Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie

Introductie

Oppervlaktekartering is een methode van Inventariserend Veldonderzoek (IVO) om vondsten aan het oppervlak op te sporen, bijv. door middel van het systematisch belopen van braakliggende percelen (akkersEen akker is een stuk bewerkte grond waarop cultuurgewassen zoals graan of suikerbieten worden verbouwd. (Wikipedia)), en het inspecteren van molsho- pen, geschoonde slootkanten en andere bodemontsluitingen.

alt=Oppervlaktekartering tijdens archeologische prospectie foto RCEDe Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is een onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. We werken onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de minister en voeren wet- en regelgeving en erfgoedbeleid uit dat het ministerie en de dienst samen maken. Ook ontwikkelen we praktisch toepasbare kennis en geven we advies over rijksmonumenten, landschap & leefomgeving, archeologie en roerend erfgoed.
Oppervlaktekartering: Puntlocatie, Raai, Vindplaats, Vondst
Oppervlaktekartering: Puntlocatie, Raai, Vindplaats, Vondst

Methode

Oppervlaktekartering is geschikt voor het opsporen van vindplaat- sen gelegen aan of nabij de oppervlakte en met een hoge vondstdichtheid. Een goede zichtbaarheid van vondsten aan het oppervlak is van groot belang voor een betrouwbaar resultaatEen concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resul taat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews.", "Een concreet product of dienst waarvan helder is als het gereed is. Een resultaat is altijd concreet aanwijsbaar (zelfstandig naamwoord). Voorbeelden zijn: wet, vergunning, regeling, opgeleverd systeem, een twintigtal interviews."). Bij een slechte vondstzichtbaarheid (gewasresten, onkruid of groenbemester op akker, akker is niet uitgeregend) is de bruik- baarheid van de methode beperkt.

Strategie

Er zijn twee strategieën van oppervlaktekartering, namelijk het lopen en inspecteren van het oppervlak langs raaien of lijnen, en het inspecteren van puntlocaties.

Het succes van de eerste strategie wordt in sterke mate bepaald door de systematiek en intensiteit waarmee percelen (met goede vondstzichtbaarheid) worden belopen en door de ervaring van de karteerders. De afstand tussen de raaien of looplijnen dient te worden afgestemd op de afmetingen van de verwachte vindplaats(en). Indien vindplaatsen met verschillende afmetingen worden verwacht, is de afmeting van de kleinste verwachte vindplaats (complextype) maatgevend.

Een afstand van 5 tot 10 m tussen de raaien is gebruikelijk voor het vaststellen van de aan- of afwezigheid van middelgrote en grote archeologische vindplaatsen. Voor het opsporen van (zeer) kleine vindplaatsen of vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, is een onderlinge afstand van 5 of zelfs 2 m noodzakelijk. Indien een vindplaats is opgespoord, kan de afstand tussen twee raaien worden verkleind tot bijv. 2,5 of 1 m. Deze vorm van oppervlakte- kartering wordt ook wel detailkartering genoemd en kan worden toegepast voor het verzamelen van aanvullende gegevensEen losstaand feit of symbool zonder betekenis voor de ontvanger of opsteller. met het oog op het (verder) toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting.

In het geval van een slechte vondstzichtbaarheid aan het opper- vlak kan worden gekozen voor de tweede strategie, namelijk het inspecteren van puntlocaties. Door op specifieke, van te voren geselecteerde punten een klein deel van het oppervlak schoon te maken, wordt de vondstzichtbaarheid vergroot. Het aantal puntlocaties en de onderlinge afstand ervan is afhankelijk van de omvang en vondstdichtheid van de verwachte vindplaats(en).

Verzamelwijze

Archeologische vondstenOverblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument. (Erfgoedwet) die tijdens een oppervlaktekartering worden aangetroffen, worden ingemeten en geraapt van het oppervlak. Kleine aantallen vondsten en bijzondere vondsten die wijzen op bijv. een intentionele depositie of een geïsoleerd graf, worden elk afzonderlijk, driedimensionaal (x- en y-coördinaat en hoogte ten opzichte van NAP) ingemeten. Bij een concentratie van vondsten is het van belang de begrenzing ervan in te meten.

Vondsten die deel uitmaken van de concentratie hoeven in dat geval niet individueel te worden ingemeten, maar worden verzameld in vakken van bijv. 2 x 2 m, 5 x 5 m of 10 x 10 m afhankelijk van de omvang van de concentratie. Bij grote hoeveel- heden gelijksoortig vondstmateriaal (in type, aard of datering) kan volstaan worden met het verzamelen van een selectie. Het uitgangspunt is dat voldoende materiaal wordt verzameld om uitspraken te doen over aard, omvang en datering van de vindplaats.

{

Meer informatie

Zie ook


    Hoort bij


    Specialist(en)


      Contact