Fotografisch materiaal - bewaren

Introductie[bewerken]

In vrijwel alle museum-, archief-, en bibliotheekcollecties bewaart men fotografisch materiaal, in de vorm van negatieven, dia’s, afdrukken en films, zowel in zwart-wit als in kleur. Deze beelddragers zijn gemaakt met verscheidene technieken en procedés, waardoor ze variëren in samenstelling, vorm, opbouw en formaat.

Fotografisch materiaal kent een aantal algemene conserveringsproblemen, zoals gevoeligheid voor licht, vocht, warmte, luchtverontreiniging en hantering. Daarnaast kennen verschillende procedés hun eigen problemen, die samenhangen met de instabiliteit van de gebruikte materialen. Fotografisch materiaal kan men in het algemeen het best bij een lage temperatuur (T) en lage relatieve luchtvochtigheid (RV) bewaren, in het donker en in de juiste verpakking. Dit artikel legt uit hoe dat kan.

Dia uit circa 1960 waarin cyaan en geel zijn verbleekt
Afb. 1. Dia uit circa 1960 waarin cyaan en geel zijn verbleekt. Foto: Spaarnestad Fotoarchief
Chromogene kleurenfoto uit 1952
Afb. 2. Chromogene kleurenfoto uit 1952, afgedrukt op bariet-papier; verkleuring in de hoge lichten naar geel als gevolg van instabiliteit van de kleurkoppelaar. Foto: archief Clara von Waldthausen
Grafiek met de tijd in jaren waarin 30% verlies optreedt in kleurenfoto’s
Figuur 1. Tijd (jaar) waarin 30% verlies optreedt in kleurenfoto’s, in het donker bij verschillende temperatuur en relatieve luchtvochtigheid (RV). (Data: Reilly, J.M. (1998) Storage Guide for Color Photographic Materials, Caring for color slides, prints, negatives and movie films, Image Permanence Institute, Rochester, New York.)
Grafiek met het verloop van temperatuur T (rood) en relatieve luchtvochtigheid RV (blauw) in een aluminium gecoate polyetheen zak met sluitstrip
Figuur 2. Het verloop van temperatuur T (rood) en relatieve luchtvochtigheid RV (blauw) in een aluminium gecoate polyetheen zak met sluitstrip, gevuld met 20 kleurenfoto’s in papieren omslag (totaal gewicht van inhoud 72 g).

Conserveringsproblemen

Fotografisch materiaal bestaat uit een drager met daarop de beeldlaag die beeldvormende chemische stoffen bevat in een emulsie of bindmiddel. Soms is hierop nog een coating aangebracht die bescherming biedt tegen krassen of de inwerking van ultraviolette straling.

Dragers

De bekendste dragers zijn glas, cellulosenitraat, celluloseacetaat en polyester voor negatieven en dia’s, en (bariet)papier en polyetheen(PE)papier voor afdrukken. Van deze dragers is glas zeer gevoelig voor mechanische schade (breuk) en voor chemische afbraak (glasdegradatie). Cellulosenitraat en -acetaat zijn chemisch zeer instabiel. Ze breken bij kamertemperatuur al snel af waarbij producten ontstaan die verdere degradatie versnellen (auto-katalytische degradatie).

Beeldlaag: emulsie en bindmiddel

De fotochemische processen die het beeld vormen vinden plaats in de beeldlaag. Bij zwart/wit-procedés bevat de emulsie (gelatine) of het bindmiddel (albumine of collodium) zilverdeeltjes. Bij kleurprocedés bevatten ze organische kleurstoffen en anorganische toevoegingen.

Gelatine

Gelatine is een eiwit dat vooral gevoelig is voor zwellen en krimpen. Het is zeer hygroscopisch en trekt water aan. Bovendien is de glasovergangstemperatuur (Tg) afhankelijk van het vochtgehalte. De glasovergangstemperatuur is de temperatuur waarbij een materiaal overgaat van een breekbare, glasachtige toestand naar een plastische, gelachtige toestand. Boven de glasovergangstemperatuur wordt gelatine een kleverige gel die gevoelig is voor veranderingen in het oppervlak (krassen, ferro-typing), redoxreacties van zilver (bijvoorbeeld zilverspiegel), diffusie van ionen en schimmelgroei. Om dat te voorkomen moet de temperatuur onder de Tg blijven. Bij een RV van 75% bedraagt de Tg van gelatine slechts 22ºC. Bij een RV van 65% loopt de Tg op tot 30ºC. Bij nog lagere RV stijgt de Tg en neemt de kans op overschrijding ervan verder af. Hoe droger de omgeving, hoe kleiner de kans is dat er gelvorming optreedt. Bij 20ºC mag de RV echter niet onder de 30% komen omdat anders de gelatine uitdroogt. Acetaat- en nitraatfilms vormen een uitzondering op die regel. Daarvoor geldt een ondergrens van 20% RV, omdat de drager erg gevoelig is voor afbraak onder invloed van vocht (hydrolyse). Als de films worden ingevroren kan de RV naar 20% zakken zonder gevaar voor uitdroging van gelatine.

Albumine

Albumine, een ander eiwit, is iets minder hygroscopisch dan gelatine. Maar door direct contact met water of schommelingen in RV breekt het eiwitskelet en barst de beeldlaag. Voor albumine geldt ook dat de RV laag moet zijn, zo stabiel mogelijk, met een ondergrens van 30% RV. De aanbevolen bovengrens bedraagt 45% bij 20ºC. Albumine is bovendien gevoelig voor chemische factoren. Suikers uit lijm en papier kunnen in een alkalische omgeving reageren met het eiwit, waardoor het vergeelt (Maillard-reactie). Albumine foto’s zijn heel gevoelig voor zwavelhoudende verbindingen en sterke oxidanten zoals peroxides en ozon, vooral bij een hoge RV. Verder zijn ze heel gevoelig voor UV-straling.

Collodium

Collodium is een harde cellulosenitraatlak, die men in combinatie met barietpapier gebruikt. In tegenstelling tot cellulosenitraatfilm is het weinig gevoelig voor hydrolyse. Het is wel heel gevoelig voor schommelingen in RV omdat het barietpapier meer zwelt en krimpt dan de stijve lak. Daardoor ontstaat er spanning in de beeldlaag en trekt deze kapot. Voor collodium geldt dat de RV zo stabiel mogelijk moet zijn met een ondergrens van 30%.

Beeldlaag: beeldvormende verbindingen

De verbindingen die het beeld vormen, zijn vooral gevoelig voor chemische factoren. In zwart/wit-materiaal kunnen de zilverdeeltjes redoxreacties ondergaan, wat leidt tot rood-oranje vlekken en zilverspiegeling. Bij kleurenmateriaal zijn de organische kleurstoffen (cyaan, magenta, geel) instabiel.

Chromogeen procedé

Het tot op heden meest gebruikte procedé voor kleurenfoto’s, dia’s en negatieven is het chromogene procedé. Voortbouwend op dit kleurkoppelaarsysteem zijn onder meer het Kodachrome-, Cibachrome en Ilfochrome-proces ontwikkeld de silver dye-bleach procedés. Tot begin jaren ’80 van de twintigste eeuw was het chromogene procedé in het algemeen erg instabiel. Daarna is de stabiliteit onder druk van de consument sterk verbeterd. Parallel aan deze ontwikkeling vond die van het silver dye-diffusion proces plaats, bekend van het direct-klaar-systeem van Polaroid.

Van al het kleurenmateriaal behoren de vroege chromogene foto’s tot de meest kwetsbare. Bij veroudering verbleken de kleurstoffen en kan de gelatine gaan vlekken. Verbleken leidt in kleurenmateriaal tot het verlies van de detaillering in de lichte partijen, een afname van contrast en dichtheid van het beeld, en een verschuiving in de kleurbalans, omdat de kleurstoffen in verschillende mate verkleuren (figuur 1). De kleurstoffen verbleken niet alleen in het licht, maar ook in het donker. Een bekend voorbeeld is de foto in het album die rood-bruin is geworden omdat cyaan en geel zijn verbleekt (zie afb. 1 en 2).

Stabiel bewaren

Figuur 2 toont de invloed van temperatuur (T) en relatieve luchtvochtigheid (RV) op het verlies van kleur van moderne kleurenfoto’s. De lijn rechtsboven in de grafiek verbindt de condities waarbij de minst stabiele kleurstof in een moderne kleurenfoto in vijf jaar tijd 30% van zijn kleurdichtheid verliest. Zowel het verlagen van de temperatuur (naar links in de grafiek) als het verlagen van de relatieve luchtvochtigheid (naar beneden in de grafiek) verlengen de levensduur van de kleurenfoto’s. Een lage temperatuur en relatieve luchtvochtigheid zijn derhalve de belangrijkste condities voor het behoud van fotografisch materiaal. Uit de grafiek valt ook op te maken dat het verlagen van de temperatuur met 10ºC een groter effect heeft dan het verlagen van de relatieve luchtvochtigheid met 10%. Bij een temperatuur onder het vriespunt liggen de degradatieprocessen vrijwel stil.

Time-of-out-storage

Wat de meest geschikte bewaarcondities zijn, hangt echter sterk af van hoe vaak en hoe lang men de foto’s gebruikt. Het aantal dagen per jaar dat het fotomateriaal buiten de ideale bewaarcondities verblijft, wordt de time-out-of-storage genoemd. In tabel 1 zijn verschillende bewaarcondities op een rijtje gezet met daarbij de relatieve chemische stabiliteit van kleurenmateriaal bij een time-out-of-storage van 0 tot 30 dagen per jaar. De relatieve chemische stabiliteit bij normale museumcondities (20ºC/50% RV) is gesteld op 1,0.

Bewaarcondities T (ºC) RV (%) Time-out-of-storage (dagen/jaar)
0 3 5 10 30
Museumcondities 21 50 1.0 1.0 1.0 1.0 1.0
Koel, hoge RV 15 56 1.9 1.9 1.9 1.8 1.8
Koel, lage RV 15 32 4.1 4.0 3.9 3.8 3.3
Koud, hoge RV 5 52 9 8 8 7 5
Koud, lage RV 5 28 18 16 15 12 8
Vriezen, hoge RV -20 42 380 124 61 33 12
Vriezen, lage RV -20 21 690 145 66 35 12
Tabel 1. Relatieve chemische stabiliteit van chromogene kleurstoffen in het donker (t.o.v. museumcondities, waarbij de chemische stabiliteit op 1 is gesteld). De getallen geven aan hoeveel langer de kleurstoffen chemisch stabiel blijven. (Bron: M.H. McCormick-Goodhart, 1996).

Toename in stabiliteit

Wanneer men fotomateriaal bij -20ºC en 42% RV bewaart zonder gebruik (time-out-of-storage=0 dagen/jaar) gaat het 380 keer zo lang mee als onder normale condities. Bij -20ºC en 21% RV gaat het zelfs 690 keer zo lang mee als onder normale condities. Wanneer het fotomateriaal echter gemiddeld vijf dagen/jaar buiten de vriezer verblijft (één keer raadplegen per jaar), bedraagt de toename in stabiliteit nog maar circa 60 keer en doet verlagen van de RV er weinig toe. Voor een object dat gemiddeld 30 dagen/jaar buiten de vriezer verblijft (één tentoonstelling van vier maanden in vier jaar), levert bewaren in de vriezer nog maar een winst van 12 keer op. In dat geval kan men het object bijna net zo goed bewaren bij +5ºC met een lage RV, wat nog altijd een toename in stabiliteit van 8 keer oplevert. Dit is weliswaar iets minder dan de factor 12 in de vriezer, maar men zal zich afvragen of die relatief geringe toename in stabiliteit de extra kosten voor vriesapparatuur rechtvaardigt. Bij een T van +15ºC wordt de stabiliteit ten opzichte van normale museumcondities verdubbeld en levert de verlaging van de RV van 56% naar 32% ook nog eens een verdubbeling op. De time-out-of-storage doet er onder die condities weinig toe.

Effect op afbraak van acetaatfilm

In tabel 2 is het effect van temperatuur, relatieve luchtvochtigheid en time-out-of-storage op de afbraak van verse acetaatfilm weergegeven, uitgedrukt als het aantal jaren dat zal verstrijken tot het begin van degradatie en de vorming van azijnzuur (het azijnzuursyndroom). Als begin van degradatie hanteert men een gehalte aan vrij zuur in de film van 0,5 (het gehalte vrij zuur wordt uitgedrukt als het aantal ml 0,1 mol/L natrium hydroxide oplossing dat nodig is om 1 gram film te neutraliseren). Ook hier geldt dat verlagen van T en RV de degradatie vertraagt maar dat de time-out-of-storage bepaalt welke investering gerechtvaardigd is. Voor reeds gedegradeerde film gelden dezelfde principes, alleen zijn de tijden veel korter. Voor oude acetaat- en nitraatfilms geldt daarom dat je ze zo koud mogelijk moet bewaren en dat de time-out-of-storage zo laag mogelijk moet zijn.

Dat betekent in de praktijk dat men het originele materiaal vóór invriezen analoog (op polyester) of digitaal moet dupliceren.

Bewaarcondities T (ºC) RV (%) Time-out-of-storage (dagen/jaar)
0 3 5 10 30
Museumcondities 21 50 40 40 40 40 30
Museum, lage RV 21 50 90 90 80 80 70
Koel, hoge RV 16 60 60 60 60 60 50
Koel, lage RV 16 20 175 175 175 150 100
Koud, hoge RV 4 60 250 250 200 200 125
Koud, lage RV 4 20 800 800 500 400 200
Vriezen, hoge RV -18 60 >>3500 3500 1250 700 250
Vriezen, lage RV -18 20 >3500 >3500 1500 700 250
Tabel 2. Effect van temperatuur (T), relatieve luchtvochtigheid (RV) en time-out-of-storage op de afbraak van verse acetaatfilm, uitgedrukt als het aantal jaren tot het begin van het azijnzuursyndroom (gehalte aan vrij zuur van 0,5) (Bron: J.M. Reilly: Storage guide for Acetate Film).

Samenvatting

Samenvattend kun je stellen dat verlaging van de temperatuur de meeste winst in chemische stabiliteit oplevert; dat bij temperaturen boven de 0ºC verlaging van de relatieve luchtvochtigheid een significante winst oplevert, maar dat het gebruik en de tijd die het fotomateriaal buiten de koele of koude bewaarcondities doorbrengt, uiteindelijk bepalen welke investering gerechtvaardigd is. Bij een time-out-of-storage van minder dan gemiddeld 30 dagen/jaar heeft opslag bij -20ºC zin, bij meer dan 30 dagen/jaar is een temperatuur van 5ºC voldoende. Door de temperatuur een paar graden te verlagen en de RV te verlagen, kun je de houdbaarheid van fotomateriaal vaak al met een factor 4 verlengen.

Algemeen geldt voor het koud bewaren van fotomateriaal
glas en glasnegatieven niet onder nul
kleurenpolaroids niet onder nul
zwartwitpositieven koel, maar niet persé onder nul
zwartwitnegatieven zo koud mogelijk
kleurenpositieven zo koud mogelijk
kleurennegatieven zo koud mogelijk

Koude opslag

Koude opslag is cruciaal voor het behoud van fotomateriaal. Ook als de foto of film al is verbleekt, is het van belang om verdere degradatie te remmen. Het nog resterende beeld kan wellicht in de toekomst digitaal worden bewerkt.

De nadelen van koude opslag zijn dat de toegankelijkheid van de collectie aanzienlijk wordt verlaagd en dat er procedures moeten worden gevolgd om schade als gevolg van de overgang van een koude naar een warme omgeving, en vice versa, te voorkomen. Koud bewaren houdt in dat het raadplegen van het materiaal tot een minimum beperkt moet kunnen worden.

Er zijn verschillende mogelijkheden voor koude opslag waarbij zowel temperatuur, relatieve luchtvochtigheid als volume van de ruimte variëren.

De koude kluis

Met het begrip ‘koude kluis’ wordt een speciaal ontworpen ruimte aangeduid waarin temperatuur, relatieve luchtvochtigheid en ventilatie worden geregeld. Men spreekt ook wel van een koud depot. De temperatuur ligt meestal tussen +1 en +10ºC bij een RV van circa 35%. De ruimte moet zijn voorzien van een koele sluis waarin materiaal kan acclimatiseren.

De kosten voor aanleg, onderhoud en gebruik zijn hoog. Een koude kluis is interessant voor opslag van grote collecties waardevol materiaal, waarvan niet alle onderdelen afzonderlijk in dampdichte verpakkingen hoeven te worden opgeborgen.

Koel- of vriescel

Een koel- of vriescel wordt uit isolatieplaat in een al bestaande ruimte opgebouwd. Met een koelsysteem regelt men de temperatuur. Een koelcel heeft over het algemeen een temperatuur van +1 tot +5ºC, een vriescel van -10 tot -20ºC. In overleg met de leverancier kun je andere temperaturen instellen.

De relatieve luchtvochtigheid wordt normaal gesproken niet geregeld en ligt bij koelen tussen de 70 en 80% en bij vriezen tussen de 80 en 90%. De prijs van een koel- of vriescel met een volume van circa 10 m3 inclusief koelmachine ligt rond de € 10.000. Daar komen kosten voor onderhoud en gebruik bij. Tegen meerprijs is het bij sommige leveranciers ook mogelijk de relatieve luchtvochtigheid te regelen. Dan wordt de cel een soort koude kluis en is het aan te bevelen hem te voorzien van een sluis voor het acclimatiseren van het fotomateriaal. In alle andere gevallen kan het materiaal worden verpakt in dampdichte plastic zakken (zie ‘Koel/vriesverpakking’).

Een vriescel is met name geschikt voor opslag van grote hoeveelheden materiaal dat niet veel wordt gebruikt en goed kan worden verpakt. Voor materiaal dat gemiddeld meer dan 30 dagen/jaar wordt gebruikt, is een koelcel goed genoeg.

Huishoud koel- en vrieskast

Koelkasten voor huishoudelijk gebruik koelen van +4 tot +10ºC. De prijs voor een goede koelkast met 300 L inhoud ligt rond de € 700. Diepvrieskasten of -kisten voor huishoudelijk gebruik vriezen tot -18ºC. Ze kosten € 800-1000 voor een inhoud van 250 L. Een kast is toegankelijker dan een kist.

In geen van beide typen wordt de relatieve luchtvochtigheid geregeld. Koel- en vrieskasten zijn relatief goedkoop in gebruik en vergen weinig onderhoud. Ze zijn met name geschikt voor kleinere collecties waarvan je het materiaal afzonderlijk in dampdichte plastic zakken kunt verpakken. Verder gelden dezelfde overwegingen als voor de koel- en vriescellen.

Let bij aanschaf op:

  • KEMA-keur (elektrische veiligheid)
  • volautomatische ontdooiing met afvoer van dooiwater
  • alarmsignaal bij uitvallen
  • temperatuuraanduiding
  • constante temperatuur (geen grote pieken door aan- en afslaan)
  • ‘no-frost’
  • geforceerde ventilatie

Een ‘no-frost’ systeem heeft de verdamper gescheiden van de koelruimte. Daardoor heerst er een lagere relatieve luchtvochtigheid in de koelruimte en treedt er geen rijpvorming op.

Een koel-of vrieskast met geforceerde ventilatie heeft een meer gelijkmatige verdeling van temperatuur onder en boven in de kast.

Plaats een betrouwbare thermometer en hygrometer in de kast en controleer T en RV regelmatig.

Zet de kast in een ruimte waar de warmte die het koelsysteem ontwikkelt kan worden afgevoerd zonder het klimaat in de ruimte te verstoren.

Bedrijfskoelkast

Bedrijfskoelkasten worden gemaakt voor het bewaren van onder andere gebak en wijn. Ze regelen de relatieve luchtvochtigheid op 50-60% bij een temperatuur van circa 2ºC. Prijzen variëren van € 1000-3000. Voor een relatieve luchtvochtigheid van 30-40% moet je iets meer betalen.

Koelen en opwarmen

Wanneer men onverpakt materiaal uit een koele ruimte naar een warme ruimte verplaatst, bestaat het risico dat aan het koude oppervlak van het materiaal de temperatuur beneden het dauwpunt komt. Het dauwpunt is de temperatuur waarbij afkoelende lucht juist verzadigd is met waterdamp. Als de temperatuur onder het dauwpunt komt, treedt condensvorming op. Warme zomerlucht (25ºC, 70% RV) raakt bij 19ºC reeds verzadigd. De lucht in een verwarmde ruimte in de winter (20ºC, 40% RV) kan tot 6ºC afkoelen voordat condensvorming optreedt. Materiaal dat uit een koude kluis met een temperatuur van 4ºC komt, kan niet in één keer worden overgebracht naar een ruimte van 20ºC zonder dat de RV aan het oppervlak oploopt tot ver over de acceptabele grens. Voor de overgang naar een ruimte met een RV van 50% is een temperatuurtoename van 7ºC het maximaal aanvaardbare (zie tabel 3).

Condities T (ºC) RV (%) Dauwpunt (ºC)
Zomer niet geconditioneerd 25 70 19
  ontvochtigd 25 50 14
Museumcondities 20 50 9.5
Winter verwarmd 20 40 6
Tabel 3. Temperatuur waarbij aan het oppervlak van een materiaal een RV van 100% wordt bereikt, wanneer het in contact komt met lucht van bepaalde condities (dauwpunt).

Constant vochtgehalte

Om plastische deformaties van de emulsie te voorkomen, moet het vochtgehalte van het fotomateriaal tijdens koelen en opwarmen constant blijven. Het vochtgehalte van het materiaal is altijd in evenwicht met de relatieve luchtvochtigheid. Wanneer fotomateriaal wordt gekoeld, wil het vocht opnemen. Daarom zou je de relatieve luchtvochtigheid voor iedere 10ºC temperatuurverlaging met 3-4% moeten verlagen; voor 10ºC opwarmen moet je de relatieve luchtvochtigheid 3-4% verhogen. Een manier om het vochtgehalte constant te houden, is te zorgen voor minimale uitwisseling van vocht met de omgeving. Dat kan door het materiaal met zo min mogelijk lucht erbij in een dampdichte verpakking te stoppen. Hoewel zich ook dan een evenwicht zal instellen tussen de relatieve luchtvochtigheid en het vochtgehalte van het materiaal, zijn de absolute hoeveelheden vocht die daarbij zijn betrokken zo klein dat het effect op het vochtgehalte van het materiaal minimaal is. De verpakking fungeert bovendien als bescherming tegen vocht uit de warme buitenlucht, dat bij het opwarmen op de koude verpakking condenseert. Geschikte verpakkingen zijn dampdichte aluminium-gecoate plastic zakjes met sluitstrip of heat seal.

Risico van condensvorming

Hoewel er in de verpakking slechts een minimale hoeveelheid lucht en vrij vocht aanwezig is, bestaat er tijdens het afkoelen een risico van condensvorming aan de binnenzijde van de verpakking. De verpakking koelt sneller af dan het verpakte materiaal en de lucht in de verpakking. Wanneer het afkoelen van de lucht sneller gebeurt dan de opname van vocht door het verpakte materiaal, condenseert het teveel aan vocht in de iets warmere lucht tegen de binnenkant van de koude verpakking. Om dit verschijnsel te voorkomen kun je een hoeveelheid van 10% (gewicht) extra papier of karton in de verpakking plaatsen dat fungeert als vochtbuffer. Meestal zijn de individuele verpakkingen van de foto’s of negatieven hiervoor al voldoende.

Vermijd snelle veranderingen in temperatuur Belangrijk is ook om snelle veranderingen in temperatuur te vermijden zodat er voldoende tijd is voor het instellen van het evenwicht tussen vochtgehalte van het verpakte materiaal en relatieve luchtvochtigheid in de verpakking. Bij een overgang van -18ºC naar +20ºC of andersom moet je de verpakking eerst een etmaal bij een tussenliggende temperatuur plaatsen. Dit kan in een koelkast of in een voorgekoelde koelbox of dikke polystyreen doos met koude koelelementen.

Koel/vriesverpakking

  1. Plaats het fotografisch materiaal bij een RV van 35-60% in droge, individuele, PAT-goedgekeurde papieren hoesjes of omslagen. Gebruik (liever) geen kunststof hoesjes om condensvorming in de verpakking te voorkomen (zie ‘Verpakkingen’).
  2. Pak een stapeltje materiaal in een dampdichte plastic zak. Druk met de hand zo veel mogelijk lucht uit de zak en sluit hem af.
  3. Schuif de verpakking in een tweede doorzichtige plastic zak.
  4. Schrijf de gegevens over de inhoud van de verpakking op een kaart en schuif die leesbaar tussen de twee zakken.
  5. Schuif eventueel nog een stuk vochtbufferend karton tussen de twee zakken en een vochtindicator. De standaard kobaltchloride (CoCl2) indicator is lavendelblauw bij 25ºC/60% en -18ºC/40% en wordt roze als het vochtiger wordt.
  6. Koel de verpakking een etmaal voor en plaats deze uiteindelijk in de definitieve opslag.
  7. Open de verpakking pas weer na een etmaal geleidelijk opwarmen, wanneer de verpakking met inhoud even warm aanvoelt als de omgeving. Houd er rekening mee dat de kern langer koud blijft dan de buitenkant.

Wanneer de fotocollectie in kartonnen dozen is verpakt, kan men er ook voor kiezen het materiaal in een dampdichte zak in de doos te plaatsen en de gehele doos vervolgens in een doorzichtige plastic zak. De doos doet dan dienst als eerste vochtbuffer en als extra versteviging. Houd er rekening mee dat bevroren materiaal zeer teer en breekbaar is.

Verpakkingen

De eisen waaraan verpakkingen voor archief- en fotomateriaal moeten voldoen, staan beschreven in een aantal (inter)nationale standaarden. De specifieke geschiktheid van verpakkingen voor fotografisch materiaal, zoals papier, tissue, karton en plastic, wordt getest met de Photographic Activity Test (PAT) [ISO 18916]. De PAT bepaalt of er schadelijke interacties plaatsvinden wanneer men fotografisch materiaal en verpakking gedurende vijftien dagen in contact met elkaar blootstelt aan 70ºC en 86% RV. De PAT is oorspronkelijk ontwikkeld voor zwart/wit-materiaal, maar tegenwoordig is er ook een test voor kleurenprocedés.

PAT Research Report

De PAT wordt uitgevoerd door het Image Permanence Institute (IPI) in Rochester, New York. Een getest product krijgt een 'Research Report'. Als een materiaal goed uit de test komt, vermeldt de leverancier in zijn catalogus passed photographic activity test. Niettemin wordt aanbevolen om, zeker bij aanschaf van grote partijen verpakkingsmateriaal, een kopie van het bijbehorende 'PAT Research Report'op te vragen. Soms wordt geadverteerd dat een product PAT-getest is. Dat is wat anders dan PAT-goedgekeurd. Let ook op de datum van de test. Leveranciers kunnen namelijk de samenstelling van hun product veranderen zonder dat te vermelden.

Behalve verpakkingen kunnen ook andere producten, zoals inkten en lijmen, schadelijk zijn voor fotografisch materiaal. De inkt die men gebruikt voor het bedrukken of beschrijven van de verpakking, mag niet uitbloeden, migreren of afgeven. Lijmen van etiketten en enveloppen kunnen organische oplosmiddelen en weekmakers bevatten. Ook voor deze materialen geldt dat ze met goed gevolg de PAT moeten doorstaan. Daartoe worden ze op Whatman no. 1 filtreerpapier aangebracht en vervolgens aan de PAT onderworpen.

Papier

Papier is het eenvoudigste materiaal om fotocollecties in te verpakken. Het is relatief goedkoop, kan worden beschreven met potlood, biedt bescherming tegen licht, heeft een bufferende werking voor vocht, is poreus en sluit geen gassen in en is eenvoudig in verschillende formaten te vouwen. Nadeel is dat je de foto uit de verpakking moet halen om hem te bestuderen en dat papier niet waterdicht is.

Papier voor verpakkingen moet stevig genoeg zijn om de gewenste steun te bieden, maar mag geen krassen veroorzaken. Het moet PAT-goedgekeurd zijn, gemaakt van 100% lompen, ongekleurd, en mag geen lignine bevatten.

De eisen die men stelt aan de zuurgraad (pH) van papier en karton dat in contact komt met fotografische emulsies, wijken af van die voor ander archiefmateriaal. Omdat men chromogene foto’s tot eind jaren ’70 stabiliseerde met een constant lage pH (circa 4), mogen ze niet in contact komen met de alkalische reserve van gebufferd papier. Voor moderne kleurenfoto’s geldt dit niet, maar gemakshalve kunnen de volgende vuistregels worden gehanteerd:

  • Gebruik voor alle kleurenpositieven en cyanotypieën ongebufferd papier.
  • Gebruik voor alle zwart/wit-positieven bij voorkeur ongebufferd papier, maar gebufferd kan ook.
  • Gebruik voor al het nitraat- en acetaatmateriaal (negatieven, dia’s, films) gebufferd papier (in ongebufferd papier vergaat het nitraat- en acetaatmateriaal sneller dan de kleuren in gebufferd papier).

Het karton van de dozen waarin verpakte collecties worden bewaard, moet wel alkalisch gebufferd en bij voorkeur PAT-goedgekeurd zijn.

Kunststof

Kunststof verpakkingen hebben het grote voordeel dat ze transparant zijn, zodat je de afbeelding kunt bekijken zonder deze uit de verpakking te halen. Dit beperkt de kans op schade tijdens hanteren. Kunststof biedt bovendien bescherming tegen water. Een nadeel van kunststof is dat het vocht en schadelijke gassen insluit. In een niet-geklimatiseerde omgeving kan de gelatine-emulsie tegen de kunststof plakken of kan ferro-typing van de emulsie optreden. De plekken die in contact komen met de kunststof verpakking krijgen dan een andere glans dan de rest van de foto, wat visueel storend is. Acetaat- en nitraatfilms mogen nooit in kunststof worden verpakt. Verder is kunststof duurder dan papier, is het moeilijker te beschrijven, krast het snel, is het slap en biedt het weinig ondersteuning en smelt het bij brand.

Ook voor kunststoffen geldt dat ze chemisch inert en stabiel moeten zijn en door de PAT moeten komen. Ze mogen geen coating of andere afwerking hebben (zoals een antistatische laag) en geen weekmakers of andere additieven bevatten. In principe zijn polyester (Melinex), polyetheen (PE) en polypropeen (PP) geschikt. Wanneer een kunststof een geur heeft of niet helder transparant is, is hij verdacht.

Verpakkingsmethoden

De keuze voor een bepaalde verpakking wordt bepaald door de gevaren waartegen de collectie moet worden beschermd. Daarbij spelen ook zaken als raadpleegfrequentie en gebruik van de collectie een rol. Leveranciers bieden kant-en-klare oplossingen voor zowel individuele verpakkingen (enveloppen, hoesjes, omslagen) als voor opbergsystemen (mappen, dozen). Deze zijn afgestemd op de standaardformaten van negatieven en positieven. Voor afwijkende maten moeten verpakkingen worden gemaakt. Let er bij kant-en-klare verpakkingen op dat ook eventueel gebruikte lijmen goedgekeurd zijn en dat er geen scherpe randen in zitten die schade aan de emulsie kunnen veroorzaken.

Four-flaps

Zelfgemaakte of kant-en-klare four-flaps, gevouwen uit PAT-goedgekeurd papier, zijn de meest universele manier om fotomateriaal te verpakken (met name glasnegatieven). Ze bieden goede steun en bevorderen het vlak hanteren van het materiaal.

Formaten

Groot formaat foto’s worden vlak bewaard. Klein formaat foto’s kunnen verticaal worden bewaard, mits ze met een opzetkarton worden ondersteund. Het opzetten van de foto’s gebeurt met fotohoekjes. Je kunt zelf hoekjes vouwen uit vierkantjes papier die je met lijm opplakt, alles PAT-goedgekeurd.

Tegenwoordig wordt afgeraden foto’s in passe-partout met uitgesneden venster te bewaren. In de uitsnede kan zich een microklimaat vormen, waardoor verbruining van het object optreedt. Het is beter om foto’s in een dichte omslag op te bergen.

Opslag van en omgang met nitraatfilm

Nitraatfilm is een brandgevaarlijk materiaal. Verse film heeft een zelfontbrandingstemperatuur van 109ºC, maar gedegradeerde nitraatfilm kan al bij 36ºC overgaan tot zelfontbranding. In bevroren toestand is nitraatfilm veilig, maar het materiaal vraagt de grootste voorzichtigheid in de omgang. Brandschade als gevolg van nitraatontbranding wordt door de verzekering niet gedekt. Overleg met de brandweer hoe cellulosenitraatfilm veilig bewaard en gehanteerd kan worden.

Richtlijnen voor de opslag van en omgang met cellulosenitraatfilm worden gegeven in: Standard for the storage and handling of cellulose nitrate film van de National Fire Protection Association in de Verenigde Staten. Tips voor opslag en omgang met cellulosenitraatfilm staan op de van de Amerikaanse Library of Congress.

Producten en leveranciers

Koel- en vriescellen en bedrijfskoelkasten

Zoek op internet op ‘koelcel’ of ‘vriescel’ voor een leverancier in de buurt

Huishoud vries- en koelkasten

Witgoed winkels algemeen

Verpakkingsmateriaal

Onderstaande leveranciers verkopen getest materiaal:

Literatuur

Meer informatie[bewerken]

Zie ook deze artikelen

    Hoort bij deze thema's

    Specialist(en)


    Reageren
    U kunt op deze pagina reageren via het reactieformulier.

    Wilt u ons helpen?
    De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wil meer kennis delen over rijksmonumenten. Wilt u ons hierbij helpen door maximaal vijf korte vragen te beantwoorden?
    Ja, ik wil graag meehelpen (opent de vragenlijst)

    Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 30 jul 2022 om 03:01.