventariserend Veldonderzoek.

Richtlijnen en aanvullende informatie

RCEDe Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is een onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. We werken onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de minister en voeren wet- en regelgeving en erfgoedbeleid uit dat het ministerie en de dienst samen maken. Ook ontwikkelen we praktisch toepasbare kennis en geven we advies over rijksmonumenten, landschap & leefomgeving, archeologie en roerend erfgoed. 2006: Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (versie 1.0), Hoofdstuk 6, Archeologische prospectie, 26-28, Amersfoort.

SIKB 2018: Protocol 4003, Inventariserend Veldonderzoek (landbodems), VS02 Uitvoeren oppervlaktekartering, Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Versie 4.1, 24-25, Gouda.

Smit, B. & D. Stoop 2016: Het verzamelen van (vuur)stenenHarde delfstof die niet smeedbaar, niet brandbaar en (vrijwel) niet in water oplosbaar is. Wordt in de bouwkunst gebruikt als houw-, breuk- of veldsteen. (Haslinghuis) artefactenIn algemene zin, objecten die zijn gemaakt of bewerkt door mensen, gewoonlijk handgereedschap, gebruiksvoorwerpen, sieraden of kunst. In de archeologie is een artefact een object dat is vervaardigd door een menselijke cultuur en wordt onderscheiden van natuurlijke resten, en later is aangetroffen bij archeologische werkzaamheden. Zie ook 'culturele artefacten' voor de context van objecten die specifiek worden verzameld door musea. Gebruik de term niet in de technische en medische betekenis, dat wil zeggen voor een product of effect dat niet aanwezig is in de natuurlijke toestand van een organisme of een systeem, maar optreedt wegens het onderzoek zelf of het gevolg is van een andere externe activiteit. (AAT-Ned)", "Een artefact (Latijn: arte factum - 'kunstmatig gemaakt') is in de archeologie de benaming voor ieder verplaatsbaar object dat door de mens is vervaardigd, bewerkt en/of gebruikt. Artefacten worden meestal bij archeologische opgravingen gevonden. Enkele voorbeelden van artefacten: een vuurstenen vuistbijl, een terracotta amfora, een bronzen fibula, een barnstenen kraal, textiel, een gouden munt, een benen vishaak etc."), in: L. Amkreutz, F. Brounen, J. Deeben, R. Machiels, M.F. van Oorsouw & B. Smit (red.), VuursteenVuursteen of keisteen, ook silex of flint is een gesteente dat vaak in klompen in kalksteen wordt aangetroffen en meestal bruin of grijs van kleur is. Het gesteente wordt vuursteen genoemd, omdat een slag met een stuk vuursteen op een stuk ijzer of pyriet kan resulteren in vonken. verzameld. Over het zoeken en onderzoeken1. Het nauwkeurig onderzoeken van een situatie of voorwerp, meestal om de aard of huidige staat ervan vast te stellen (AAT-Ned). 2. Het (voor)onderzoek van een object is het materiële onderzoek dat voor en tijdens een behandeling wordt uitgevoerd om informatie te verkrijgen, voor documentatiedoeleinden en om beslissingen te kunnen nemen. Onderzoek is een studie die wordt ondernomen om nieuwe gegevens en inzichten op een bepaald wetenschapsgebied te verwerven. van steentijdvondsten en –vindplaatsen, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 50), 12-19.

Velde, P. van de, 2001: An extensive alternative to intensive survey: Point sampling in the Riu Mannu Survey Project, Sardinia, Journal of Mediterranean Archaeology 14, 24-52.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 25 jan 2021 om 14:16.