Friese boerderij

Introductie

Deze tekst behandelt de boerderijen in Friesland. De huidige Friese boerderijen zijn vanaf de zeventiende eeuw ontstaan. Deze zijn onder te verdelen in het kop-hals-romptype, kop-romptype en de stelp.

Foto van een stelpboerderij in het landschap met een rij bomen ervoor.
Een stelpboerderij. Foto: Foppe Hoekstra, via Wikimedia Commons
boerderij en bruggetje
Kop-romp-boerderij in de vorm van een winkelhaak bij Sint-Annaparochie. Foto: beeldbank RCE, IJ.Th. Heins, 2000 CC BY-SA 3.0

Geologie

De geologie van Friesland gaat terug tot de laatste twee ijstijden. Het landijs maakte sleuven en geulen die de basis voor de huidige Friese meren vormden. In het zuidwesten is tijdens de laatste IJstijd een keileemwal ontstaan, die hoger ligt en waarachter een zeekleilandschap kon ontstaan, nadat de zeespiegel weer ging stijgen. De zeeklei omvat het grootste deel van het kustgebied van de provincie. Het hoger gelegen zuidoosten is een dekzandlandschap. De Waddeneilanden zijn gevormd door strandwallen. Aan de noordelijke Waddenkust is in de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw landaanwinning uitgevoerd. Het midden van de provincie ten slotte wordt gevormd door een waterrijk laagveengebied. Door deze verschillende grondsoorten kent Friesland een diverse landbouwcultuur, maar de veehouderij komt verreweg het meeste voor. De noordelijke Waddenkust bestaat uit akkerbouw en in het zuidoosten komt het gemengde bedrijf voor. Ondanks de diversiteit in grondgebruik overheerst sinds de zestiende eeuw een unaniem Friese boerderijgroep, gekenmerkt door de brede schuren met hoge, steile daken. De invloed van de Friese huisgroep reikte ook tot in de aangrenzende gebieden in Groningen en de Kop van Drenthe. Friesland kent drie opvallende boerderijtypen die allemaal tot deze Friese huisgroep behoren; de kop-hals-rompboerderij, de kop-rompboerderij en de stelp. Omdat deze drie typen over de gehele provincie verspreid staan, worden de Friese boerderijen in deze omschrijving als geheel behandeld.


Middeleeuwen

In de middeleeuwen was in Friesland sprake van een kleiner en bescheidener type boerderij. Dat waren lage, langgerekte woonstalhuizen, die vanwege de voorhanden zijnde klei in het gebied al in een vroeg stadium werden versteend. Het woongedeelte bevond zich aan de voorzijde en omvatte een of twee gebintvakken. Achter het woongedeelte waren de werkruimte en de veestallen. Het vee stond in twee rijen. De constructie bestond uit in de muren opgelegde dekbalken.

Huidige boerderijen

Kop-hals-rompboerderij

Omstreeks 1600 is door landbouwkundige ontwikkelingen het huidige Friese boerderijtype ontstaan. Deze ontwikkelingen gingen gepaard met behoefte aan efficiëntere bedrijfsgebouwen met veel opslagruimte. Doordat op grote schaal langwerpige houtsoorten uit Noord-Europa naar Friesland konden worden verscheept, slaagde men erin om nieuwe bedrijfsgebouwen op te trekken, waarin opslagruimte, de rundveestalling en werkruimte alle samen konden worden ondergebracht. De basis van het schuurtype wordt gevormd door een compacte rechthoekige plattegrond en een constructie bestaande uit dekbalkgebinten. Daarmee kon een hoog schild- of wolfsdak worden gerealiseerd. De centrale binnenruimte bestaat doorgaans uit twee vierkante gebintvakken en is uitsluitend bestemd voor hooiopslag; dit zit onder het hoogste deel van het dak. Het hooi wordt vanaf de vloer opgetast. De zijbeuken zijn voor de stal en werkruimte bestemd.

De stal ligt meestal in het verlengde van het woongedeelte, in de nieuwe situatie meestal zijdelings van de lengteas van de boerderij. Daaraan is te zien dat het nieuwe bedrijfsgedeelte is ontstaan vanuit een bestaand, ouder woonstalhuis. Het vee staat met de koppen naar buiten toe gericht; tussen de rijen liggen mestgoten. De boxen zijn door middel van houten schotten van elkaar gescheiden. In de andere zijbeuk bevinden zich de inrijdeuren – in de korte gevel aan de voor- of achterzijde. De tasvloer staat in open verbinding met deze zijbeuk. De werkruimte lag altijd in de directe nabijheid van zowel de rundveestal als het woongedeelte. De centraal gelegen, lage ruimte in het achterste bedrijfsgedeelte was bestemd voor jongvee.

Bij de op akkerbouw gerichte boerderijen in het noorden van de provincie wijkt de indeling van het bedrijfsgedeelte in lichte mate af van die van de veeteeltboerderijen. De centraal gelegen tasvloer in het midden wordt in dat geval gebruikt voor het optassen van graan. Het achterste gebintvak is daar in gebruik als dorsvloer. Een door een paard aangedreven dorsmolen nam veel plaats in beslag, tot vaak wel twee gebintvakken. Aan de dorsvloer grensde een paardenstal. Het verschil tussen een akkerbouw- en een veeteeltboerderij is in Friesland vooral te zien aan de vensters in het midden van de achtergevel; bij een akkerbouwboerderij zijn deze doorgaans groter. Vanwege de behoefte aan grote dors- en werkruimte namen deze onderdelen het grootste deel van het bedrijfsgedeelte in het kleigebied in beslag; de stallen waren derhalve veel kleiner dan die bij veeteeltbedrijven.

Terwijl het bedrijfsgedeelte in bijna de gehele provincie ongeveer dezelfde indeling heeft, vertonen de Friese boerderijen grote onderlinge verschillen aan de hand van de ontwikkeling van het woongedeelte. Als eerste is vanuit de langhuisboerderij het vooruitspringende woongedeelte met lager tussenlid ontstaan: de kop-hals-rompboerderij. Het belangrijkste kenmerk is dat het woongedeelte zijdelings van de middenas van het bedrijfsgedeelte is gebouwd. Meestal bevindt zich in de kop het woonvertrek. Dit vertrek was voorzien van een voorkamer met stookplaats en een bedstedewand. De melkkelder komt op verschillende plaatsen in de boerderij voor. Meestal ligt deze voor in (een gedeelte) van de kop, ofwel in de hals ofwel in het voorste deel van het bedrijfsgedeelte. Bij een melkkelder onder in de “kop” ontstaat een hoger gelegen representatieve woonkamer aan de voorzijde. Bij veeteeltbedrijven was de melkkelder het grootst en kon deze de gehele breedte van het woongedeelte in beslag nemen.

In de hals van de boerderij was de werkruimte. Daarin werd zowel gewerkt, gewassen/gespoeld, gekookt en gekarnd. In de hals woonde het boerengezin tijdens het grootste deel van het jaar. Tot eind negentiende eeuw grensde deze ruimte aan de ruimte voor de karnmolen, voorin het bedrijfsgedeelte.

In het noordelijk kleigebied komt een bijzondere variant van de kop-hals-rompboerderij voor: het woongedeelte staat bij deze variant haaks op de as van het bedrijfsgedeelte, in de vorm van een winkelhaak. De kop van deze variant is ook langwerpig en heeft minstens twee achter elkaar gelegen vertrekken waartussen een gang en voordeur zijn gesitueerd. De zolder boven het woongedeelte was oorspronkelijk bestemd voor de opslag van graan. Deze boerderijen hebben een statig uiterlijk en het bedrijfsgedeelte oogt langgerekt vanwege de behoefte aan veel tasruimte.

Kop-rompboerderij

In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond de kop-rompboerderij; een kleinere variant van de kop-hals-rompboerderij. Bij deze variant was doorgaans minder ruimte gereserveerd voor de bedrijfsfuncties, waardoor de woonfuncties deels in het bedrijfsgedeelte werden ondergebracht. De werk- en karnruimten bevonden zich dan, evenals de keuken, voorin het bedrijfsgedeelte. Het woonvertrek stak zijdelings van de lengteas van de boerderij naar voren en was dus vanwege het ontbreken van de “hals” minder diep. Ook de melkkelder was in de kop-rompboerderij vaak kleiner van omvang. In de negentiende eeuw ontstonden nieuwe koprompboerderijen met het voorhuis op de middenas: deze symmetrische gebouwen stonden in toenemende mate onder invloed van de burgerlijke bouwkunst.

Stelp

De laatste fase in de ontwikkeling van de Friese boerderij was de opkomst van de stelp, die vooral in de negentiende eeuw flink in zwang raakte. Hier zijn woon- en bedrijfsgedeelte samengebracht onder hetzelfde hoge dak. Het woongedeelte bevindt zich bij de stelp altijd in het voorste gebintvak en neemt meestal de gehele boerderijbreedte in beslag. Onder een deel van het woongedeelte zit de melkkelder. Er zijn zowel rijke als sobere stelpen, waaraan men de welvaart van het boerengezin kon aflezen. De rijkere boeren kozen vaak voor een symmetrische voorgevel onder invloed van de burgerlijke bouwkunst, met al dan niet een voordeur in het midden. Sommige stelpen hebben ook een geveltopje in het midden. Bij de meeste gewone stelpen is de woonkamer centraal in het voorste gebintvak gesitueerd.

Zie ook

Hoort bij deze thema's Trefwoorden

Boerderijen, Friesland, stelp, kop-rompboerderij, kop-hals-rompboerderij

Specialist(en)

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 19 jan 2024 om 17:36.