Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - overzicht aanbevelingen restitutiebeleid

Introductie

Op verzoek van de minister, en met de Washington Principles als uitgangspunt, heeft een commissie onder leiding van prof. dr. R.E.O. Ekkart (hierna: de commissie Herkomst Gezocht) aanbevelingen uitgebracht in 2001 en nader aangevuld in 2003, 2004 en 2012. De bewindspersonen van OCW hebben in kamerbrieven steeds laten weten of en hoe de aanbevelingen worden overgenomen. De aanbevelingen van de commissie Herkomst Gezocht vormen de basis voor het huidige restitutiebeleid, waaronder het beoordelingskader van restitutieverzoeken. In 2020 heeft de Raad voor Cultuur een evaluatiecommissie ingesteld: de commissie Evaluatie restitutiebeleid cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog, onder leiding van mr. J. Kohnstamm. Deze commissie heeft het beleid geëvalueerd . Op basis van die evaluatie heeft de Minister het restitutiebeleid herzien.

Hieronder zijn de aanbevelingen weergegeven die de commissie Herkomst Gezocht en de commissie Evaluatie restitutiebeleid cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog hebben gegeven. Per punt is een toelichting opgenomen. Daarin is aangegeven of de aanbeveling is overgenomen, in welke Kamerbrief of ander document dat is te vinden, en hoe de aanbeveling vervolgens is verwerkt in het beoordelingskader van de Restitutiecommissie of elders.

De volledige teksten van de aanbevelingen en adviezen zijn beschikbaar via de links opgenomen in de onderstaande tekst. Op Overheid.nl vindt u het huidige instellingsbesluit inclusief het beoordelingskader van de Restitutiecommissie.

Eerste set aanbevelingen commissie Herkomst Gezocht voor restitutie van kunstwerken van particulieren - april 2021

Hier kunt u de integrale tekst vande eerste set aanbevelingen lezen en de reacties van de regering in kamerbrief 25839, nr. 26 en kamerbrief 25839, nr.27.

1. Afgehandelde zaken

De commissie adviseert het begrip afgehandelde zaken te beperken tot die zaken waarin door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen of een formele schikking tussen rechthebbenden en boven de SNK geplaatste organen is getroffen. Deze aanbeveling is door de regering overgenomen, met dien verstande dat van een afgehandelde zaak sprake zal zijn indien de vordering tot teruggave bewust en weloverwogen heeft geresulteerd in een schikking dan wel verzoeker expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien. De omgang met afgehandelde zaken is in het beoordelingskader van de Restitutiecommissie opgenomen in par. 1.

2. Nova

De commissie adviseert het begrip nova een ruimere interpretatie te geven dan tot nu toe in het beleid gebruikelijk is en daaronder ook afwijkingen ten opzichte van de vonnissen die zijn uitgesproken door de Raad voor het Rechtsherstel te rekenen alsmede de resultaten van veranderd (historisch) inzicht ten aanzien van de rechtvaardigheid en consequentie van het toen gevoerde beleid. Deze aanbeveling is overgenomen. Het begrip ‘veranderde inzichten’ wordt zodanig opgevat dat alleen de door de commissie Herkomst Gezocht genoemde voorbeelden van gewijzigd inzicht in aanmerking worden genomen. De omgang met nova is in het beoordelingskader van de Restitutiecommissie opgenomen in par. 1.

3. Gedwongen verkoop

De commissie adviseert om verkoop van kunstwerken door Joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 te beschouwen als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Hetzelfde uitgangspunt dient te worden gehanteerd bij verkopen vanaf 1933 respectievelijk 1938 door Joodse particulieren in Duitsland en Oostenrijk. Deze aanbeveling is overgenomen. Het toepassingsbereik is verruimd zodat niet alleen Joodse particulieren omvat maar ook Sinti en Roma en andere specifieke groepen van vervolgingsslachtoffers als bedoeld in de regeringsreactie Tegoeden Tweede Wereldoorlog van 21 maart 2000 (Kamerstuk 25839, nr. 13), waarin de Indische gemeenschap met name is genoemd. In het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is deze aanbeveling verwerkt in par. 3.1, waarbij de reikwijdte algemener geformuleerd is wat betreft vervolgde groepen, en preciezer afgebakend wat betreft de tijdsspanne: “een vervolgde bevolkingsgroep (…) in Nederland na 10 mei 1940, in Duitsland na 30 januari 1933 of in Oostenrijk na 13 maart 1938”.

4, 5, 6 en 7. Verkoopopbrengsten

4. De commissie adviseert om terugbetaling van verkoopopbrengsten alleen in het geding te brengen indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven daadwerkelijk die opbrengsten ter vrije beschikking hebben gekregen. 5. De commissie adviseert om bij de toepassing van deze regeling bij twijfel of men de opbrengsten daadwerkelijk heeft genoten, aan de rechthebbenden het voordeel van de twijfel te gunnen.

6. De commissie adviseert om, indien bij een teruggave gehele of gedeeltelijke teruggave van verkoopopbrengsten noodzakelijk is, het bedrag te indexeren volgens het algemene prijsindexcijfer.

7. De commissie adviseert om bij teruggaven af te zien van de doorberekening van de beheerskosten, die indertijd door de SNK waren vastgesteld.

De aanbevelingen zijn overgenomen. Het ‘vrij besteedbare tegoed’ wordt opgevat als datgene wat daadwerkelijk ten goede is gekomen aan het vermogen van de verkoper.

8. Eigendomsrecht

De commissie adviseert dat tot teruggave kan worden overgegaan indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. De aanbeveling is overgenomen. In het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is deze aanbeveling verwerkt in par. 2.

9. Terugkoop

De commissie adviseert om de eerder niet door de eigenaren gebruikte mogelijkheden tot terugkoop weer open te stellen, voor zover althans andere gehanteerde criteria niet al zouden leiden tot een teruggave zonder financiële compensatie. Deze aanbeveling is niet overgenomen, aangezien deze zich niet verhoudt met het uitgangspunt dat rechtsherstel dat al heeft plaatsgevonden, niet wordt overgedaan. Wel wordt ervan uitgegaan dat de Restitutiecommissie, indien zij meent dat in een concreet geval destijds gedane aanbiedingen overduidelijk onzorgvuldig zijn afgewikkeld, dat in haar advies zal betrekken. Het beoordelingskader van de Restitutiecommissie biedt ruimte voor het volgen van deze aanbeveling in par. 5.

Tweede set aanbevelingen commissie Herkomst Gezocht voor restitutie van kunstwerken van kunsthandelaren - januari 2003

Hier kunt u de integrale tekst van de tweede set aanbevelingen lezen en de reactie van de regering in kamerbrief 25839, nr. 34 . Deze aanbevelingen zijn verwerkt in paragraaf 3.2 van het beoordelingskader van de Restitutiecommissie .

1 en 2. Afgehandelde zaken, verkoopopbrengsten, eigendomsrecht

1. De commissie adviseert om bij het teruggavebeleid ten aanzien van de kunsthandel dezelfde uitgangspunten te hanteren die in de aanbevelingen nr. 1, 4, 5, 6, 7 en 8 van april 2001 ten aanzien van het particuliere kunstbezit zijn neergelegd.

2. De commissie adviseert het begrip nova een ruimere interpretatie te geven dan tot nu toe in het beleid gebruikelijk is en daaronder ook afwijkingen ten opzichte van de vonnissen die zijn uitgesproken door de Raad voor het Rechtsherstel te rekenen alsmede de resultaten van veranderd (historisch) inzicht ten aanzien van de rechtvaardigheid en consequentie van het toen gevoerde beleid.

Deze aanbevelingen zijn overgenomen, met de aantekening dat het rechtsherstel van na de oorlog niet wordt overgedaan. In het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is deze aanbeveling verwerkt in par. 3.2.

3. Privé-collectie

Wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat een kunstwerk niet behoorde tot de handelsvoorraad van een kunsthandelaar, maar tot zijn privé-collectie, worden verzoeken om restitutie behandeld conform de normen voor particulier kunstbezit. Deze aanbeveling is overgenomen. In het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is deze aanbeveling verwerkt in par. 3.2.

4. Na-oorlogse aangifte: diefstal of confiscatie

De commissie adviseert om indien al bij de aangifte na de oorlog van een overgang van kunstwerken uit bezit van een handelaar diefstal of confiscatie als kwalificatie is aangegeven en niets gebleken is dat dit tegenspreekt, de betreffende kwalificatie wordt geaccepteerd. Indien er geen sprake is van een aangifte of uitsluitend van een interne aangifte, dienen aanwijzingen, die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van diefstal of confiscatie, als grond voor teruggave te worden beschouwd, waarbij ten aanzien van joodse handelaren de bedreigende algemene omstandigheden dienen te worden verdisconteerd. Deze aanbeveling is overgenomen. Kunsthandelaren uit andere vervolgde bevolkingsgroepen zijn gelijkgesteld aan joodse handelaren. In het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is deze aanbeveling verwerkt in par. 3.2.

5 en 6. Na-oorlogse aangifte: (on)vrijwillige verkoop

5. De commissie adviseert om in alle gevallen waarin de kunsthandelaar zelf, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger na de oorlog bij een aangifte “vrijwillige verkoop” heeft ingevuld, deze kwalificatie als bindend te beschouwen, tenzij zeer duidelijke aanwijzingen worden overlegd die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaats gevonden.

6. In alle gevallen waarin na de oorlog op een aangifteformulier door de betrokkene, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger de kwalificatie “onvrijwillige verkoop” is ingevuld en waarin geen aanwijzingen bestaan die deze kwalificatie tegenspreken, dient een dergelijke kwalificatie te worden geaccepteerd. In alle gevallen waarin een dergelijk aangifteformulier ontbreekt, dienen aanwijzingen, die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van verkoop onder dwang, op dezelfde wijze als uitgangspunt voor het teruggavebeleid te worden gehanteerd.

Beide aanbevelingen zijn overgenomen. Kunsthandelaren uit andere vervolgde bevolkingsgroepen zijn gelijkgesteld aan joodse handelaren.

Slotaanbevelingen commissie Herkomst Gezocht - december 2004

Hier kunt u de integrale tekst van de slotaanbevelingen lezen en de reactie van de regering in kamerbrief 25839, nr. 36 .

1. Eindtermijn

De commissie adviseert de regering de mogelijkheid tot claimen van kunstwerken uit de NK-collectie open te laten tot twee jaar nadat het op basis van deze slotaanbevelingen geformuleerde regeringsbeleid in de Staatscourant is gepubliceerd. Deze aanbeveling is overgenomen, maar de voorgestelde termijn is later losgelaten. Momenteel geldt er geen termijn meer.

2. Publiciteit

Een jaar voor de sluiting van de mogelijkheid tot claimen dient de regering ruime publiciteit te geven aan de naderende beëindiging van deze mogelijkheid. Deze aanbeveling is overgenomen, maar niet uitgevoerd aangezien er geen einde van de termijn is bepaald.

3. Buitenlandse particulieren, ten onrechte naar Nederland gerecupereerd

Claims van buitenlandse particulieren op eventueel ten onrechte naar Nederland gerecupereerde kunstwerken dienen op dezelfde wijze te worden behandeld als de claims van (erfgenamen van) eigenaars die in Nederland kunstwerken zijn kwijtgeraakt. Deze aanbeveling is overgenomen.

4. Claims van andere staten

De commissie adviseert eventuele claims van andere staten op werken uit de NK-collectie, die wellicht ten onrechte naar Nederland zijn gerecupereerd, niet voor te leggen aan de Restitutiecommissie, maar in bilateraal overleg met de regering van het betreffende land af te handelen. Deze aanbeveling is overgenomen.

5, 6 en 7. Bordje bij expositie, opbrengsten verkochte werken aan joods cultureel doel

5. De commissie adviseert om de kunstwerken uit de NK-collectie, waarvan met zekerheid of grote waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat ze behoren tot de categorie door roof, confiscatie of gedwongen verkoop aan de oorspronkelijke joodse eigenaren afhandig gemaakte stukken en waarvoor geen rechthebbenden kunnen worden aangewezen, bij expositie te voorzien van een op het bordje aan te brengen bijschrift, waarin de herkomstgeschiedenis wordt vermeld. Tevens adviseert de commissie deze voorwerpen te laten taxeren en de op basis van die taxatie vastgestelde tegenwaarde beschikbaar te stellen voor een joods cultureel doel.

6. De commissie adviseert om een geïndexeerd percentage van de opbrengsten van de in de jaren tot en met 1952 verkochte gerecupereerde kunstwerken beschikbaar te stellen voor een joods cultureel doel.

7. De commissie adviseert om de in de aanbevelingen 5 en 6 bedoelde bedragen voor de ene helft te bestemmen voor de Stichting Cultureel Erfgoed Portugees-Israëlietische Gemeente en voor de andere helft uit te keren aan het Joods Historisch Museum, dat het daarmee te vormen fonds dient aan te wenden voor de stimulering van een breed scala van hedendaagse joodse cultuuruitingen.

Deze aanbevelingen zijn overgenomen. Aanbeveling 5 is echter breder toegepast. Niet alleen kunstwerken uit de NK-collectie, waarvan met zekerheid of grote waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat ze behoren tot de categorie door roof, confiscatie of gedwongen verkoop aan de oorspronkelijke joodse eigenaren afhandig gemaakte stukken en waarvoor geen rechthebbenden kunnen worden aangewezen, moeten worden voorzien door een bordje, maar alle NK-stukken die musea in bruikleen hebben hebben.

8. Terugbetalingen

De commissie adviseert om eventueel bij restitutie van kunstwerken binnenkomende terugbetalingen te bestemmen op dezelfde wijze als in aanbeveling 7 is aangegeven. De aanbeveling is overgenomen.

9. Archief Herkomst Gezocht

De commissie adviseert de bij het onderzoek Herkomst Gezocht verzamelde documentatie zo volledig mogelijk blijvend te bewaren en onder te brengen bij het Nationaal Archief. Het materiaal dient daar toegankelijk te zijn voor belanghebbenden en te zijner tijd voor alle geïnteresseerden. Voor het onderhoud en toegankelijk houden van deze documentatie dient de regering gepaste maatregelen te nemen. De aanbeveling is overgenomen en uitgevoerd, maar met de overgang van de kennis-, advies- en informatietaak naar de Rijksdienst voor het Cultuur Erfgoed, is dit werkarchief in beheer gekomen bij de RCE.

Aanbevelingen Raad voor Cultuur / Commissie Herkomst Gezocht - januari 2012

Hier kunt u de integrale tekst lezen van de aanbevelingen en de reactie van de regering in kamerbrief 25839, nr. 41.

1 en 2. Gedifferentieerde behandeling

1. De commissie beveelt aan om te komen tot een meer gedifferentieerde behandeling van eventueel claims op niet tot de NK- collectie behorende cultuurgoederen uit de rijksverzamelingen.

2. De commissie adviseert om het instellingsbesluit van de Restitutiecommissie zodanig aan te passen dat artikel 2, eerste lid, wordt toegevoegd dat het hierbij zowel gaat om de destijds door de geallieerden vanuit Duitsland naar Nederland gerecupereerde cultuurgoederen (zo zogenaamde NK-collectie) als om alle op andere wijze in het bezit van de Staat der Nederlanden gekomen cultuurgoederen. Het vierde lid van artikel 2 dient zodanig te worden aangepast dat de commissie de adviestaak verricht, bedoeld in het eerste lid voor zover deze betrekking heeft op objecten uit de zogenaamde NK-collectie, met inachtneming van het rijksbeleid hierover en waar deze betrekking heeft op andere tot het bezig van de Staat der Nederlanden behorende cultuurgoederen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Deze aanbevelingen zijn overgenomen. Onderschreven wordt dat het verschil in herkomst van de NK-collectie enerzijds en de reguliere rijksverzamelingen anderzijds een meer gedifferentieerde behandeling van claims rechtvaardigt. Daarom is destijds de taakomschrijving van de Restitutiecommissie in artikel 2 van het Instellingsbesluit aangepast, zodanig dat ook claims op kunstvoorwerpen die niet tot de NK-collectie behoren door de Restitutie-commissie kunnen worden behandeld conform het ruimere afwegingskader voor niet-rijkscollecties. Aanbeveling 2 is niet uitgevoerd.

3. Voortduring restitutiebeleid

De commissie adviseert het vigerende, verruimde regeringsbeleid ten aanzien van restitutiezaken te laten voortduren tot twee jaar na publicatie van de volledige resultaten van het lopende museumonderzoek. Daarna kan bij claims, die gebaseerd zijn op geheel nieuwe feiten en waarbij de claimant kan aantonen dat hij de desbetreffende claim niet eerder kon indienen (noot redactie: de schrijnende gevallen), worden overwogen of deze volgens normen van redelijkheid en billijkheid alsnog worden behandeld onder toepassing van aspecten van het verruimde regeringsbeleid. Beroep op verjaring en volledige sluiting van de indieningsmogelijkheid van claims kunnen pas worden overwogen wanneer daarover internationale consensus bestaat, die in plaats komt van de nu geldende Washington Principles. De regering heeft deze aanbeveling onderschreven. Het verschil in herkomst van de NK-collectie enerzijds en de reguliere rijksverzamelingen anderzijds rechtvaardigde een meer gedifferentieerde behandeling van claims. Daarom is de taakomschrijving van de Restitutiecommissie in artikel 2 van het (inmiddels vervangen) Instellingsbesluit aangepast, zodanig dat ook claims op kunstvoorwerpen die niet tot de NK-collectie behoren door de Restitutiecommissie konden worden behandeld conform het ruimere afwegingskader voor niet-rijkscollecties.

4. Duur Restitutiecommissie

De commissie adviseert de Restitutiecommissie in stand te houden totdat alle claims die binnen twee jaar na de publicatie van de resultaten van het museumonderzoek zijn ingediend, zullen zijn afgehandeld. Voor de beoordeling, op grond van aanbeveling 3, van de daarna binnenkomende claims kan de regering zich laten adviseren door een ad hoc commissie. De regering laat de Restitutiecommissie in ieder geval de claims behandelen die uit het museumonderzoek naar voren komen, en zal met de Restitutiecommissie in overleg blijven over wat organisatorisch verder nodig is. De voorgestelde termijn is later losgelaten. Momenteel geldt er geen termijn meer.

Rapport Bureau Berenschot ‘Een toekomstgericht restitutiebeleid’ - mei 2015

Hier kunt u de integrale tekst lezen van het rapport en de reactie van de regering in kamerbrief 25839, nr. 42.

Aanbevelingen voor de (governance)structuur

1. Neem als ministerie van OCW voor om het restitutiebeleid en de bijbehorende governancestructuur rond 2020 te evalueren.

2. Heroverweeg de verschillende rollen van de minister van OCW: welke rollen zijn noodzakelijk en welke rollen werken verwarring in de hand?

3. Maak een helder onderscheid tussen de functies ‘onderzoek’ en ‘advies’ binnen de procedure.

4. Breng de onderzoeksfunctie (van RC en BHG) onder bij een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeks- en kennisinstituut. Onderzoek daarbij eerst de mogelijkheid van onderbrenging bij het NIOD per 1 januari 2016.

5. Laat de adviesfunctie bij de RC, maar beperk de huidige secretariaatsfunctie tot puur secretariële ondersteuning en de begeleiding van de procedures. Adviezen moeten voortaan door de commissie (grotendeels) zelf worden geschreven op basis van aangereikte onderzoeksrapporten.

6. Voer een uitbreiding- en verjongingsbeleid door binnen de commissie vanaf 1 januari 2016.

7. Voer een maximale zittingstermijn in van twee termijnen (van drie jaar).

8. Koppel de bezoldiging van alle leden van de commissie aan een realistische inschatting van de werklast.

9. Verwerk bovenstaande voorstellen in een nieuwe versie van het Instellingsbesluit RC. Op termijn kan het ‘Besluit vaste beloning RC’ worden ingetrokken.

10. Streef naar een maximaal budget van 1 miljoen euro in 2016 voor wat nu nog de RC (inclusief ondersteuning) heet.

De regering heeft de aanbevelingen 3, 4 en 7 overgenomen en doorgevoerd. Aanbeveling 7 is in 2022 uitgebreid naar vier jaar per zittingstermijn. De adviesfunctie is bij de Restitutiecommissie gebleven en de onderzoeksfunctie is ondergebracht bij het Expertisecentrum Oorlogskunst Tweede Wereldoorlog bij het NIOD (tot 2022). De leden van de Restitutiecommissie worden benoemd voor maximaal twee termijnen van elk drie jaar. In het meest recente Instellingsbesluit is dit te vinden in artikel 3 lid 6.

Aanbevelingen voor de behandeling van verzoeken

1. Zorg voor eenzelfde, eenduidige en efficiënte wijze van behandeling van alle soorten verzoeken met een zo laag mogelijke foutgevoeligheid, ongeacht wie de huidige bezitter van een werk is. In geval van werken uit de Rijkscollectie (inclusief NK) is de minister nog uitsluitend juridisch eigenaar/ procespartij.

2. De constructie van advies ligt meer voor de hand dan bindend advies middels een vaststellingsovereenkomst. Voor dit laatste bestaat immers geen juridische basis. Partijen kunnen er zelf kiezen voor of zij een vaststellingsovereenkomst waarin zij zich binden aan het advies sluiten of niet.

3. Trek de wijze van verzoeken om een advies gelijk. Een huidige bezitter die een advies wenst te ontvangen van de RC hoeft dat formeel niet gezamenlijk te doen met een verzoeker. Partijen kunnen natuurlijk wel gezamenlijk naar de RC stappen.

4. Bij de inrichting van de hernieuwd adviesprocedure (noot redactie: officieel de procedure voor heroverweging) (bij nova en niet langer bij ‘vormfouten’) ligt het voor de hand dat andere leden van de RC uitspraak doen over de zaak. Met het oog onze aanbeveling om de RC te laten groeien tot 12 leden, en om de RC meer de rol van zuivere adviseur te laten vervullen, is dit ook mogelijk.

5. Onder het huidige reglement voor bindend advies kan de RC op grond van de redelijkheid en billijkheid verschillende soorten adviezen uitbrengen: van restitutie van een werk tot afwijzing van het verzoek tot restitutie onder vaststelling van een vergoeding aan verzoeker. Dit kan dusdanig grote financiële gevolgen hebben dat enerzijds de verleiding voor de minister groter wordt om in gesprekken met de RC over de organisatie ook inhoudelijke lopende zaken aan te kaarten. Overweeg of het wel wenselijk is wanneer de RC de minister adviseert om niet over te gaan tot restitutie, maar een financiële vergoeding te verstrekken.

De regering heeft ervoor gekozen het restitutiebeleid ten aanzien van de afhandeling van verzoeken ongewijzigd te laten. Wel wordt de mogelijkheid gecreëerd dat onderzoek door het Expertisecentrum ook op gezamenlijk verzoek van verzoeker en bezitter kan worden verricht, waardoor de mogelijkheid wordt vergroot dat zij samen tot een vergelijk komen zonder tussenkomst van de Restitutiecommissie. De procedure voor hernieuwd advies komt te vervallen; in het geval van nieuwe feiten (nova) kunnen verzoeker en bezitter vragen om een heroverweging van het eerdere advies, dat voorgelegd wordt aan de Restitutiecommissie.

Advies Raad voor Cultuur / Commissie Evaluatie restitutiebeleid cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog - december 2020

Hier kunt u de integrale tekst lezen van het advies Streven naar rechtvaardigheid en de reacties van de regering in kamerbrief 25839, nr. 48 en kamerbrief 25839, nr. 49.

Aanbevelingen ten aanzien van het beoordelingskader van de Restitutiecommissie

De evaluatiecommissie stelt een nieuw beoordelingskader voor zodat een rechtvaardige en eerlijke oplossing (‘a just and fair solution’) bereikt wordt, als bedoeld in principe 8 van de Washington Conference Principles on Nazi-Confiscated Art van 3 december 1998 (de ‘Washington Principles’). Dit beoordelingskader zou als volgt luiden:

1. De Restitutiecommissie beoordeelt of het verzoek een afgehandelde zaak betreft. Mocht dat het geval zijn, dan beoordeelt de commissie of er nova zijn. Mochten er geen nova zijn, dan neemt de commissie het verzoek niet in verdere behandeling. NOOT 1) De evaluatiecommissie beveelt geen veranderingen aan ten aanzien van de begrippen ‘afgehandelde zaak’ en ‘nova’, zoals aanbevolen door de commissie Herkomst Gezocht en overgenomen door de regering. Dit beoordelingskader doet geen afbreuk aan door de Restitutiecommissie gegeven interpretaties van de aanbevelingen van de commissie Herkomst Gezocht 2001-2004, mits die interpretaties niet in strijd zijn met dit beoordelingskader.

2. Als het verzoek geen afgehandelde zaak betreft, dan wel een afgehandelde zaak waarin zich nova voordoen, dan beoordeelt de commissie of in hoge mate aannemelijk is dat de partij die teruggave heeft verzocht oorspronkelijk eigenaar of erfgenaam van de oorspronkelijk eigenaar van het object is. Mocht dat niet het geval zijn, dan adviseert of beslist de commissie tot afwijzing van het verzoek tot teruggave.

3. Als in hoge mate aannemelijk is dat de partij die teruggave heeft verzocht oorspronkelijk eigenaar of erfgenaam van de oorspronkelijk eigenaar van het object is, dan beoordeelt de commissie of tevens in voldoende mate aannemelijk is dat de oorspronkelijk eigenaar het bezit van dat object onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarbij past de commissie, afhankelijk van de hoedanigheid van de oorspronkelijk eigenaar, de volgende criteria toe.

4. Als de oorspronkelijk eigenaar een particulier is die tot de vervolgde bevolkingsgroepen behoorde, dan wordt onvrijwillig bezitsverlies aangenomen, indien het bezitsverlies in Nederland na 10 mei 1940, in Duitsland na 30 januari 1933 of in Oostenrijk na 13 maart 1938 heeft plaatsgevonden, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.

5. Als de oorspronkelijk eigenaar een kunsthandelaar is die tot de vervolgde bevolkingsgroepen behoorde, dan wordt onvrijwillig bezitsverlies aangenomen, indien er aanwijzingen zijn die de onvrijwilligheid voldoende aannemelijk maken. Zulke aanwijzingen zijn in ieder geval: • een aangifte na de oorlog van diefstal, confiscatie of onvrijwillige verkoop. Bij het ontbreken van een aangifte of alleen een interne aangifte, dienen aanwijzingen die het aannemelijk maken dat sprake is van diefstal of confiscatie, als grond voor teruggave te worden beschouwd, waarbij ten aanzien van handelaren die tot de vervolgde bevolkingsgroepen behoorden de bedreigende algemene omstandigheden dienen te worden verdisconteerd; • rechtstreekse verkoop onder bedreiging van represailles aan vertegenwoordigers van de nazi’s of aan na de oorlog als zodanig veroordeelde collaborateurs; • verkoop waarbij een toezegging tot levering van paspoorten of vrijgeleides onderdeel uitmaakten van de transactie; • verkoop tegen een prijs die aanzienlijk lager was dan de toenmalige marktwaarde; • verkoop door Verwalter tenzij kan worden aangetoond dat de oorspronkelijke eigenaar het volledige profijt van de verkoop heeft genoten of na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn rechten.

6. Als de oorspronkelijk eigenaar niet tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde, dan zal de verzoeker de onvrijwilligheid van het bezitsverlies voldoende aannemelijk moeten maken.

7. Onvrijwillig bezitsverlies kan ook worden aangenomen, ongeacht de plaats waar en het tijdstip waarop het heeft plaatsgevonden, mits na 30 januari 1933, indien voldoende aannemelijk is dat de oorspronkelijk eigenaar ten tijde van het bezitsverlies niet meer in vrijheid over het object kon beschikken door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, bijvoorbeeld omdat de eigenaar de opbrengst nodig had voor de financiering van een vlucht voor de nazi’s.

8. Als de onvrijwilligheid van het bezitsverlies na toepassing van de in nr. 4 tot en met nr. 7 omschreven criteria niet voldoende aannemelijk is, dan adviseert of beslist de commissie tot afwijzing van het verzoek tot teruggave.

9. Als de onvrijwilligheid van het bezitsverlies na toepassing van de in nr. 4 tot en met nr. 7 omschreven criteria wel voldoende aannemelijk is, terwijl het een object uit de NK-collectie betreft, dan adviseert de commissie tot teruggave.

10. Als de onvrijwilligheid van het bezitsverlies na toepassing van de in nr. 4 tot en met nr. 7 omschreven criteria wel voldoende aannemelijk is, terwijl het een object niet uit de NK-collectie betreft, dan beoordeelt de commissie of de huidige bezitter, gelet op de omstandigheden van zijn of haar verwerving van het object en het door hem of haar verrichte onderzoek vóór de verwerving, niet wist en, naar de maatstaven ten tijde van de verwerving, niet behoorde te weten dat het object indertijd onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime (hierna: te goeder trouw was ten aanzien van de herkomst). NOOT 2) Het gaat hier om wat de bezitter wist of behoorde te weten op het moment van de verwerving, in beginsel te beoordelen naar de maatstaven die op dat moment golden. De evaluatiecommissie is van oordeel dat het Rijk of een decentrale overheid geen beroep op verwerving te goeder trouw zou moeten doen indien verwerving heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die naar huidige maatstaven niet aanvaardbaar zouden zijn.

11. Indien de bezitter bij de verwerving van het object niet te goeder trouw was ten aanzien van de herkomst of afziet van een beroep op goede trouw, dan adviseert of beslist de commissie tot teruggave.

12. Indien de bezitter bij de verwerving van het object te goeder trouw was ten aanzien van de herkomst, dan beoordeelt de commissie in welke mate niettemin aan het verzoek tot teruggave tegemoet zal worden gekomen, waarbij een advies of beslissing tot teruggave zonder voorwaarden niet is uitgesloten, maar waarbij ook meer bemiddelende adviezen of beslissingen mogelijk zijn, mits die beschouwd kunnen worden als een rechtvaardige en eerlijke oplossing als bedoeld in principe 8 van de Washington Principles. Zodanig bemiddelende adviezen of beslissingen zouden bijvoorbeeld kunnen zijn: (i) teruggave onder passende voorwaarden, daaronder begrepen financiële voorwaarden, (ii) teruggave onder voorwaarde dat het object op een of andere wijze gedurende een of meer periodes voor het publiek zichtbaar blijft, (iii) geen teruggave, maar een verplichting van de bezitter om de verzoeker een passende financiële vergoeding aan te bieden, (iv) geen teruggave, maar een verplichting van de bezitter om het object tentoon te stellen met vermelding van de herkomst en de naam van de oorspronkelijk eigenaar.

13. Indien de bijzonderheden van een zaak daartoe een zwaarwegende aanleiding geven, kan de Restitutiecommissie bij wijze van uitzondering van een of meer elementen van dit beoordelingskader afwijken, opdat het advies of de beslissing rechtvaardig en eerlijk is als bedoeld in principe 8 van de Washington Principles.

Slotaanbevelingen

1. Voer opnieuw structureel onderzoek uit naar de herkomst van de NK-collectie en naar de oorspronkelijke eigenaren en hun erfgenamen. Actualiseer de databases en spoor de rechthebbenden op.

2. Neem in het instellingsbesluit van de Restitutiecommissie een beoordelingskader op dat, wanneer oorspronkelijk eigenaarschap en onvrijwillig bezitsverlies aannemelijk zijn, zo veel mogelijk gericht is op restitutie.

3. Verbeter de bejegening van verzoekers en communicatie over de restitutieprocedures en maak de procedures minder formalistisch.

4. Richt bij de RCE een zelfstandig opererende helpdesk in die de passieve en actieve informatievoorziening over het restitutiebeleid in binnen- en buitenland voor haar rekening neemt.

De aanbevelingen zijn overgenomen. Het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is met inachtneming van de aanbevelingen aangepast en gepubliceerd in de Bijlage bij het herziene Instellingsbesluit Restitutiecommissie. De regering heeft voorts onder meer besloten het herkomstonderzoek naar de NK-collectie te hervatten en de voorlichtingstaak onder te brengen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Kennis en advies over herkomstonderzoek en het beleid zijn vanaf 2022 gebundeld ondergebracht bij de Rijksdienst.

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 14 mei 2024 om 03:01.