Rijksmonumenten - Duifhuizen

Introductie

Een duiventil wordt door het Woordenboek der Nederlandsche Taal gedefinieerd als een ‘op een paal rustend of boven een gebouw uitstekend duivenhok’. Deze definitie doet geen recht aan de grote verscheidenheid van historische, soms al zeer oude, duifhuizen. Er bestaan bijvoorbeeld ook gemetselde duiventorens, duifverblijven in kerktorens en dierverblijven die behalve duiven ook fazanten of eenden huisvesten. Afmetingen, materiaalgebruik en vormgeving kunnen sterk verschillen. Gemeenschappelijk zijn de invlieggaten en de kleine hokjes aan de binnenzijde waarin de duiven nestelen.

Zwart-witfoto van twee mensen in historische kleding, staande in een weiland voor de duiventil.
Afb. 1 De duiventil van slot Heemstede. Foto door J.P. de Koning. Beeldbank RCE, CC BY-SA 3.0
Foto van een stenen duiventoren in een weiland met heg en bomen in de achtergrond.
Afb. 2 Duiventoren in de weide tussen landgoed Salentein en De Berencamp. Foto door Gerard J. Dukker 2005. Beeldbank RCE, CC BY-SA 3.0
Foto van een hoge, stenen duiventoren met enkele ramen met een gazon in de omgeving. Op het gras staan enkele tuinstoelen en tafels, door de tuin loopt een pad.
Afb. 3 De duiventoren van buitenplaats Te Werve. Foto door Gerard J. Dukker, 1975. Beeldbank RCE, CC BY-SA 3.0

Korte geschiedenis duifhuizen en het houden van duiven.

Er valt veel te vertellen over de geschiedenis van de duifverblijven. Vanaf de middeleeuwen toen het houden van duiven een ‘heerlijk recht’ was, voorbehouden aan de hoge geestelijkheid en de adel. Dat duurde tot het eind van de 18de eeuw. Het houden van duiven was toen geen liefhebberij, maar een vorm van veehouderij. De duiven werden in de soep of pastei geconsumeerd, en de duivenmest deed het goed in bijvoorbeeld de lokale tabaksteelt. Dit 'heerlijke recht' ging overigens niet altijd op. Voor Amsterdamse inwoners was het houden van duiven een oude bezigheid. Al in 1557 stelde het stadsbestuur door middel van een zogeheten 'keur' enige regels op om overlast van de duiven te beperken. [1] In de negentiende en twintigste eeuw werd het houden van (sier)duiven een ‘romantisch statussymbool voor de beter gesitueerden’. Bij villa’s, landhuizen en boerderijen verschenen elegante duiventillen. Vervolgens verspreidde het houden van duiven als liefhebberij zich ook naar ‘de gewone man’ en werd het in de loop van de 19de en 20ste eeuw een geliefde hobby voor velen. We danken hier het woord ‘duivenmelker’ aan. De duiven worden gehouden en gefokt om de duivensport mee te bedrijven. De vogel wordt uitgezet op grote afstand van zijn thuisbasis en vliegt zo snel mogelijk terug. Ook in België was dit een populaire sport. Voor velen was het luisteren naar de ‘duivenberichten’ op de radio vaste prik. Karakteristiek voor deze hobby zijn de duivenhokken die bovenop daken of in schuurtjes als doe-het-zelf bouw zijn aangebracht. De professionaliteit in de sport is er overigens niet minder om. Er kunnen zelfs flinke geldbedragen mee zijn gemoeid. Een specifieke vorm van (til)duivensport, gangbaar in Den Haag, is geplaatst op de lijst van immaterieel erfgoed. [2] De historische duivenverblijven zijn vaak goed zichtbaar gelegen en zijn behalve een onderkomen voor de duiven ook een sierelement in een park- of tuinaanleg. De houten exemplaren zijn door het vergankelijke materiaal helaas ook makkelijk aan verval onderhevig. Een flinke storm kan de duiventil doen omwaaien. Regelmatige inspectie van de toestand en het plegen van onderhoud helpen de levensduur van de duiventil te verlengen.

Bescherming

In het rijksmonumentenregister zijn enkele tientallen beschermde duifverblijven te vinden. Om de variëteit ervan te tonen, volgt hier een opsomming van een aantal daarvan. Deze bevat dus niet het totaal aan beschermde duifverblijven:

  • Aarle Rixtel, Schaapskooi met duiventil in rustieke stijl ca. 1850 (rijksmonument 515758);
  • Heeten, vierkante houten til onder tentdak, beschilderd met blauwe zandlopers op witte ondergrond rustende op vier houten staanders. Het tentdak wordt door een houten dakruiter bekroond, waarboven een koperen windhaan. (rijksmonument 384385);
  • Leur, De duiventil uit 1913 bestaat uit een op een poot rustende kubusvormige kast met tentdakje, waarop een houten piron (rijksmonument 529285);
  • Nijkerk, gemetselde achtkante toren in neogotische stijl 1860 (rijksmonument 510839);
  • Rijswijk, Op vierkante grondslag opgetrokken bakstenen duiventoren in renaissance-stijl vermoedelijk daterend uit 1590, zoals de zandstenen gevelsteen aangeeft. (rijksmonument 515695);
  • Rooden, Een getordeerde zeskante gemetselde duiventoren uit ca. 1750 (rijksmonument 526655);
  • Schildwolde, Op een dam in de gracht bij boerderij Vinckersum staat een gemetselde toegangspoort, gedateerd 1659 waarop een duivenslag over de volle breedte tussen gemetselde topgeveltjes. (rijksmonument 33821);
  • Zeist, Een duiventoren annex kippenverblijf op achthoekige plattegrond van twee bouwlagen. De gevels zijn opgebouwd uit verticaal aangebrachte houten planken. Dakschilden zijn met zink bedekt. (rijksmonument 510204).

Collecties Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bezit een bijzondere bibliotheekcollectie over duifhuizen (RCE-752). Midden jaren 1980 is deze door de een toenmalige medewerker bij elkaar gebracht. De collectie is een systematische inventarisatie van alle duivenverblijven die toen in Nederland te vinden waren en bevat documentatie en fotomateriaal.

De collectie is nog niet gedigitaliseerd maar kan op aanvraag worden geraadpleegd. In de bibliotheek van de RCE is tevens een aanzienlijke hoeveelheid literatuur over dit onderwerp te vinden.

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema's
Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 28 mei 2024 om 03:00.