Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - rapport en richtlijn Museale Verwervingen 1940-1948

Introductie

In 1998-1999 voerden de Nederlandse musea een zelfonderzoek uit dat gericht was op de aanwinsten van de musea gedurende de oorlogsjaren en direct daarna. In december 1999 werden de onderzoeksresultaten gepubliceerd. Hieronder staat het rapport, zonder de individuele rapportages van de musea en het notenapparaat. Deze kunt u wel vinden in de analoge versie van het rapport dat in de bibliotheek van de RCE is opgenomen.

Ook werd de richtlijn Museale Verwervingen 1940-1948 opgesteld voor de omgang met museale voorwerpen van twijfelachtige herkomst, met name voorwerpen die in de oorlogsperiode zijn verhandeld dan wel zijn verworven. Deze richtlijn geeft aan hoe om te gaan met deze voorwerpen die reeds in bezit zijn van musea, maar ook met toekomstige verwervingen en bruiklenen, zowel uit binnen- als buitenland.

Zwart-witfoto van een suppoost bij tapijten en schilderijen
Pim Stuifbergen, Een suppoost op de tentoonstelling van Nederlandse kunst uit Duitsland in het Rijksmuseum Amsterdam, 1950. Foto Nationaal Archief/ Collectie Spaarnestad.

Rapport Museale Verwervingen 1940-1948

auteur drs. Eelke Muller, Nederlandse Museumvereniging, december 1999

Voorwoord

Op 12 maart 1998 vond in het Rijksmuseum te Amsterdam een bijeenkomst plaats van directeuren van Nederlandse musea. Onderwerp van gedachte-wisseling vormde de discutabele aanwinsten die in de periode 1940-1945 door sommige musea bleken te zijn gedaan.

De deels onduidelijke, soms herkenbaar problematische herkomst van een aantal in die periode verworven museum-objecten, zo werd gevoeld, vroeg dringend om nader onderzoek. Tijdens eze bijeenkomst werd daartoe de Commissie Museale Verwervingen 1940-1948 in het leven geroepen. Taak van de commissie werd om, los van specifieke claims of navraag door belanghebbenden, een actief en grondig algemeen zelfonderzoek van de Nederlandse musea te stimuleren en te coördineren naar de verwervingen in de periode tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog.

Om aan het onderzoek de noodzakelijke breedte te kunnen verlenen werd de Nederlandse Museumvereniging (NMV) verzocht een spilfunctie te vervullen. Via de NMV gaf de commissie aan de musea aanwijzingen mee over de wijze waarop zij het onderzoek zouden kunnen uitvoeren. Daarbij was de commissie zich ervan bewust dat het voor de musea vaak niet eenvoudig zou zijn te onderkennen of aanwinsten een dubieus karakter droegen. Conclusies zouden dikwijls pas getrokken kunnen worden na het combineren van verschillende informatiebronnen.

De Inspectie Cultuurbezit, reeds eerder nauw betrokken bij het onderzoek naar de herkomst van door de Nederlandse Staat uit de recuperatie verworven objecten (het zgn. NK-onderzoek) was een onmisbare partner in het ordenen en analyseren van de door de individuele musea aangeleverde gegevens en het combineren hiervan met gegevens uit andere bron. Met financiële steun van het Ministerie van OCenW kon een onderzoeker, mevrouw drs. Eelke Muller, worden aangesteld die ten behoeve van de commissie de resultaten van het museale zelfonderzoek bundelde, de musea nadere aanwijzingen voor vervolgonderzoek kon geven en een analyse maakte van het onderzoek ten behoeve van het onderhavige rapport.

Als gezegd had het onderzoek ten doel dat de musea zichzelf terdege op de hoogte zouden stellen van wat er in de periode ’40-’48 qua verwervingen in hun instellingen, of de voorgangers ervan, had plaatsgevonden. Daarnaast heeft de commissie een Richtlijn Museale Verwervingen 1940-1948 opgesteld, welke aangeeft hoe musea dienen te handelen indien er gerede twijfel aan de herkomst van een voorwerp bestaat of indien rechthebbenden alsnog een claim indienen. Hoewel zulke claims in strikt juridische zin doorgaans verjaard zullen zijn, gaat de richtlijn er van uit dat in evidente of schrijnende gevallen een verplichting van moraal en fatsoen op de musea rust om tot een voor partijen aanvaardbare oplossing te komen.

Na ruim anderhalf jaar liggen thans de resultaten van het museale zelfonderzoek voor ons. Voor talrijke musea was het, door de uiterst beperkte middelen, slechts met zeer grote inspanning mogelijk het gevraagde onderzoek te doen. De commissie is hen zeer erkentelijk dat zij zich die inspanning niettemin getroost hebben.

Het aantal naar voren gekomen probleemgevallen is relatief klein; in de loop van het onderzoek werd echter wel duidelijk dat tal van zaken nog nadere aandacht of vervolgonderzoek zouden verdienen. In vele andere gevallen werden de musea geconfronteerd met onduidelijkheden die door de schaarste aan bronnen vooralsnog onoplosbaar blijven en pas tot klaarheid gebracht kunnen worden indien nieuw feitenmateriaal beschikbaar komt. De musea past derhalve oplettendheid, zij dienen van het besef doordrongen te zijn dat het onderzoek in zulke gevallen nooit bevredigend afgesloten kan worden. Voortschrijdend inzicht, en ook het zijlicht dat onderzoek elders soms kan verschaffen, dwingt de musea tot continue alertheid ten aanzien van de herkomstgeschiedenis van hun collecties. Dat geldt evenzeer voor in de toekomst te verwerven voorwerpen. Al ligt de Nazi-periode meer dan een halve eeuw achter ons, met de trieste gevolgen ervan kan ook de museumwereld nog dagelijks geconfronteerd worden.

prof. drs. R. de Leeuw voorzitter Commissie Museale verwervingen 1940-1948

1. Aanleiding voor het onderzoek

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Nazi’s op grote schaal cultuurgoederen aan de bezette gebieden onttrokken en naar Duitsland weggevoerd. Een belangrijk deel van deze goederen behoorde toe aan Joodse eigenaars, die gedurende de oorlogsjaren stelselmatig van kunstschatten en andere bezittingen werden beroofd.

De aandacht voor de (kunst)roof door de Nazi’s is de afgelopen jaren sterk toegenomen. In vele Europese landen zijn in de tweede helft van de jaren negentig onderzoeken ingesteld naar dit onderwerp. Bij de bestudering van het thema wordt veelal onderkend dat diverse landen zich reeds tijdens en vlak na de oorlog grote inspanningen hebben getroost om de materiële gevolgen van de bezettingsperiode waar mogelijk terug te draaien. Zo heeft de Nederlandse regering in ballingschap te Londen een omvangrijk complex aan maatregelen tot naoorlogs rechtsherstel voorbereid – maatregelen die ertoe hebben bijgedragen dat een gedeelte van het door de Nazi’s ontvreemde bezit later aan de rechthebbenden kon worden teruggegeven. Tegelijk wordt ook onder ogen gezien dat de uitvloeisels van de bezettingsperiode, onder meer waar het de materiële kant betreft, slechts tot op zekere hoogte ongedaan zijn en konden worden gemaakt door de destijds getroffen regelingen. Ook wordt onderkend dat er na de bevrijding vergeten of onvolkomen afgehandelde gevallen zijn blijven bestaan, waarvoor nu, met hernieuwde inzet, een vorm van rechtsherstel te bereiken is.

De toegenomen nationale en internationale aandacht voor dit onderwerp heeft in Nederland tot enkele belangrijke initiatieven geleid. Op het gebied van kunst kan hierbij met name worden gedacht aan het proefonderzoek naar de herkomst van een aantal kunstwerken die na de bevrijding uit Duitsland zijn teruggevoerd en die momenteel in beheer zijn bij de Rijksoverheid (de zogeheten NK-collectie). Op grond van de resultaten van deze studie heeft het Kabinet in 1998 besloten om de herkomst van al de betreffende kunstwerken te onderzoeken in het project Herkomst Gezocht van de Inspectie Cultuurbezit. Ook de initiatieven die recentelijk vanuit de museumwereld zijn ontplooid, zijn binnen dit kader van belang. In de Nederlandse museale wereld is de laatste jaren het bewustzijn gegroeid dat een gedeelte van het kunstbezit dat tijdens de bezetting uit handen van de rechtmatige eigenaars is geraakt, zijn weg gevonden kan hebben naar museumcollecties in binnen- en buitenland. Hoewel het na-oorlogs proces van rechtherstel zich ook ten dele tot dergelijke gevallen heeft uitgestrekt, bestaat de mogelijkheid van vergeten kwesties die nog om een vervolg vragen. Vanuit dit besef, en de behoefte aan een grondiger kennis van deze materie, is door enkele grote Nederlandse musea in 1998 het landelijke onderzoeksproject Museale Verwervingen 1940-1948 opgezet. Het betreft, zoals reeds in het voorwoord werd uiteengezet, een zelfonderzoek van de Nederlandse musea, dat erop gericht is om na te gaan of er in de genoemde periode voorwerpen met een dubieuze of problematische herkomst aan Nederlandse museumcollecties zijn toegevoegd. De uitvoering van het project geschiedt onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse Museumvereniging (NMV), de landelijke belangenvereniging waar het grootste deel van de Nederlandse musea bij is aangesloten. De NMV telt onder haar leden alle grote, middelgrote, en een groot deel van de kleine musea. Elk van deze leden is aangeschreven met het verzoek om een zelfstandige bijdrage te leveren aan het onderzoeksproject. Daarnaast heeft de NMV, met financiële steun van het Ministerie van OCenW, een onderzoeker aangesteld die het contact met de musea onderhield en die in een aantal specifieke gevallen aan-vullende archiefstudie verrichtte. Hoewel de financiële ondersteuning voor het project als geheel is verstrekt door het Ministerie van OCenW, zijn de individuele bijdragen van de musea tot stand gekomen door inzet van de eigen personele en financiële middelen van de betreffende musea. Ook de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor deze onderzoeken ligt bij elk der afzonderlijke leden van de Museumvereniging.

Dit rapport biedt een weergave van de huidige stand van het zelfonderzoek van de musea naar de herkomst van hun aanwinsten uit de periode 1940-1948. Het betreft onderzoeken die in veel gevallen nog gaande zijn, en waarvan ook in het komende jaar nog resultaten gerapporteerd zullen worden aan de commissie. In de hoofdstukken 2 en 3 van het rapport worden de onderzoeksopzet en -praktijk van het project uiteengezet en toegelicht. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de bij het onderzoek aangetroffen problemen aan de orde. De bespreking hiervan is van belang om de Nederlandse musea houvast te bieden bij toekomstig herkomstonderzoek naar de verwervingen in de periode 1940- 1948. In hoofdstuk 5 zijn, alfabetisch geordend naar plaats, de bijdragen van elk der leden van de NMV aan het project weergegeven. In een concluderend hoofdstuk, tenslotte, worden de resultaten en vooruitzichten van het project geschetst.

2. Doel en opzet van het onderzoek

2.1 Doelstellingen

Het doel van het onderzoeksproject Museale Verwervingen 1940-1948 was licht te werpen op de verwervingen van de Nederlandse musea in de genoemde periode, en te achterhalen of er destijds sprake is geweest van aanwinsten van problematische aard. De nadruk lag op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de oorlog onvrijwillig uit het bezit van de Joodse of andere eigenaars zijn geraakt, met name wanneer hiervoor na de bevrijding geen regeling is getroffen of enige vorm van rechtsherstel heeft plaatsgevonden.

De commissie stelde zich ten doel om de alertheid van de Nederlandse musea ten aanzien van deze problematiek te verhogen, en een aanzet te geven tot een grondige bestudering van de verwervingen uit de bezettingstijd en de eerste jaren daarna. ‘Verwervingen’ dient hierbij in ruime zin te worden opgevat. Behalve aankopen, schenkingen en legaten werden ook bruiklenen en bewaarnemingen in het onderzoek betrokken, omdat er zeer wel voorwerpen van derden in museumcollecties achtergebleven kunnen zijn. De commissie beschouwt het als haar maatschappelijke taak om het project niet tot een interne aangelegenheid van musea te maken, maar het publiek waar mogelijk te informeren over de uitkomsten van deze studie. Bij de presentatie van de onderzoeksresultaten is gestreefd naar maximale openheid en toegankelijkheid, onder waarborging van de privacy van (de nabestaanden van) de vroegere eigenaars van de kunstvoorwerpen.

De afhandeling van claims van eventuele rechthebbenden op museale voorwerpen behoort tot de verantwoordelijkheid van de huidige eigenaars van deze kunstwerken. Hetzelfde geldt voor de ondernomen vervolgacties ten aanzien van voorwerpen waarbij gerede twijfel over de herkomst bestaat, maar waarvoor zich (nog) geen voormalige eigenaars of erfgenamen hiervan hebben gemeld. Wanneer dergelijke gevallen in het kader van het onderzoeksproject naar voren traden, heeft de commissie zich in het algemeen beperkt tot het verlenen van adviezen betreffende het onderzoek, zonder aanbevelingen te doen over de verdere afwikkeling van deze individuele kwesties.

Wel heeft de commissie, zoals vermeld in het voorwoord, in een algemene gedragslijn voorzien, die de musea ook bij geconstateerde probleemgevallen tot leidraad kan dienen (zie Richtlijn Museale Verwervingen 1940-1948, met name 1.3 t/m 1.7). In deze richtlijn wordt onder meer opgemerkt dat er strikt juridisch gezien sprake kan zijn van verjaring, wanneer een (vermeende) rechthebbende aanspraak maakt op een museaal voorwerp. De commissie wijst de musea echter op de mogelijkheid om in bijzondere en/of schrijnende gevallen, in afwijking van een formeel juridische benadering, recht te doen aan verplich­tingen van moraal en fatsoen.

2.2 Begrenzing van het onderzoek

Bij de opzet van het project Museale Verwervingen is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie te beperken tot museale aanwinsten uit de periode 1940-1948, en de herkomstgeschiedenis van deze voorwerpen binnen Nederland. Deze tijdsbegrenzing werd raadzaam geacht, om het herkomstonderzoek door de musea de nodige scherpte en diepgang te kunnen geven. Hierbij werd 1940 als aanvangsjaar gekozen vanwege het begin van de bezettingsperiode. 1948 werd als eindpunt gekozen, omdat er rekening mee werd gehouden dat er in de eerste naoorlogse jaren regelingen kunnen zijn getroffen of een vorm van rechtsherstel kan hebben plaatsgevonden ten aanzien van discutabele verwervingen.

Daarnaast werd de mogelijkheid onderkend dat er bij de afwikkeling van problematische gevallen na de oorlog, voorwerpen in musea kunnen zijn ondergebracht of achtergebleven die feitelijk toebehoorden aan particuliere rechthebbenden. De periode 1940-1948 fungeerde als uitgangspunt – de commissie sluit echter niet uit dat reeds vóór 1940 of na 1948 onrechtmatige of discutabele handelingen kunnen hebben plaatsgevonden bij de verhandeling en/of verwerving van kunstvoorwerpen.

Ook werd besloten om het onderzoek in beginsel te beperken tot de provenance van museale voorwerpen binnen Nederland. Een grondige studie van de buitenlandse herkomst van voorwerpen zou voor de musea een enorme uitbreiding van het onderzoek hebben betekend, doordat hiervoor een diepgaande kennis is vereist van historische ontwikkelingen, bestaande archieven en lopend onderzoek in diverse andere Europese landen. Aangezien de bestudering van de Nederlandse situatie reeds een grote inzet van de musea vergt, achtte de commissie het raadzaam om het onderzoek hierop te concentreren. Dit neemt niet weg dat ook de buitenlandse herkomstgeschiedenis van kunstwerken in bepaalde gevallen reden tot twijfel kan geven. Enkele participanten aan het project Museale Verwervingen 1940-1948 hebben hun onderzoek uitgebreid tot de situatie in Duitsland, omdat vermoed werd dat bepaalde museale voorwerpen afkomstig waren van Joodse eigenaars aldaar (zie paragraaf 4.7).

Bij aanvang van het project is er voorts voor gekozen om de zogeheten NK (Nederlands Kunstbezit)-collectie niet te betrekken in het museumonderzoek. Deze reeds eerder genoemde collectie bestaat grotendeels uit onder beheer van de Rijksoverheid gebleven, uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken. Een deel van de NK-verzameling is door de Staat in bruikleen gegeven of overgedragen aan Nederlandse musea. De herkomst van deze kunstwerken wordt momenteel onderzocht door het bureau Herkomst Gezocht van de Inspectie Cultuurbezit. Derhalve worden deze voorwerpen niet in het project Museale Verwervingen 1940-1948 betrokken. Hierbij moet wel worden aangetekend, dat gaande het museumonderzoek duidelijk werd dat in sommige museumcollecties voorwerpen uit gerecupereerd kunstbezit aanwezig zijn die niet zijn ingeschreven in de NK-collectie, en die derhalve buiten het onderzoek van het bureau Herkomst Gezocht vallen (zie paragraaf 4.8). Wanneer musea dergelijke gevallen aantroffen, werden deze opgenomen in het onderzoeksproject Museale Verwervingen 1940-1948.

2.3 Methodiek

De eerste fase van het project Museale Verwervingen 1940-1948 bestond uit het ontwikkelen van een methodiek om mogelijk problematische museumaanwinsten te achterhalen. Welke verwervingen een dubieuze herkomstgeschiedenis hebben, is vaak uiterst lastig te bepalen. De commissie formuleerde enkele algemene aandachtspunten om duidelijk te maken waar musea bij hun onderzoek met name op dienden te letten. Zo werd gewezen op de mogelijkheid van aan­kopen bij ‘verdachte’ veilingen, aanwinsten via Duitse of geariseerde verkopende instanties, verwervingen uit geplunderde ateliers van Joodse kunstenaars, bewaarnemingen van Joodse eigendommen die niet aan de rechthebbenden zijn teruggegeven, enzovoorts.

In april 1998 kregen alle leden van de NMV deze aandachtspunten toegezonden, met het verzoek deze te gebruiken als basis voor een grondig onderzoek naar de eigen verwervingen in de periode 1940-1948. Aan de musea werd gevraagd om aanwinstenlijsten samen te stellen met nadruk op de bron van verwerving, en om in de eigen inventarissen en archieven na te gaan of er sprake was van on­regelmatigheden in de herkomstgeschiedenis van de destijds verkregen voor­werpen. De musea rapporteerden hun bevindingen aan de Commissie Museale Verwervingen 1940-1948. Deze bijdragen werden geëvalueerd door de commissie. Wanneer de gegevens hiertoe aanleiding gaven, werd de musea om nadere informatie verzocht en werd hen geadviseerd om verdere studie te verrichten. Hoewel het zelfonderzoek van de musea de basis van het project Museale Verwervingen 1940-1948 vormde, is in incidentele gevallen door de onderzoeker van de commissie vervolgstudie verricht om de gegevens van de musea aan te vullen. Het betrof doorgaans zaken waarbij gerede twijfel bestond over de herkomst van bepaalde voorwerpen.

2.4 Geraadpleegde bronnen

De voornaamste bronnen van het zelfonderzoek van de musea bestonden uit eigen archiefmateriaal, oude aanwinstenboeken, inventariskaarten, jaarverslagen, correspondentie, dossiers op onderwerp, de financiële administratie – in al deze vormen van registratie en documentatie kan waardevolle herkomstinformatie zijn opgeslagen over de museumaanwinsten uit de periode 1940-1948.

Sommige musea gingen verder en bestudeerden ook documentatie van andere instanties die een rol hebben gespeeld bij de verwerving van voorwerpen (bijvoorbeeld gemeentelijke diensten en commissies, met het museum verbonden verenigingen en stichtingen, enzovoort). Daarnaast speelde mondelinge informatie een rol bij het onderzoek: oud-medewerkers en oud-bestuursleden van de musea konden soms waardevolle gegevens verstrekken over de collectievorming in het tijdvak 1940-1948.

Bij vervolgstudie door de onderzoeker van de commissie werd gebruik gemaakt van archieven van Nederlandse overheidsorganen die bij recuperatie en rechtsherstel betrokken zijn geweest, en archieven van instellingen en personen die ten dienste van de bezetter werkzaam zijn geweest. De belangrijkste hiervan zijn terug te vinden in het inmiddels onmisbaar geworden overzicht van Archieven joodse oorlogsgetroffenen, samengesteld door J.M.L. van Bockxmeer, P.C.A. Lamboo en H.A.J. van Schie. Van de aldaar genoemde archieven zijn vooral die van de snk en het nbi veelvuldig geraadpleegd (zie paragraaf 4.8). Tevens is gebruik gemaakt van enkele archieven van particuliere instellingen. Zo heeft het veilinghuis Sotheby’s de archieven van de firma Mak van Waay te Amsterdam welwillend opengesteld voor het onderzoeksproject, en heeft het Joods Maatschappelijk Werk de commissie vele waardevolle gegevens verstrekt die ontleend waren aan het archief van de Stichting Jokos te Amsterdam. Naast de archieven in eigen land is incidenteel gebruik gemaakt van bronnenmateriaal uit archieven in Duitsland (het Bundes- en Landesarchiv in Berlijn) en de Verenigde Staten (de National Archives in Washington D.C.).

3. Onderzoekspraktijk

3.1 Participatie van de musea

De bereidheid van de Nederlandse musea om een bijdrage te leveren aan het onderzoeksproject bleek groot. Niet alleen de musea zelf, maar ook overheden die eigenaar waren van de door musea beheerde collecties, hebben het initiatief ondersteund: de gemeentebesturen van Rotterdam en Den Haag, alsmede enkele andere gemeenten hebben uitvoerig herkomstonderzoek laten verrichten naar de aanwinsten van gemeentelijke musea in de periode 1940-1948.

Verwacht wordt, dat een deel van de musea en gemeenten de komende tijd nog aanvullingen zullen leveren op de huidige onderzoeksuitkomsten. De hoge responsiegraad was mede het resultaat van een intensieve mailing, die erop gericht was om zoveel mogelijk leden van de NMV te stimuleren tot het leveren van een bijdrage aan het project, en hen op de hoogte te houden van de bereikte resultaten. De leden van de NMV hebben vijf algemene circulaires over het project ontvangen, terwijl daarnaast enige honderden brieven met meer specifieke vragen en opmerkingen aan afzonderlijke musea zijn verzonden door de NMV, de commissie, en de onderzoeker van de commissie.

De aard van de reacties van de musea liep uiteen. Zoals te voorzien was, liet een groot deel van de musea weten dat het herkomstonderzoek niet op de eigen instelling van toepassing was bijvoorbeeld omdat het betreffende museum pas ver na 1948 was opgericht, of omdat er geen aanwinsten waren geweest in de periode 1940-1948. Bij musea die vaststelden dat het onderzoek wel van toepassing was, varieerden de bijdragen van uitvoerige onderzoeksrapporten met gedetailleerde overzichten van verwervingen, tot beknopte mededelingen en/of aanwinstenlijsten.

3.2 De uitvoering van het onderzoek

Bij het project Museale Verwervingen 1940-1948 werd een grote inspanning gevraagd van de leden van de NMV. Een grondig onderzoek naar de herkomst van ruim vijftig jaar geleden verworven voorwerpen, vergt van musea een aanzienlijke investering van financiële en personele middelen. Sommige musea lieten weten dat dit een obstakel vormde voor het uitvoeren van het onderzoek. Zij berichtten de commissie dat ze het belang van het project ten volle onderschreven en hieraan gaarne een bijdrage wilden leveren, maar dat de financiële mogelijk­heden daartoe vooralsnog ontbraken. In een aantal gevallen werden de benodigde fondsen later alsnog gevonden, terwijl andere musea hier nog naar op zoek zijn.

De commissie was zich er terdege van bewust dat voor het onderzoek van de musea een specifieke achtergrondkennis vereist is. Slechts bij uitzondering worden in museumarchieven dossiers aangetroffen waarvan de relevantie voor het onderzoek evident is, door ondubbelzinnige aanduidingen als ‘Kunstvoorwerpen uit voormalig Joods bezit’ of in bruikleen ontvangen kunstvoorwerpen van Joodse personen’. Meestal is veel minder duidelijk welke herkomsten mogelijk problematisch zijn, en is voor het herkennen hiervan een mate van inzicht nodig in de problematiek van roof, recuperatie en rechtsherstel in de periode 1940-1948, alsmede kennis van de toenmalige kunst- en museumwereld. Sommige musea wezen de commissie erop dat zij wat dit betreft in het duister tastten, en niet goed konden inschatten waarop gelet moest worden. Zoals reeds hierboven werd vermeld, heeft de commissie de musea in deze een handreiking willen bieden door het opstellen van een aantal aandachtspunten voor het onderzoek, en door de bijdragen van de musea steeds te evalueren en daarmee een extra toetsingsmoment in te bouwen.

Bij enkele musea bleek de hoeveelheid verwervingen uit de periode 1940-1948 een knelpunt te vormen. Terwijl veel van de kleinere musea indertijd geen actief acquisitiebeleid voerden, hebben sommige grotere musea in de genoemde periode vele honderden tot duizenden voorwerpen verworven. Bij zodanig grote aantallen wordt het moeilijker om per object een diepteonderzoek te verrichten en iedere schakel in de herkomstgeschiedenis van elk voorwerp door te lichten.

In een aantal gevallen hebben musea derhalve gekozen voor een algemeen, inventariserend onderzoek, dat pas overging in een diepteonderzoek op object­niveau zodra er enige aanwijzing werd aangetroffen voor een mogelijk problematische verwerving.

3.3 Lacunes in het archiefmateriaal

Talrijke deelnemers aan het project hebben moeten constateren dat het over­geleverde bronnenmateriaal hiaten bevatte, waardoor het slechts op een deel van de gestelde vragen antwoorden kon bieden. Niet zelden bleek er zelfs in het geheel geen archiefmateriaal over verwervingen voorhanden – bijvoorbeeld omdat de voorlopers van het museum geen zorgvuldige administratie bijhielden, omdat de stukken door oorlogsschade verloren waren gegaan, of (een enkele keer) omdat deze door een latere generatie als overtollige ballast waren afgevoerd. Soms kan vermoed worden dat ergens nog relevant archiefmateriaal aanwezig is, maar is onduidelijk waar dit zich bevindt. In andere gevallen is het betreffende archief wel beschikbaar, maar is het zo onvolledig geïnventariseerd dat slechts met grote moeite achterhaald kan worden welke dossiers bruikbare informatie kunnen bevatten.

Interessant zijn overigens ook doelbewuste leemtes in de documentatie van de musea. Slechts een enkele keer kan vermoed worden dat een museum op zeker moment opzettelijk informatie over discutabele verwervingen heeft verwijderd. Diverse musea hebben daarentegen tijdens de oorlog administratieve maatregelen genomen ter bescherming van met name Joodse eigendommen. De gegevens hierover werden meer dan eens verstopt, vernietigd, of zodanig aangepast dat de bezetter de collecties niet als Joods bezit zou kunnen herkennen (zie paragraaf 4.5).

Dit leverde na de bevrijding soms moeilijkheden op bij de teruggave van de voorwerpen aan de rechtmatige eigenaars.

Ook bij de musea met uitgebreide en goed geordende archieven, bleek het zelden mogelijk om van álle verwervingen uit de periode 1940-1948 de herkomst te achterhalen. Op de aanwinstenlijsten van de musea komen dikwijls één of meer kunstwerken voor waarvan de voormalige eigenaar en/of de aard van de ver­werving onbekend is. Wanneer hierover wel informatie werd aangetroffen, kon slechts in een deel van de gevallen worden achterhaald hoe deze voormalige eigenaars zelf aan de voorwerpen zijn gekomen. Deze informatie ontbreekt vaak in de archieven van de musea, terwijl de onderzoeker niet dan bij uitzondering de beschikking heeft over de archieven van de desbetreffende firma’s, instellingen of particulieren.

3.4 Accentverschillen

Hiervoor werd gewezen op de variatie in de museale bijdragen aan het onderzoeksproject. De vorm waarin de resultaten aan de commissie werden gepresenteerd, maar ook de interpretatie van de vragen van de commissie, de accenten en de gehanteerde methodiek kwamen niet bij alle musea overeen. Deze verschillen kwamen onder meer naar voren op het gebied van de tijdsafbakening. De commissie had bij haar oproep aan de musea verzocht om de herkomst van verwervingen uit de periode 1940-1948 te bestuderen. Een aantal musea achtte het op grond van een eerste inventarisatie echter gewenst om een langere periode te onderzoeken. Ook waren er musea die zich bij hun herkomstonderzoek in principe tot de periode 1940-1948 beperkten, maar de commissie er tevens op attendeerden dat in een later jaar een verwerving met een mogelijk discutabele herkomst had plaatsgevonden.

In deze gevallen heeft de commissie steeds verder onderzoek naar de betreffende kwestie gestimuleerd. Waar sommige musea een ruimere periodisering aanhielden, hebben andere participanten slechts een deel van het tijdvak 1940-1948 in het onderzoek betrokken.

De bijdragen van de musea lieten eveneens verschillen zien inzake de definiëring van het begrip ‘verwerving’. De commissie ging er bij de opzet van het project vanuit dat niet alleen aankopen, maar ook schenkingen, legaten, en zelfs bruik­lenen en bewaarnemingen bij het herkomstonderzoek van belang waren. Niet alle musea hebben het onderzoek op deze wijze opgevat. Sommige participanten hebben alleen aankopen bestudeerd, of lieten de bruiklenen en bewaarnemingen bij hun archiefstudie buiten beschouwing. In een aantal gevallen hebben musea later vervolgonderzoek verricht waarbij voorheen buiten beschouwing gelaten zaken werden bestudeerd.

De commissie heeft bij de opzet van het project niet op voorhand bepaalde groepen museale objecten uitgesloten van het onderzoek. Het behoeft echter geen betoog dat een deel van de leden van de NMV over museale collecties of voorwerpen beschikt waarvoor de vraagstelling betreffende ‘discutabele verwervingen’ minder of in het geheel niet relevant is. Ook op dit gebied zijn enige interpretatieverschillen opgetreden tussen de verschillende musea. Zo kwam het voor dat het ene museum in verband met de aard van de collectie van herkomstonderzoek afzag (bijvoorbeeld omdat het natuurhistorische objecten betrof, of voorwerpen van lokale herkomst), terwijl het andere museum, dat over een soortgelijke collectie beschikte, wel navorsingen verrichtte en daarbij soms tot onverwachte bevindingen kwam. In het algemeen verdient het dan ook aanbeveling om in twijfel­gevallen het zekere voor het onzekere te nemen, om overhaaste conclusies ten aanzien van de toepasselijkheid van het herkomstonderzoek te vermijden.

Verschillen tussen de diverse musea deden zich ook voor ten aanzien van de geraadpleegde bronnen en de methodiek van het onderzoek. Sommige participanten hebben in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 langdurige navorsingen gedaan in diverse archieven, en hebben hiervan in gedetailleerde onderzoeksrapporten verslag uitgebracht aan de commissie en aan besturen en gemeentelijke overheden. Andere musea konden met een archiefonderzoek van beperktere omvang duidelijkheid scheppen, terwijl er ook bijdragen werden ingezonden die gebaseerd waren op recent verschenen gidsen over het museum, de eigen kennis van de collectie, en/of mededelingen van oud-bestuursleden en -medewerkers van het museum. Hierbij kan worden opgemerkt dat de meest accurate onderzoeksgegevens te verwachten zijn van een combinatie van de bovengenoemde methoden, waarbij het zwaartepunt ligt bij het archiefonderzoek. Overigens hebben niet alle musea verslag gedaan van de wijze waarop het herkomstonderzoek heeft plaatsgevonden. Wanneer hierover mededelingen werden gedaan, zijn deze opgenomen in de bespreking per museum.

4. Museale Verwervingen in de periode 1940-1948: de knelpunten

Introductie

De honderden musea die een bijdrage hebben geleverd aan het onderzoeksproject, hebben met hun reacties een grote hoeveelheid gegevens bijeen gebracht over de collectievorming en het functioneren van de Nederlandse musea in de periode 1940-1948. Ten aanzien van de primaire vraagstelling, namelijk de vraag naar mogelijk problematische of discutabele verwervingen in de periode 1940-1948, werd door de individuele musea belangrijke informatie aangedragen.

Hoewel elke museumverwerving zijn eigen specifieke omstandigheden kende, zijn er een aantal grote lijnen aan te geven in de door de musea gemelde twijfel- en probleemgevallen. Zekere overeenkomstige situaties, keuzes en handelswijzen kunnen ertoe hebben geleid dat musea voorwerpen met een problematische herkomst hebben verkregen. In dit vierde hoofdstuk worden de aandachtspunten besproken die bij het project Museale Verwervingen 1940-1948 naar voren zijn gekomen. De nadruk ligt daarbij op het schetsen van de context en het verstrekken van achtergrondinformatie die relevant is voor een juist begrip van de afzonderlijke gevallen, die later per museum in detail worden besproken. Tevens kan dit hoofdstuk informatie bieden aan Nederlandse musea die het herkomstonderzoek wensen voort te zetten of hiermee een aanvang willen maken. Het laat zien welke factoren extra aandacht verdienen bij bestudering van de museale verwervingen uit de periode 1940-1948.

4.1 De Nederlandse museumwereld tijdens de bezetting

Institutioneel kader

Het functioneren van de Nederlandse musea werd tijdens de oorlog voor een groot deel bepaald door het beleid van de afzonderlijke museumdirecties en de bevoegde lokale overheden. Daarnaast waren de nationale overheidsinstanties van invloed op het handelen van de musea. Het oude Ministerie van OKenW was in november 1940 op bevel van Seyss-Inquart opgesplitst in twee instellingen: het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (DOWK, later DOWK) en het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). De musea en de inrichtingen van onderwijs en opvoeding vielen onder het eerstgenoemde departement.

Het DOWK stond onder leiding van secretaris-generaal prof. dr. J. van Dam. Het cultuurbeleid van dit departement werd echter in sterke mate bepaald door J.K. van der Haagen, chef van de afdeling K.W. (Kunsten en Wetenschappen, later Kultuurbescherming en Wetenschap). Van der Haagen heeft tijdens de oorlog menigmaal zijn invloed aangewend om maatregelen van de bezetter op cultuurgebied te voorkomen of af te zwakken. Naast de contacten met het departement zelf, hadden musea te maken met diverse overheidsorganen, commissies en deskundigen die belast waren met specifieke deeltaken op cultureel gebied. Een belangrijk rol speelden onder meer de Inspecteurs voor de bescherming van schatten van wetenschap en kunst tegen de oorlogsgevaren (‘Inspecteurs Kunstbescherming’), het Rijksbureau voor den Monumentenzorg, de Hoofdmuseumdeskundige Inlevering Metalen, de Rijkscommissie van advies inzake de Musea, alsmede de aan deze commissie verbonden Adviseur voor de Musea.

Van officiële Duitse zijde werden de K.W.-zaken aanvankelijk behandeld door dr. von Albrecht Hoenigschmidt, en later door de Weense kunsthistoricus dr. F. Plutzar (‘Leiter der Hauptabteilung Wissenschaft, Volksbildung und Kultur-pflege’, ressorterend onder de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz, dr. Wimmer). Het contact tussen het departement en dr. Plutzar verliep in het algemeen soepel. Van der Haagen merkte op dat hij ‘na een contact gedurende bijna vijf jaar [niet zou] aarzelen hem een gentleman te noemen, ware het niet dat hij een overtuigd anti-semiet was’. Hoewel Plutzar volgens Van der Haagen in het algemeen opkwam voor de bij hem voorgedragen Nederlandse belangen, was zijn invloed slechts betrekkelijk. Op cultuurgebied manifesteerden zich allerlei bijzondere organisaties, personen en diensten, zoals de Dienststelle Mühlmann en de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (E.R.R.), waarop het Rijkscommissariaat slechts ten dele gezag kon doen gelden (zie paragraaf 4.2). Het departement en de musea, om nog te zwijgen van de particuliere eigenaars van kunstcollecties, werden geconfronteerd met tal van elkaar doorkruisende bevoegdheden.

Oorlogsomstandigheden

In april 1945 voltooide de reeds genoemde J.K. van der Haagen een rapport over ‘onze roerende schatten van wetenschap en kunst in de oorlogsjaren’. Dit informatieve verslag biedt inzicht in een aantal problemen waarmee Nederlandse musea zich tijdens de bezetting geconfronteerd zagen, en de wijze waarop gereageerd is op de ongewone omstandigheden. Bovenal benadrukt Van der Haagen ‘hoezeer de bezettingstijd met zijn veelal gesloten musea en wetenschappelijke instellingen, zijn geestelijke en materieele nooden, zijn uitschakeling van de besten op intellectueel en artistiek gebied een periode van stilstand en afbraak is geweest’.

De Nederlandse museumwereld kreeg tijdens de oorlog te maken met tal van omstandigheden die ook op andere gebieden van de maatschappij hun invloed deden gelden. De opeenvolgende verordeningen van de bezetter, de uitdunning der gelederen door de anti-Joodse maatregelen en de Arbeitseinsatz, tal van praktische belemmeringen zoals de stookproblemen – al deze zaken tastten het geregeld functioneren van musea aan, zoals zij dit ook bij andere Nederlandse instellingen deden.

Daarnaast waren er zaken die specifiek op het museale veld betrekking hadden. Aan de diverse maatregelen van de bezetter op het gebied van cultuurbeleid werd dikwijls met tegenzin gehoor gegeven. Zo moesten verschillende musea ruimte bieden aan door de bezetter georganiseerde, ongewenste tentoonstel­lingen waarin de nationaal-socialistische idealen werden verheerlijkt. Al even weinig geestdrift riep doorgaans de gedwongen bruikleengeving van museumstukken op waarmee de Duitse dienstgebouwen werden aangekleed. In 1943 en 1944 is een belangrijk deel van deze kunstwerken aan de musea geretourneerd, maar niet alles kwam terug. Werken van Joodse kunstenaars en afbeeldingen van Joodse personen die tot museaal bezit behoorden, lijken – op een enkele uitzondering na – ongemoeid te zijn gelaten. Ook acties van de bezetter ten aanzien van Entartete Kunst in Nederlandse musea zijn voor zover bekend achterwege gebleven.

Oorlogsschade

In Nederland is er tijdens de bezetting op het gebied van de kunstschatten veel schade geleden. Maar, stelt Van der Haagen in zijn rapport, ‘Zeker wat den inhoud der musea betreft, is het er nog betrekkelijk goed afgekomen’. Slechts in een beperkt aantal gevallen zijn museale collecties aangetast. Een belangrijk voorbeeld daarvan is het Rijksmuseum Kröller-Müller, waar drie schilderijen van oude Duitse meesters in beslag werden genomen. Als compensatie werd een krediet van zes ton ter beschikking gesteld dat het museum kon gebruiken voor de aankoop van andere kunstwerken. Verder werden onder meer de collecties van het Joods Historisch Museum te Amsterdam en van de Spinozahuizen te Rijnsburg en Den Haag geconfisqueerd. De Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) was hier verantwoordelijk voor. Protesten werden door deze organisatie gepareerd met de opmerking ‘Die Art des Eigentümers spielt bei Judaica keine Rolle’.

Naast deze confiscaties zijn er museumstukken verloren gegaan door oorlogshandelingen. Bij bombardementen en brand zijn diverse kunstwerken vernietigd of beschadigd. Toch vielen de verliezen in dit opzicht nog mee, doordat een groot gedeelte van het museaal bezit veilig lag opgeslagen. Tal van waardevolle stukken (waaronder ook particuliere eigendommen) zijn reeds voor of tijdens de oorlog ingepakt en geëvacueerd naar zolders, kelders, gymlokalen, speciaal geconstrueerde bomvrije bunkers en andere bergplaatsen. Zowel de Rijksoverheid als de musea voelden de zware taak op zich rusten om het museaal bezit te beschermen tegen het oorlogsgeweld.

Vooral het particuliere kunstbezit heeft geleden onder de bezetting. Van der Haagen wijst er in zijn rapport op dat er in Nederland niet veel verzamelingen van internationaal formaat waren, maar ‘onze hooge “wooncultuur” bracht mede, dat in vrijwel alle huizen van beter gesitueerden een aantal fraaie oude meubelen, goed Delftsch en porcelein, oud koper en tin, behoorlijke oude en moderne schilderijen werden aangetroffen’. De oorlog liet zijn sporen na: ‘veel is vernield door oorlogsgeweld, veel beschadigd door tallooze gedwongen verhuizingen, zeer veel ook naar Duitschland verdwenen’.Een aanzienlijk aantal particuliere collecties kon nog in veiligheid worden gebracht door ze als bruikleen, bewaarneming of schenking onder te brengen in de depots van musea. Als het Joodse eigendommen en/of vijandelijk vermogen betrof, strekte de bezetter hier de hand naar uit. Een deel van het in musea bewaarde particuliere bezit is door Duitse instanties op grond van verordeningen en maatregelen van het Rijkscommissariaat weggehaald. In andere gevallen kon dit worden vermeden, doordat verzwegen werd dat het Joods vermogen betrof, of doordat de betreffende voorwerpen werden verworven door of ten behoeve van de musea (zie de paragraaf 4.3 en paragraaf 4.5).

Politieke oriëntatie

In het rapport van Van der Haagen wordt enige malen in meer of minder bedekte termen verwezen naar de politieke en maatschappelijke oriëntatie van personen uit de museumwereld en het culturele leven tijdens de oorlog. Ook andere literatuur en bronnenmateriaal geeft hierover informatie. Bij de opzet van het project Museale Verwervingen 1940-1948 was evenwel van aanvang af duidelijk, dat de inzet van het zelfonderzoek niet bestond uit het ‘ontmaskeren’ van nationaal-socialistische sympathieën of het zoeken naar blijken van goed vaderlands gedrag bij museummedewerkers of voormalige eigenaars van museale voorwerpen. De opzet was het achterhalen van eventuele problematische aanwinsten, en richtte zich niet op personen.

Tegelijk ligt het voor de hand, dat gegevens over nationaal-socialistische sympathieën en warme contacten met Duitse autoriteiten of roofinstellingen in die zin van belang zijn, dat deze de onderzoeker kunnen helpen bij de bestudering van de herkomst van verwervingen. Bij het onderzoek zijn treffende voorbeelden aangetroffen van museumdirecteuren en -medewerkers die zich inzetten voor de bescherming van leven en eigendommen van Joodse landgenoten, terwijl onderzoekers tevens stukken aantroffen met gegevens over gedragingen en overtuigingen waarbij vanuit moreel opzicht vraagtekens te plaatsen zijn. In beide gevallen werden deze bevindingen beschouwd als achtergrondinformatie voor het herkomstonderzoek, en niet als het eigenlijke doel van de studie.

4.2 De Liro-bank en andere Duitse (roof)instellingen

De Commissie Museale Verwervingen 1940-1948 hield bij het opstellen van de aandachtspunten voor het zelfonderzoek rekening met de mogelijkheid dat musea tijdens de oorlog voorwerpen hebben verworven van Duitse of ‘geariseerde’ instanties en diensten. Dergelijke organisaties kunnen op oneigenlijke wijze kunstvoorwerpen hebben verworven, en ze daarna in Nederlandse handen hebben gebracht. Aan de musea werd gevraagd om in het bijzonder te letten op eventuele verwervingen via de bank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) en de Dienststelle Mühlmann.

De Liro-bank

De firma Lippmann, Rosenthal & Co. was een gerenommeerde Joodse bank die gevestigd was aan de Nieuwe Spiegelstraat te Amsterdam. Gebruik makend van de goede naam van dit bedrijf, richtte de bezetter in de zomer van 1941 een bijkantoor van de bank op, dat belast was met de uitvoering van diverse anti-Joodse verordeningen. In plaats van een gewoon bankiershuis was dit filiaal, gevestigd aan de Sarphatistraat 47-55, een ‘roofbank’ waar Joodse eigendommen werden ingezameld en te gelde werden gemaakt.

Aanvankelijk legde de Liro-bank zich toe op taken die voortvloeiden uit Verordening (VO) 148/1941 van 8 augustus 1941. Deze maatregel, bekend geworden als de ‘Eerste Liro-Verordening’, verplichtte de Joodse bevolking tot inlevering van delen van haar geldelijk vermogen. Op 21 mei 1942 volgde met VO 58/1942 de verdere aantasting van het Joodse particuliere bezit. De Rijkscommissaris gelastte met een Tweede Liro-Verordening de inlevering bij de Liro-bank van een hele reeks aan Joodse vermogenswaarden, waaronder ook kunstcollecties, goud, zilver en juwelen.

Naar aanleiding van beide Liro-verordeningen stroomde een onafzienbare hoeveelheid voorwerpen bij de bank binnen. Joodse particulieren brachten goederen in, maar ook een gedeelte van de door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) geconfisqueerde inboedels kwam bij de Liro-bank terecht. De totale waarde aan ingeleverd goed is moeilijk te schatten. Kort na de oorlog is wel gesproken over een waarde van circa 350 à 400 miljoen gulden aan bij de Liro-bank gedeponeerde vermogensbestanddelen (‘fondsen, gelden, tegoeden, vorderingen, polissen, kunstsieraden, goud en zilver’).

Verkoop van cultuurgoederen door de Liro-bank

De cultuurgoederen die door de Liro-bank werden bijeen gebracht, kregen uiteenlopende bestemmingen. Volgens richtlijnen van hogerhand, konden enkele nazi-kopstukken als eerste een keuze doen uit de kunstvoorraad. De werken die overbleven, zijn onder meer naar de Duitse kunsthandel en Duitse musea gegaan. Daarnaast werd van officiële zijde toestemming gegeven om kunstwerken van tweede en derde garnituur te laten veilen in Nederland.

Meer gedetailleerde informatie over de herkomst en bestemming van kunst­werken die bij de Liro-bank waren ingeleverd, vinden we onder andere in de zogenaamde Liro-schilderijenlijst. Dit register van circa 80 bladen geeft een (waarschijnlijk incomplete) opsomming van de bij Liro ingeleverde schilderijen, tekeningen en prenten, waarbij dikwijls ook de oorspronkelijke eigenaars en de kopers zijn vermeld. Het is een lijst die na de oorlog voor recuperatiedoeleinden is samengesteld op basis van gegevens uit de oorspronkelijke Liro-administratie (de Liro-kaarten). Er is ook een lijst bewaard gebleven van ingeleverde sieraden. Soortgelijke registers van bijvoorbeeld kunstnijverheidsvoorwerpen of meubels zijn bij het project Museale Verwervingen 1940-1948 tot dusverre niet aange­troffen.

In de koperskolommen van de bovengenoemde Liro-schilderijenlijst komen de namen van enige Nederlandse openbare collecties voor. Uiteraard is aan deze aankopen bij het project Museale Verwervingen 1940-1948 nadrukkelijk aandacht besteed. De uitkomsten van dit onderzoek zijn te vinden bij de bespreking van de volgende instellingen:

  • Amsterdam, Rijksmuseum
  • Amsterdam, Stedelijk Museum
  • ’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag
  • Leiden, Rijksmuseum van Oudheden
  • Amsterdam, Gemeentearchief
  • Rotterdam, Historisch Museum Rotterdam
  • Utrecht, Centraal Museum
Andere Duitse of geariseerde (roof)instellingen

Naast de Liro-bank kunnen ook andere Duitse (roof)instellingen en daaraan verbonden particulieren kunstvoorwerpen met een dubieuze herkomst aan Nederlandse musea hebben aangeboden. Hierbij dient in het bijzonder te worden gewezen op de Dienststelle Mühlmann. Deze organisatie is in 1940 in opdracht van Seyss-Inquart opgericht, en heeft onder leiding van Kajetan Mühlmann tijdens de oorlog op grote schaal kunstwerken in Nederland verworven met het doel deze door te verkopen aan Duitse afnemers. Een klein gedeelte van deze aanwinsten bestond uit door de bezetter geconfisqueerd kunstbezit: de Rijkscommissaris had bepaald dat de Dienststelle Mühlmann als eerste een keuze mocht doen uit in beslag genomen cultuurgoederen. De voorraden van de Dienststelle waren doorgaans bestemd voor prominente nazi’s in Duitsland, zoals Hermann Göring, of werden verkocht aan andere Duitse klanten. Toch kan niet worden uitgesloten dat incidenteel goederen door deze organisatie zijn aangeboden aan Nederlandse kopers, en rechtstreeks of via tussenhandelaars terecht zijn gekomen in Nederlandse museumcollecties.

Enkele andere belangrijke Duitse organisaties die tijdens de bezetting te maken hebben gehad met de aankoop en/of roof van cultuurgoederen, zijn het Büro Sonderfragen van het Rijkscommissariaat (onder leiding van Wickel, en later Göpel); de reeds eerder genoemde Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR), en de instellingen die door de bezetter waren belast met het opsporen, in beslag nemen en liquideren van ‘vijandelijke vermogens’ (waaronder bezittingen van gevluchte Joden). Daarnaast kunnen echter ook andere Duitse en geariseerde instanties bij hun werkzaamheden in Nederland de hand hebben gelegd op cultuurgoederen die onvrijwillig uit het bezit waren geraakt van de eigenaars.

Een enkele keer hebben musea bij het zelfonderzoek in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 aanwijzingen gevonden, dat in de genoemde periode voorwerpen zijn verworven die rechtstreeks van dergelijke verdachte Duitse instanties afkomstig waren. Sommige van deze voorwerpen bleken reeds na de bevrijding te zijn teruggegeven. De problematiek met betrekking tot dergelijke verwervingen wordt in hoofdstuk 5 toegelicht bij onder meer:

  • Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen
  • ’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag

4.3 Het Rijksfonds voor de aankoop van Joods bezit

In deel 13 van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Lou de Jong, vindt de lezer een passage die met het oog op het project Museale Verwervingen 1940-1948 van grote relevantie is. Het betreft een verwijzing naar een ‘extra-subsidie’ die tijdens de oorlog op departementaal niveau was ingesteld om te voorkomen dat Nederlandse kunstschatten naar Duitsland verdwenen. Uit deze subsidie, ten bedrage van vijf ton, zouden aankopen uit Joods bezit bekostigd zijn ten behoeve van de nationale musea.

Hoe is deze subsidie tot stand gekomen? Welke collecties en objecten zijn aangekocht, en in hoeverre heeft er na de bevrijding rechtsherstel plaatsgevonden ten aanzien van deze transacties? Aan deze vragen is bij het onderzoeksproject naar museale aanwinsten uit de periode 1940-1948 uitvoerig aandacht besteed.

De uitkomst van dit onderzoek is, dat het Rijksfonds is aangewend voor de aankoop van acht collecties uit Joods bezit ten behoeve van Nederlandse musea. Daarnaast werden nog eens drie collecties of kunstvoorwerpen door musea verworven met andere middelen dan het aankoopfonds. Verder werd duidelijk dat er zich onder de elf verwervingen geen ‘vergeten gevallen’ bevinden – hiermee wordt bedoeld dat na de oorlog over elk van de verwervingen overleg heeft plaatsgevonden met (erfgenamen van) de oorspronkelijke eigenaars. Bij één verwerving zijn er evenwel aanwijzingen dat dit overleg niet heeft geleid tot een afhandeling die vanuit de optiek van de erfgenamen bevredigend is geweest. Het betreft een collectie archeologica die zich in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden bevindt.

De aanleiding

Op 21 mei 1942 kondigde Rijkscommissaris Seyss-Inquart Verordnung no. 58/’42 af. Zoals reeds in paragraaf 4.2 werd vermeld, was dit één van de vele anti-Joodse maatregelen uit de oorlogsperiode: de verordening bepaalde dat Joodse vermogenswaarden bij de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) moesten worden ingeleverd. Het betrof niet alleen geld en effecten, maar ook collecties van alle soorten, kunstvoorwerpen, voorwerpen van edele metalen en juwelen. Vrijwel onmiddellijk na de uitvaardiging van Verordnung 58/’42 luidde het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (DOWK) de noodklok bij de Rijkscommissaris. De afdeling K.W. gaf uiting aan de vrees ‘dat door dezen maatregel ons land wederom een gevoelig verlies aan cultureele waarden zal komen te lijden’. Het departement formuleerde een reeks voorstellen om de schade van de maatregel voor het nationale kunstbezit zoveel mogelijk te beperken. Allereerst verzocht het dowk aan de Rijkscommissaris om de Liro-bank opdracht te geven niets van de Joodse goederen te verkopen vóórdat de Staat in de gelegenheid was gesteld om na te gaan welke voorwerpen het wilde verwerven voor openbare collecties. Daarnaast werd aandacht gevestigd op het Joods bezit dat in bruikleen of bewaring was bij de Nederlandse musea. Het DOWK vroeg toestemming om deze voorwerpen te laten waar ze waren, en voorlopig met aanmelding ervan bij de Liro-bank te volstaan. Ten derde hoopte men dat een aantal objecten waarvan de verwerving een zaak van nationaal belang was, in bewaring konden worden gegeven aan Rijksmusea.

De Duitse autoriteiten bleken bereid om aan de verzoeken van het DOWK tegemoet te komen. Zo mocht een functionaris van het departement in gezelschap van dr. Plutzar een bezoek brengen aan de Liro-bank, om na te gaan of de voorraad stukken bevatte die van betekenis waren voor het nationale kunstbezit (zie hieronder).Daarnaast stond de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz toe dat de bruiklenen van Joodse eigenaars voorlopig in de musea bleven, en dat enkele Joodse verzamelingen van bijzondere betekenis alsnog aan musea in bewaring werden gegeven.

Voor de praktische uitwerking van een en ander, was allereerst een inventarisatie van de probleemgevallen nodig. In juni 1942 verzocht het departement aan de belangrijkste Nederlandse musea om een opgave van de Joodse eigendommen die als bruikleen in de betreffende instellingen waren ondergebracht. In de volgende weken stroomden de reacties binnen. Zeker elf instellingen lieten weten dat zij inderdaad objecten van Joodse eigenaars in bruikleen hadden. In dezelfde periode selecteerde het dowk vier grote collecties uit Joods bezit die zich niet in de musea bevonden, maar waarvan de verwerving volgens het departement een zaak ‘van nationaal belang’ was.Deze verzamelingen werden door de Duitse autoriteiten voorlopig gevrijwaard van inlevering bij de Liro-bank, en mochten in bewaring worden genomen door Nederlandse musea.

In totaal werden kunstcollecties van circa dertig Joodse eigenaars aangemeld bij het DOWK. Dit is inclusief de vier bewaarnemingen, en inclusief de aangemelde bezittingen van enige synagogen.

De Liro-bank probeerde gedaan te krijgen dat het dowk de Nederlandse musea in een circulaire zou vragen om de Joodse vermogenswaarden rechtstreeks bij de bank aan te melden. De afdeling K.W. voelde er echter niets voor om ‘dergelijke hand- en spandiensten aan deze heeren’ te verlenen. De vrees van de Liro-bank dat er informatie werd achtergehouden, was zeker niet ongegrond. In veel gevallen verzwegen musea dat zij op verzoek van de eigenaars Joods kunstbezit bewaarden (zie ook paragraaf 4.5).

Stichting van het fonds ‘Aankoop Joodsch bezit’

In oktober 1942 kreeg het DOWK bericht dat er een besluit was gevallen over het Joodse kunstbezit in de musea. dr. Plutzar meldde dat de betreffende verzamelingen verkocht zouden worden. De musea kregen echter de gelegenheid om de collecties die niet van Duitse zijde werden overgenomen, tegen taxatieprijzen te verwerven. Niet aldus verworven kunstwerken dienden te worden ingeleverd bij de Liro-bank.

Het departement informeerde bij de elf betrokken museumdirecties of deze het Joodse kunstbezit dat bij hun instelling was ondergebracht, al dan niet wensten aan te kopen. Zeker vier museumdirecteuren lieten weten dat zij inderdaad tot aankoop genegen waren, aangezien (delen van) deze verzamelingen van groot belang waren voor hun museum.

Om de aankopen uit Joods bezit te kunnen bekostigen, had het DOWK zich reeds in juni 1942 gewend tot het Departement van Financiën dat in die tijd onder leiding stond van M.M. Rost van Tonningen. Na herhaaldelijk aandringen van de afdeling K.W. stelde het departement van Financiën in december 1942 vijf ton beschikbaar voor de ‘Aankoop van voorwerpen van cultureel belang uit voormalig Joodsch bezit ten behoeve van de Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst’ (art. 228 bis op de begroting van het DOWK).[#44] Dit bedrag zou later nog eens worden verhoogd met f 21.000, -, voor een veilingaankoop uit Joods bezit ten behoeve van het Rijksmuseum.

De fondsaankopen

Na de toezegging van de subsidie voor de aankoop van Joods kunstbezit, kwamen de onderhandelingen met de Liro-bank op gang – onderhandelingen die de bank zo snel mogelijk wilde afronden, terwijl het departement en de musea de zaken soms juist leken te rekken.

Het waren in eerste instantie de musea zelf die, daartoe gemachtigd door het DOWK, overleg voerden met Lippman, Rosenthal & Co.. De bank liet de Joodse collecties taxeren en gaf de museumdirecties de vraagprijs door, waarna de musea bij het departement om een aankoopmachtiging vroegen. Het DOWK hield echter voortdurend de vinger aan de pols en coördineerde de verwervingen.

De belangrijkste besprekingen met de Duitse instanties voerde het departement zelf. De onderhandelingen zijn niet zonder resultaat gebleven. Voor zover bekend is uiteindelijk iets meer dan vijf ton van het Rijksfonds besteed, en wel aan de verwerving van acht collecties uit Joods bezit in de jaren 1943 en 1944. De aangekochte voorwerpen kwamen ten goede aan vijf Nederlandse musea. Informatie over de acht fondsaankopen is te vinden bij de besprekingen van de volgende musea:

  • Amsterdam, Rijksmuseum
  • Amsterdam, Stedelijk Museum
  • ’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag
  • Leiden, Rijksmuseum van Oudheden
Aanverwante verwervingen

Naast de onderhandelingen over de acht fondsaankopen, heeft het dowk overleg gevoerd over diverse andere Joodse verzamelingen. De meeste daarvan zijn uiteindelijk niet verworven. Enkele collecties zijn echter wél door musea aangekocht, maar door andere kopers dan het dowk, en met andere financiële middelen dan het fonds voor ‘Aankoop Joodsch bezit’. Het betreft kunstvoorwerpen van drie Joodse eigenaars, verworven voor twee Nederlandse instellingen:

  • Utrecht, Centraal Museum te Utrecht
  • Rotterdam, Museum van Oudheden (thans Historisch Museum Rotterdam)

Vooral de aankoop voor het Museum van Oudheden te Rotterdam had een opmerkelijke voorgeschiedenis. Deze verwerving vloeide voort uit een plan van het DOWK om het aankoopfonds niet alleen te gebruiken voor de aankoop van Joods bezit in de musea, maar ook voor de verwerving van kunstwerken uit de voorraad van de Liro-bank.

Eind 1942 vroeg het departement toestemming aan de Duitse autoriteiten om na te gaan of de Liro-voorraad kunstwerken bevatte die van wezenlijk belang waren voor het nationale kunstbezit. Nadat hiervoor goedkeuring was verleend, verzocht het dowk aan enkele Nederlandse museumdirecteuren om de selectie van de kunstwerken op zich te nemen. Dit resulteerde in een lijst van enige tientallen stukken die voor Nederlandse musea in aanmerking zouden komen. Het dowk stelde hiervoor een aankoopbedrag van ca. f 17.000, – ter beschikking uit het begrotingsartikel ‘Aankoop Joodsch bezit’.

Uiteindelijk liepen de plannen spaak. Dit had waarschijnlijk te maken met de tussenkomst van D. Hannema, directeur van het Museum Boymans en het Museum van Oudheden te Rotterdam. Hoewel deze zelf had meegewerkt aan de opstelling van de bovengenoemde lijst van kunstwerken, liet hij aan de Liro-bank weten dat er voor Nederland nauwelijks iets interessants tussen de Liro-goederen zat. Hij kocht voor het Museum van Oudheden te Rotterdam slechts een mansportret, vervaardigd door de schilder A. Hanneman (zie reactie Historisch Museum Rotterdam). De Liro-bank heeft de overige kunstwerken toen verkocht aan andere belangstellenden dan de Nederlandse musea.

Naoorlogse afwikkeling van de aankopen

Niet minder belangrijk dan de fondsaankopen uit Joods kunstbezit, is de kwestie van de naoorlogse afhandeling van deze verwervingen. Binnen het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKenW) heerste de overtuiging dat de Staat de morele plicht had om de Joodse eigenaars die dit wensten, weer in hun rechten te herstellen. Vooral J.K. van der Haagen – na de reorganisatie van het departement werkzaam bij de afdeling Oude Kunst en Natuurbescherming (OKN) – was hier zeer stellig in. Hij herinnerde zijn ambtgenoten van de afdelingen Kabinet en Financiële Controle (F.C.) er herhaaldelijk aan dat ‘de bedoeling van het fonds “Aankoop Joodsch Bezit” niet slechts was geweest kunstgoederen voor Nederland te bewaren, maar ook om Joods eigendom tegen de gevolgen van confiscatie te vrijwaren. In deze gedachtengang moet in de eerste plaats het goed worden teruggegeven’.

In de praktijk bleek de restitutie echter aanmerkelijk stroever te verlopen dan de afdeling onk had gehoopt. De diverse afdelingen van het ministerie verschilden van mening over de juiste wijze van afwikkeling van de fondsaankopen, waardoor rechthebbenden soms lang moesten wachten op een antwoord op hun verzoeken. De onenigheid over de afhandeling had zowel een juridische als een financiële achtergrond. In de eerste plaats was men het er niet over eens of het herstel van de oude eigendomstoestand geregeld kon worden met een zogeheten dading, zoals de afdeling onk aanvankelijk voorstond, of dat een uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (zie paragraaf 4.8) noodzakelijk was. Na tal van interne nota’s werd besloten dat het vanuit juridisch oogpunt de voorkeur verdiende om de zaken aanhangig te maken bij genoemde Raad.

Een tweede probleem was hiermee echter nog niet van de baan, namelijk de vraag of de Joodse eigenaars de collecties terug zouden krijgen na cessie (overdracht) van de aanspraken op de koopsom die destijds op hun naam bij de Liro-bank was gestort, of na daadwerkelijke betaling van dit geldbedrag aan de Staat. De afdeling ONK pleitte voor cessie van de rechten, terwijl de afdelingen Kabinet en F.C. beducht waren dat dit een schadepost voor de Staat zou opleveren: de kans was groot dat de vordering op de Liro-bank niet het volle bedrag zou opleveren dat indertijd door de Staat voor de betreffende collectie was betaald. Nadat de landsadvocaat zich bij de visie van de afdeling ONK had aangesloten, werd in zeker twee gevallen besloten om bij Rechtsherstel genoegen te nemen met de cessie van de vorderingen die de oorspronkelijke eigenaars tegen de Liro-bank konden doen gelden.

Van de acht fondsaankopen zijn uiteindelijk vier verzamelingen teruggekeerd naar de oorspronkelijke eigenaars of hun erven. In twee van deze gevallen vond restitutie inderdaad plaats na een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. Van de twee andere restituties is niet geheel duidelijk hoe deze tot stand zijn gekomen, wel dát ze hebben plaatsgevonden.

Niet alle fondsaankopen zijn na de oorlog ongedaan gemaakt: vier van de acht collecties zijn na de oorlog niet teruggegaan naar de oorspronkelijke eigenaars of hun erven (behoudens enkele losse voorwerpen). In alle vier de gevallen hebben de rechthebbenden afstand gedaan van hun aanspraken op restitutie. Bij twee collecties was dit reeds vlak na de bevrijding duidelijk, terwijl bij twee andere verzamelingen het besluit pas viel na een lang proces van onderhandelingen.

Niet aangekochte collecties

Bij de inventarisatie van Joodse bruiklenen in Nederlandse musea werden bij het DOWK veel meer collecties aangemeld dan er uiteindelijk ten behoeve van de Nederlandse musea zijn verworven. Een belangrijke vraag is, wat er met de niet-aangekochte verzamelingen is gebeurd. Het huidige museumonderzoek wees uit dat sommige van deze collecties door de bezetter in beslag zijn genomen. Andere verzamelingen kwamen ongemoeid de oorlog door, en zijn na de bevrijding door de musea aan de rechthebbenden ter hand gesteld. Tenslotte zijn er voorwerpen waarvan ook na archiefonderzoek door de musea niet kon worden vastgesteld wat ermee is gebeurd. Voor deze kunstwerken zijn in de museumadministraties geen uitreçu’s gevonden, terwijl de objecten zelf niet meer aanwezig zijn in de huidige collecties van de musea. De betreffende gevallen komen aan de orde in de reacties van de musea.

4.4 Verwervingen via de Nederlandse kunsthandel

In de twee voorgaande paragrafen werd stilgestaan bij kunstvoorwerpen die rechtstreeks van Duitse (roof)instellingen zijn aangekocht door de overheid of door afzonderlijke musea. Een andere mogelijkheid is echter, dat door de bezetter in beslag genomen goederen via omwegen in openbare collecties terecht zijn gekomen – bijvoorbeeld doordat er geconfisqueerde voorwerpen opdoken op de Nederlandse kunstmarkt, en door of ten behoeve van musea zijn aangekocht. In deze paragraaf zal hier nader op worden ingegaan.

De Nederlandse kunstmarkt tijdens de bezetting

In de jaren dertig was de toestand van de Nederlandse kunstmarkt weinig rooskleurig: het was een tijd van ‘grote voorraden bij de Nederlandse kunsthandel, nagenoeg geen omzet, Nederland een duurte-eiland voor de vreemdelingen’. De oorlog zou deze situatie drastisch veranderen. De toestroom van Duitse kopers en een groeiende kooplust van Nederlanders, zorgden voor een krachtige opleving van de kunsthandel. De prijzen stegen in hoog tempo: Oude Meesters brachten in 1943 al snel zes keer zoveel op als in 1940, terwijl voor schilderijen uit de Romantische School soms zelfs het achtvoudige gevraagd kon worden. Nieuwe handelaars verdrongen zich om een plaats te veroveren op dit bloeiende terrein. Een oudere beoefenaar van het vak herinnerde zich na de oorlog: "als paddestoelen verrezen de ‘kunsthandels’ uit de grond, mannen wier namen ons, oude rotten, totaal vreemd waren, dienden zich aan als ‘kunsthandelaren’ of ‘houders van kunstveilingen’, ex-kellners hadden hun serveerblad opgeborgen en trachtten waardeloze rommel tegen exorbitante prijzen klanten in de maag te stoppen."

Invloedrijke Duitse kopers als Hermann Göring en Kajetan Mühlmann begaven zich op de kunstmarkt om deze met assistentie van stromannen en adviseurs af te romen. Andere Duitse afnemers volgden in hun kielzog: Duitse museumdirecteuren, inkopers voor nazi-kopstukken in de Heimat, kunsthandelaars en scharrelaars beconcurreerden elkaar en trachtten in Nederland hun slag te slaan. Zij vonden tal van Nederlandse handelaars en particulieren genegen om zaken te doen. Degenen die minder bereidwillig waren, konden soms met beloften of intimidatie over de streep worden getrokken.

De vooruitzichten voor de Joodse kunsthandelaars waren in deze tijd geheel anders dan die van hun niet-Joodse vakgenoten. In het kader van de algemene arisering van het bedrijfsleven, werd door de bezetter over tal van Joodse firma’s een Verwalter (beheerder) aangesteld die de eigenaren verving. De kosten voor dit beheer door Duitse of Nederlandse ‘Ariërs’ kwamen ten laste van de ondernemingen zelf. Ook de Nederlandse kunsthandel kreeg met deze maatregel te maken. Vele kunsthandelaars en antiquairs kregen te horen dat hun zaak zou worden voortgezet onder leiding van een Verwalter. Niet zelden waren dergelijke bewindvoerders volkomen onervaren in deze bedrijfstak, en namen zij de voormalige eigenaars als personeel in dienst om de firma draaiende te houden. Sommige Verwalters ‘kochten’ de onder hun beheer geplaatste kunsthandel, anderen gingen tot liquidatie van het bedrijf over.

Door de combinatie van handel en confiscatie verdween in korte tijd een ongekende hoeveelheid kunstschatten naar Duitsland. Het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming trachtte een oog te houden op wat werd weggevoerd, maar zag al snel het hopeloze van deze pogingen in. Volgens een naoorlogse schatting van dr. J.G. van Gelder, kwam de totale waarde van de uitgevoerde kunstwerken uit op 300 à 400 miljoen gulden.

Aankopen van de musea

Van der Haagen stelde in zijn reeds eerder genoemde rapport van april 1945, dat de concurrentieslag op de kunstmarkt voor de Nederlandse Rijksmusea niet positief uitpakte. In 1932 had de regering de aankoopbudgetten voor de Rijksmusea vrijwel geheel geschrapt, en ‘bij de wel zeer levendige belangstelling, welke in den bezettingstijd allerwege voor onze oude kunst betoond werd .., waren wij daardoor in een zeer ongunstige positie’. Ook als de Rijksmusea voorwerpen voor zeer schappelijke prijzen kregen aangeboden, zodat deze niet naar Duitsland zouden gaan, waren voor de aankoop ervan dikwijls geen fondsen beschikbaar. Als algemene karakterisering van het verwervingsbeleid van de Nederlandse musea tijdens de oorlog, schrijft Van der Haagen: ‘De opmerking dient gemaakt, dat van onze museumdirecties – met uitzondering van die van het Museum- Boymans en het Openluchtmuseum – weinig initiatief is uitgegaan om gedurende den tijd der bezetting zooveel mogelijk tot zich te trekken’.

Bij verwervingen op de Nederlandse kunstmarkt liepen de musea zekere risico’s: een gedeelte van wat er indertijd door handelaars en particulieren werd aangeboden, kon afkomstig zijn uit door de bezetter geconfisqueerd bezit. Sommige veilinghuizen en handelaars hadden reeds in de oorlogsperiode een reputatie op dat vlak. Dit gold bijvoorbeeld voor het veilinghuis Van Marle & Bignell te Den Haag.Deze firma heeft tijdens de oorlog onder meer goederen geveild voor de Sammelverwaltung feindlicher Hausgeräte, een Duitse instelling die tot taak had om boedels uit vijandelijk vermogen te beheren en voor nazi-Duitsland ten nutte te maken. De beheerder die na de oorlog door het Rijk over de Sammelverwaltung werd aangesteld, stelde ten aanzien van de kopers bij de firma Van Marle & Bignell: ‘Het lijkt mij aan geen twijfel onderhevig, dat de koopers wisten om welke goederen het ging en dat dezen het volle risico van hun koopen moeten dragen’. Andere firma’s die door de bezetter geconfisqueerd bezit hebben geveild, waren onder meer de veilinghuizen Frederik Muller & Co. en S.J. Mak van Waay te Amsterdam. De laatstgenoemde firma heeft tijdens de oorlog vele Joodse eigendommen voor de Liro-bank getaxeerd en verkocht.

In beslag genomen goederen konden echter ook bij tal van andere firma’s en particulieren opduiken. Het is vergeefs zoeken naar sluitende overzichten van mogelijk ‘verdachte verkopers’. Gegevens over de wegen die geconfisqueerde goederen kunnen hebben afgelegd zijn slechts te achterhalen door diepgaand onderzoek in uiteenlopende archieven. Een van de belangrijkste bronnen van informatie op dit vlak vormt het archief van de SNK. Verder bieden onder meer de rapporten die tijdens en na de oorlog zijn opgesteld door de geallieerden een handreiking voor onderzoek.

Bij het zelfonderzoek in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 constateerden diverse musea dat in de genoemde periode voorwerpen zijn verworven bij mogelijk ‘verdachte’ veilinghuizen en kunsthandels. Het betrof zowel aankopen bij Joodse firma’s die tijdens de oorlog onder een Verwalter zijn geplaatst, als verwervingen bij bedrijven waarvan bekend is of vermoed wordt dat deze door de bezetter geconfisqueerde goederen hebben verkocht. De vraag of de door de musea aangekochte voorwerpen uit geroofd of in beslag genomen bezit afkomstig waren, bleef dikwijls onbeantwoord: in veel gevallen bleek niet te achterhalen hoe de verkopende instantie zelf aan de betreffende objecten was gekomen. Diepgravend vervolgonderzoek kon hierover soms aanvullende gegevens opleveren, maar door een gebrek aan bronnen en door de complexiteit van de materie kan verwacht worden dat de herkomstgeschiedenis van veel van deze voorwerpen onduidelijk zal blijven.

In een aantal gevallen bleek er na de oorlog een regeling te zijn getroffen met een vroegere eigenaar van kunstvoorwerpen. Zo ontving het Stedelijk Museum te Amsterdam na de oorlog een verzoek om teruggave van een schilderij dat het in 1942 bij de firma Van Marle & Bignell te Den Haag had aangekocht, en dat uit Joods bezit afkomstig bleek te zijn. De toenmalige museumdirecteur, W. Sandberg, was in principe bereid tot teruggave. Korte tijd later besloot de eigenaar echter om het kunstwerk aan de Gemeente Amsterdam ten geschenke te geven.

In andere gevallen hebben musea wellicht voorwerpen met een discutabele herkomstgeschiedenis verworven op de Nederlandse kunstmarkt, zonder dat zij hier na de oorlog op zijn geattendeerd. Een mogelijk voorbeeld van een na de bevrijding niet afgewikkeld probleemgeval, wordt besproken in de reactie van: Amsterdam, Rijksmuseum

4.5 Achtergebleven Joodse eigendommen in Nederlandse musea

In paragraaf 4.3 is aandacht besteed aan het Rijksfonds voor aankoop van Joods bezit. Daarbij werden enige kunstcollecties besproken die door Joodse eigenaars als bruikleen of bewaargeving in musea waren ondergebracht. De betreffende verzamelingen maakten echter slechts een klein deel uit van de Joodse eigendommen die zich in de oorlogsperiode in Nederlandse musea bevonden. Een belangrijke onderzoeksvraag in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 was, of de voorwerpen uit Joods bezit na afloop van de oorlog weer bij hun rechtmatige eigenaars terecht zijn gekomen. Dit bleek niet altijd het geval zijn.

Joods kunstbezit in veiligheid gebracht

Tijdens de oorlog hebben Nederlandse musea bescherming geboden aan vele honderden kunstcollecties van Nederlandse organisaties en particulieren. Een deel van de voorwerpen die aan de zorg van de Nederlandse musea werd toevertrouwd, was afkomstig uit Joods bezit. De dreiging van bezitsverlies door oorlogsgeweld of confiscatie, leidde ertoe dat sommige Joodse eigenaars zich tot instanties wendden die onder de geldende omstandigheden beter dan zijzelf konden zorgen voor het behoud van de kunstvoorwerpen. De Joodse kunst- collecties konden in de musea worden ondergebracht als bruiklenen of bewaar-gevingen, maar ook als ‘schijnschenkingen’, dat wil zeggen ‘giften’ uit veiligheidsoverwegingen, waarvoor de afspraak gold dat deze later weer ongedaan zouden worden gemaakt.

Om hoeveel gevallen het gaat, is nauwelijks te schatten. Dit hangt onder meer samen met de soms doelbewuste terughoudendheid van musea op administratief vlak. De intentie om Joodse collecties tegen confiscatie door de bezetter te beschermen, kon ertoe leiden dat men zich tot mondelinge afspraken beperkte, of slechts summiere gegevens bijhield. De directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, W. Sandberg, meldde na de oorlog bijvoorbeeld hoe museummedewerkers tijdens de bezetting uit voorzorg bij Joodse verzamelingen ‘elk kenteken verwijderd hebben en de betreffende documenten verstopt of vernietigd’. Een ander voorbeeld vinden we in het archief van het Rijksmuseum te Amsterdam, waar stukken over een pro forma schenking werden aangetroffen met de (doorgekraste) aantekening ‘Dit dossier moet vernietigd worden’.

De firma Lippmann, Rosenthal & Co. hield na Verordening nr. 58/’42 van mei 1942 gegevens bij over de Joodse particuliere eigendommen die zich in de Nederlandse musea bevonden (zie paragraaf 4.2 en paragraaf 4.3). Deze inventarisatie was echter – evenals die van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming – onvolledig. Lang niet alle voorwerpen uit Joods bezit zijn door de eigenaars of door de Nederlandse musea bij de officiële instanties aangemeld. Hoe de besluitvorming ten aanzien van het al dan niet aanmelden van individuele collecties tot stand kwam, is vaak niet meer na te gaan. Het kwam voor dat een Joodse eigenaar delen van zijn collectie in verschillende musea had ondergebracht, waarna het ene museum wél en de andere geen aangifte van de bruikleen lijkt te hebben gedaan bij het DOWK. Zo werd er na de oorlog kritiek geuit op het Centraal Museum te Utrecht, omdat de directie een bepaalde bruikleen als Joods bezit zou hebben opgegeven. De zaakwaarnemer van de betrokken familie stelde daar de houding van het Stedelijk Museum in Amsterdam tegenover: ‘een Gorter van den Heer K. werd hier door den Directeur Jhr. Röell niet als Joods bezit aangemeld, ofschoon Jhr. R. wel beter wist’. Het Centraal Museum bracht hier tegenin, dat het de betreffende kunstwerken door de aanmelding bij het DOWK juist uit handen van de bezetter had willen houden.

Naoorlogse afwikkeling

Van het Joodse kunstbezit in de musea is tijdens de bezetting een gedeelte in Duitse handen geraakt, en is een ander deel aangekocht ten behoeve van Nederlandse museumcollecties. In paragraaf 4.3 kwam dit reeds uitvoerig aan de orde. Daarnaast waren er echter Joodse eigendommen die in de beslotenheid van museumdepots veilig de oorlog zijn doorgekomen, en die in principe na de bevrijding weer ter beschikking stonden van de rechtmatige eigenaars. Wat is er met deze verzamelingen gebeurd?

Vele eigenaars (of hun zaakwaarnemers of erfgenamen) meldden zich na afloop van de oorlog bij musea om hun collecties in ontvangst te nemen. Andere keren nam het museum zelf het voortouw, door contact te zoeken met de rechthebbenden. De afwikkeling zal in een deel van de gevallen probleemloos zijn verlopen – daarvan getuigen de warme bedankbriefjes in de museumarchieven, waarin Joodse instellingen of particulieren lovend spreken over de ‘betoonde welwillendheid, waardoor voor ons kostbare bezittingen behouden zijn’. Het kwam voor dat een collectioneur in de oorlog al zijn kunstvoorwerpen was kwijtgeraakt, behalve de stukken die hij van het museum terugkreeg. Zo schreef een Joodse eigenaar van drie schilderijen die in bewaring waren gegeven aan het Stedelijk Museum te Amsterdam: ‘Zij zijn de enigen, die van mijn collectie zijn overgebleven; want waar de overigen zich ook bevonden, overal zijn zij achterhaald. Des te meer verheugt het mij althans nog in het bezit te zijn van de door U in bewaring genomen schilderijen’. Nu en dan werd als dank voor de goede zorgen van het museum voorwerpen uit een bewaarneming of bruikleen ten geschenke gegeven.

De restitutie van Joodse eigendommen verliep echter niet alle gevallen probleemloos. Het proces van teruggave kon worden belemmerd door velerlei complicaties – bijvoorbeeld ontbrekende of verloren gegane bescheiden over de collecties, de vermissing van bepaalde kunstvoorwerpen, eigenaars die niet of slechts met moeite konden worden opgespoord, of personen die hun eigendommen nog niet in ontvangst konden nemen omdat zij tijdens de oorlog van hun huis waren beroofd. Een ander probleem dat zich bij teruggave voordeed, is dat tal van Nederlandse synagogen na de oorlog niet meer zijn heropend. Dit kon tot gevolg hebben dat Joodse ritualia die door synagoge in musea waren ondergebracht, na de bevrijding niet werden teruggevraagd. Diverse musea hebben hier in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 op gewezen. Ook blijkt het te zijn voorgekomen dat een eigenaar moeite moest doen om de betrokken instanties te overtuigen van zijn recht op de kunstvoorwerpen. Dit gold bijvoorbeeld voor een particulier die in 1953 een pro-forma schenking van haar vader aan het Gemeentemuseum te Weert terug vroeg. De Burgemeester en Wethouders van Weert weigerden: er was immers een getekende verklaring van schenking voorhanden. Men kwam op de weigering terug, toen een voormalige conservator van het museum zich bereid verklaarde om zelfs onder ede te bevestigen dat het slechts een schijnschenking betrof.

Hoewel veel Joodse eigendommen naar de rechthebbenden zijn teruggegaan, dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van ‘vergeten collecties’ in de musea. Wanneer de particuliere eigenaars van de in veiligheid gebrachte voorwerpen het slachtoffer waren geworden van de Jodenvervolging, is het de vraag of hun zaakwaarnemers en nabestaanden altijd op de hoogte waren van wat er in musea was ondergebracht. Het is moeilijk om zicht te krijgen op de omvang van dit probleem: musea waren immers vaak terughoudend met het administreren van bewaarnemingen als Joods bezit. Dikwijls zullen afspraken mondeling zijn gemaakt, of werden bewaarnemingen of (schijn)schenkingen geregistreerd zonder vermelding van het feit dat de eigenaar Joods was. Dit beperkt de aanknopingspunten voor het hedendaagse onderzoek.

Ook nu nog hangt veel af van de alertheid en het signalerend vermogen van de musea. Er zijn gevallen bekend waarbij een museale instelling lange tijd na de oorlog vraagtekens zette bij een bepaalde verwerving, en alsnog tot teruggave is overgegaan. Een opmerkelijk voorbeeld is de geschiedenis van de belangrijke collectie Indonesische kunst van George Tillmann in het Tropenmuseum te Amsterdam. De verzamelaar Tillmann, die onder de groeiende oorlogsdreiging vanuit Amsterdam naar Amerika zou uitwijken, vertrouwde zijn verzameling in november 1939 toe aan de zorgen van het toenmalige Koloniaal Instituut in Amsterdam. Na zijn dood in 1941 is de circa 2000 stuks tellende collectie meer dan 50 jaar als bruikleen in het museum gebleven. Toen de museumdirectie in de jaren negentig contact zocht met de erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar, besloten deze om de bruikleen om te zetten in een schenking. Als dank ontvingen de zoon en schoondochter van George Tillmann in 1994 een Koninklijke onderscheiding.

Achtergebleven Joodse eigendommen in de musea

Enkele musea hebben melding gemaakt van mogelijk in de museumcollectie achtergebleven Joodse eigendommen. Deze problematiek komt onder meer naar voren in de reacties van:

  • Sittard, Stedelijk Museum Het Domein
  • Oldenzaal, Historisch Museum Het Palthehuis
  • Culemborg, Museum Elisabeth Weeshuis

4.6 Ingeleverd metaal in de Nederlandse musea

In de aanwinstenlijsten van de Nederlandse musea over de periode 1940-1948 wordt opmerkelijk vaak melding gemaakt van verwervingen uit zogenaamd ‘ingeleverd metaal’. Het betreft voorwerpen van doorgaans cultuurhistorische waarde, zoals antieke ketels, potten en stoven, die als neveneffect van de Duitse metaalvordering in Nederlandse musea terecht zijn gekomen.

De metaalvordering

Op 18 juni 1941 vaardigde Reichkommissar Seyss-Inquart Verordening 108 uit. Deze Verordening vergde van de Nederlandse bevolking de inlevering van koper, messing, lood, brons, tin en verschillende legeringen. De inleveraar kon, indien hij dit wenste, de metaalwaarde van de ingeleverde voorwerpen vergoed krijgen. Bij ontduiking van de Verordening dreigde een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar, een geldboete, of een combinatie van beide. De metaalvordering was een impopulaire maatregel die op grote schaal lijkt te zijn ontdoken. Terwijl de bezetter uitging van een eindopbrengst van circa 8000 ton, werd slechts rond de 3000 ton bijeen gebracht.

Na de inzamelingsactie van 1941 kreeg de bevolking nog met diverse nieuwe metaalvorderingen te maken. Zo moesten in 1942 bronzen, nikkelen en zilveren munten worden ingeleverd. In hetzelfde jaar verscheen een verordening van Seyss-Inquart die een groot aantal uiteenlopende metalen voorwerpen binnen het bereik van de bezetter bracht, waaronder kerkklokken, gedenktekenen, onderdelen van de inventarissen van bepaalde fabrieken, enzovoort. In oktober 1942 en in de zomer van 1943 volgden vorderingsacties met betrekking tot de Nederlandse ijzer- en staalvoorraden.

Redding van Nederlands cultuurgoed

Bij de eerste metaalvordering, in de zomer van 1941, was tot op zekere hoogte rekening gehouden met de Nederlandse gevoeligheden: in Verordening 108 waren maatregelen getroffen om te voorkomen dat de inlevering schade zou toebrengen aan het Nederlandse cultuurgoed. Diverse categorieën voorwerpen waren vrijgesteld van de verplichting tot inlevering. Dit gold onder meer voor voorwerpen van hoge wetenschappelijke, geschiedkundige of kunstwaarde, en voor voorwerpen die tot ‘waardevol volksgoed’ konden worden gerekend. Voor deze objecten kon men ontheffing aanvragen.

Om het Nederlandse cultuurgoed voor de smeltkroes te behoeden, werd een omvangrijke organisatie van experts opgezet. Het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming benoemde H.E. van Gelder (toen ondervoorzitter van de Rijkscommissie van Advies in zake de Musea) als Hoofdmuseumdeskundige Inlevering Metalen. Van Gelder verzamelde 121 museumdeskundigen en 74 assistenten onder zich, die binnen diverse ressorten in Nederland werkzaam waren. De museumdeskundigen zetten hun kunst- en cultuurhistorische kennis in, om te beoordelen in welke gevallen terecht gebruik was gemaakt van de formulieren waarmee dispensatie werd aangevraagd voor de metaalinlevering. In maart 1942 was voor circa 332.000 voorwerpen vrijstelling gevraagd. Ongeveer 318.000 van de verzoeken werden gehonoreerd.

Gevolgen voor Nederlandse musea

De metaalvordering heeft voor de Nederlandse museumwereld een onvoorzien gevolg gehad.Veel musea hebben van deze voorziening geprofiteerd. De omruilactie vond gedeeltelijk centraal plaats: uit alle delen van het land werd ‘waardevol volksgoed’ naar Utrecht gezonden en op een grote zolder naast het Centraal Museum opgeslagen. Op 6 juli mocht het Nederlandsch Openluchtmuseum daar de unica tussen uit halen. Op 7 tot en met 10 juli konden andere Nederlandse musea hun keuze maken uit ongeveer 1000 kilo aan metalen voorwerpen – dit tegen betaling van 60 cent per kilo of inlevering van een gelijk gewicht in koper of tin.87 Aan het eind van de eerste museumdag was de gehele voorraad ingeruild. De museumdeskundigen bemerkten al snel dat lang niet alle particulieren gebruik maakten – of wensten te maken – van de mogelijkheid om vrijstelling van inlevering aan te vragen. Vooral op het platteland schrokken particulieren vaak terug voor het invullen van de formulieren, of had men geen oog voor de cultuurhistorische waarde van bepaalde voorwerpen. Zo beschreef de Burgemeester van Opperdoes hoe ‘bij de inlevering van metalen enkele personen met voorwerpen van waardevolle volkskunst van +/- 100 jaren oud verschenen, die ... naar hun zeggen “dezen ouden rommel kwijt wilden”. In andere gevallen waren burgers onvoldoende op de hoogte van de mogelijkheid tot vrijstelling, of wilden zij alles inleveren uit vrees voor moeilijkheden. Ook kan van invloed zijn geweest dat de inleveraars recht hadden op vergoedingen voor het ingeleverde metaal.

Het gevolg was dat tal van ingeleverde voorwerpen alsnog door de inleveringbureaus als ‘waardevol volksgoed’ apart werden gezet. Deze artikelen mochten volgens de voorschriften van Duitse zijde onder geen beding aan de inleveraars terug gegeven worden. Het DOWC deed een beroep op de Duitse autoriteiten om te voorkomen dat dergelijke waardevolle voorwerpen omgesmolten zouden worden. Na een aanvankelijke weigering, werd goedgevonden dat bijzondere stukken ter beschikking werden gesteld aan de Nederlandse musea – in ruil voor hetzelfde gewicht aan reeds vrijgegeven metalen voorwerpen van mindere kwaliteit.

Veel musea hebben van deze voorziening geprofiteerd. De omruilactie vond gedeeltelijk centraal plaats: uit alle delen van het land werd ‘waardevol volksgoed’ naar Utrecht gezonden en op een grote zolder naast het Centraal Museum opgeslagen. Op 6 juli mocht het Nederlandsch Openluchtmuseum daar de unica tussen uit halen. Op 7 tot en met 10 juli konden andere Nederlandse musea hun keuze maken uit ongeveer 1000 kilo aan metalen voorwerpen – dit tegen betaling van 60 cent per kilo of inlevering van een gelijk gewicht in koper of tin. Aan het eind van de eerste museumdag was de gehele voorraad ingeruild.

Ingeleverd metaal in de huidige museumcollecties

In een verslag over zijn werkzaamheden als Hoofdmuseumdeskundige, gaf H.E. van Gelder een nog onvolledige lijst van Nederlandse openbare verzamelingen waar ‘waardevol volksgoed’ uit de metaalvordering terecht was gekomen. Het waren er meer dan veertig. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat in de aanwinstenlijsten van de Nederlandse musea over de periode 1940-1948 dikwijls ingeleverde metalen opduiken. In de reacties van de musea is vermeld om welke instellingen het gaat.

Onbekend is, of er na de oorlog sprake is geweest van voormalige eigenaars die ingeleverde metalen voorwerpen van musea hebben teruggevraagd. Het huidige museumonderzoek heeft geen voorbeelden opgeleverd van naoorlogs rechts­herstel met betrekking tot ingeleverd metaal. Het is zeer de vraag of eventuele pogingen tot teruggave in deze tijd enige kans van slagen zouden hebben: tot nu toe is geen administratie aangetroffen die het mogelijk maakt om de relatie te leggen tussen de metalen voorwerpen in musea en de individuele inleveraars.

4.7 Problematische aanwinsten afkomstig uit naburige landen

Bij het onderzoeksproject Museale Verwervingen 1940-1948 is de nadruk gelegd op de Nederlandse herkomstgeschiedenis van museumaanwinsten. De achtergrond van deze begrenzing van het onderzoek is uiteengezet in hoofdstuk 2.

Toch is het goed dat musea zich ervan bewust zijn dat ook een buitenlandse provenance van voorwerpen zwakke schakels kan vertonen, die bij eventueel vervolgonderzoek de aandacht verdienen. Een belangrijk gegeven is, dat vanaf 1933 door Duitse nationaal-socialisten tal van bezittingen zijn onttrokken aan personen en groepen die de nieuwe machthebbers onwelgevallig waren – zowel in het Altreich, als in de geannexeerde landen. Het was vooral de Joodse bevolkingsgroep die hiervan te lijden had.

‘Judenauktionen’ en confiscaties in Duitsland

Na de machtsovername van de nationaal-socialisten in 1933 werd de druk op de Duitse Joden steeds verder opgevoerd. Een reeks van discriminerende maatregelen moest hun uitbanning verzekeren uit het maatschappelijke, economische en culturele leven van Duitsland. Essentieel in dit proces was de uitvaardiging van de Neurenberger Wetten in september 1935, waarin gedefinieerd werd wie Joods was, en waarin aan de Joden het Duitse burgerschap en diverse burgerrechten werden ontnomen.

In een steeds vijandiger omgeving zagen tal van Joodse families zich na 1933 genoodzaakt om hun kunstcollecties te verkopen – hetzij om te voorzien in hun bestaansmiddelen, hetzij om een vlucht naar andere landen te bekostigen.

Het veilingwezen in Berlijn vervulde bij de uitverkoop van Joods kunstbezit een spilfunctie. Berlijn vormde, naast München, hét centrum van de Duitse kunsthandel. Joodse kunstcollecties uit het hele land werden na 1933 onder de hamer gebracht bij Berlijnse firma’s en raakten daarna over alle windstreken verspreid. De Reichskulturkammer hield nauwlettend toezicht op deze zogenaamde ‘Juden-auktionen’ en op het veilingwezen in het algemeen.

In 1938 raakten de gebeurtenissen in een stroomversnelling. De Kristallnacht van november 1938 luidde een periode in waarin de nationaal-socialisten in het Altreich steeds meer Joodse eigendommen – waaronder kunstverzamelingen – naar zich toe trokken. De gebeurtenissen in Oostenrijk, waar na de Anschluss van maart 1938 op grote schaal Joodse kunstcollecties werden geplunderd en in beslag genomen, vormden een voorafspiegeling van de systematische roof van Joods kunstbezit in Duitsland.

De in Duitsland geconfisqueerde kunstwerken kregen verschillende bestemmingen. Hitler’s zaakgelastigden probeerden de beste stukken te selecteren voor het zogenaamde Führermuseum, dat op termijn in Hitler’s geboortestad Linz zou moeten verrijzen. Daarnaast kwam een aanzienlijke hoeveelheid roofkunst terecht in bestaande Duitse musea, die dikwijls goed op de hoogte waren van de herkomst van hun nieuwe pronkstukken. Andere kunstwerken werden voor representatieve doeleinden gebruikt, als Wandschmucke die de diverse staatsgebouwen moesten opluisteren. Wat overbleef, werd veelal verkocht via kunsthandelaars of veilinghuizen. Naast Joods kunstbezit uit eigen land, verschenen vanaf het einde van de jaren dertig ook kunstwerken op de Duitse markt die onttrokken waren aan Joodse eigenaars in de bezette landen.

De weg naar Nederlandse museumcollecties

Een belangrijke vraag is, of er mogelijk kunstwerken uit Joods bezit vanuit nazi- Duitsland of de bezette landen in Nederland terecht zijn gekomen. Sommige kunsthandelaars, zoals de Amsterdamse firma Jac. Stodel, lijken zich na de machtovername van de nationaal-socialisten te hebben onthouden van handel met Duitsland. Dit gold echter niet voor iedereen. Zo bezochten diverse Nederlandse kunstkopers na 1933 veilingen en kunsthandels in Berlijn, waar zij – wellicht soms zonder het te weten – stukken uit Joodse kunstverzamelingen kunnen hebben verworven. Niet uitgesloten kan worden, dat dergelijke aankopen vervolgens hun weg hebben gevonden naar Nederlandse museumcollecties.

Hoewel de buitenlandse provenance van Nederlandse museumaanwinsten geen centrale plaats innam in het huidige museumonderzoek, zijn er wat dit betreft toch enkele problematische kwesties naar boven gekomen. Sommige musea meldden dat zij tussen 1933 en 1945 stukken hebben verworven met een mogelijk verdachte buitenlandse herkomstgeschiedenis. In een aantal gevallen betrof het zaken die reeds na de oorlog zijn uitgezocht. Zo bleek na de bevrijding dat een in 1941 door het museum Kröller-Müller aangekochte pastel van Edgar Degas afkomstig was uit ‘geroofd Frans bezit’. Het betreffende kunstwerk is eind 1945 door Nederland aan Frankrijk teruggegeven. Ook een in 1941 door het museum Kröller-Müller verworven schilderij van Camille Pissarro is na de oorlog geretour­neerd aan Frankrijk. Bij een aantal andere museumaanwinsten bleek nog geen afhandeling te hebben plaatsgevonden. In de geconstateerde gevallen wordt momenteel vervolgonderzoek verricht, en/of is overleg gaande met verwanten van de oorspronkelijke eigenaars. Enige belangrijke kwesties worden uiteengezet bij de bespreking van de volgende musea:

  • Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen
  • Middelburg, Zeeuws Museum
  • ’s Gravenhage, Gemeentemuseum Den Haag

4.8 Naoorlogse verwervingen via Nederlandse overheidsinstellingen

Binnen het landelijk museumonderzoek is aandacht besteed aan museumaanwinsten uit de oorlogsperiode, maar ook aan de verwervingen uit de eerste jaren ná de bevrijding. In deze naoorlogse periode kunnen Nederlandse musea op uiteenlopende wijzen kunstwerken hebben verworven waarvan de herkomstgeschiedenis mogelijk problematisch is. Het betreft onder meer cultuurgoederen die na de bevrijding uit Duitsland waren gerecupereerd, en waarvan een gedeelte terecht is gekomen in museumcollecties. Daarnaast bestond er een categorie van kunstvoorwerpen afkomstig uit vermogens in Nederland die na de oorlog door het Rijk onder beheer waren gesteld. Verschillende overheidsinstanties hebben zich met beide categorieën kunstwerken beziggehouden.

In deze paragraaf worden enige opmerkingen gemaakt over deze zeer complexe problematiek, en wordt stilgestaan bij de mogelijkheid dat tijdens het naoorlogse proces van rechtsherstel voorwerpen in musea zijn ondergebracht terwijl er wellicht nog particuliere rechthebbenden waren.

Naoorlogs rechtsherstel

Voor de verheldering van de bovengenoemde problematiek is een korte uiteenzetting nodig over enkele overheidsinstellingen die een rol hebben gespeeld bij het naoorlogs rechtsherstel. De Nederlandse regering te Londen heeft tijdens de oorlog uitvoerige voorbereidingen getroffen ten behoeve van het rechtsherstel. Een reeks van wetsbesluiten werd uitgevaardigd om het door de bezetter in Nederland begane of in de hand gewerkte onrecht zoveel mogelijk ongedaan te maken. Ook met onrecht in de sfeer van het vermogensrecht werd rekening gehouden: problemen op dit vlak zouden na de oorlog worden aangepakt door de zogeheten Raad voor het Rechtsherstel. Dit orgaan werd ingesteld bij K.B. van 9 augustus 1945, krachtens het Besluit herstel rechtsverkeer van 17 september 1944, Staatsblad E 100.

De Raad voor het Rechtsherstel delegeerde bepaalde taken aan het onder haar Afdeling Beheer ressorterende Nederlandse Beheersinstituut (NBI). Het NBI werd onder meer belast met het beheer en de liquidatie van het vijandelijk en landverraderlijk vermogen, en met de afwikkeling van het vermogen van onbekende eigenaren. Daarnaast moest het NBI onder andere voorzieningen treffen voor de bewindvoering voor zogeheten ‘afwezigen’ – dit waren vooral gedeporteerde Joden.

Het NBI delegeerde op zijn beurt een deel van zijn taken aan speciale beheerders buiten het eigen instituut. In het kader van het huidige museumonderzoek zijn vooral de werkzaamheden van de Stichting Nederlandsch Kunstbezit (SNK) van belang. Deze Stichting, die op 11 juni 1945 werd opgericht door de Ministeries van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Financiën, diende zich volgens de statuten bezig te houden met ‘het verleenen van medewerking bij alle handelingen, welke verband houden met kunstschatten, bibliotheken en archieven, welke zich bevinden of hebben bevonden in vijandelijk bezit’. De dagelijkse leiding van de SNK lag bij de Directie. Hieronder ressorteerde een Afdeling Buitenland, die (ruwweg) belast was met het terugvoeren van weggevoerde kunstwerken, de teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaars, en eventueel verkoop. Daarnaast ressorteerde er onder de Directie een Afdeling Binnenland. Deze kreeg van het NBI als taak het opsporen, inventariseren en beheren van kunstbezit uit het vermogen van vijanden, landverraders, onbekende eigenaars en afwezigen.

Op 1 november 1951 werd de SNK opgeheven. De werkzaamheden van de Stichting waren toen reeds enige tijd bij andere instellingen ondergebracht.

Verwerving van gerecupereerde kunst

De geschiedenis van de naar Nederland teruggevoerde cultuurgoederen is complex. Een groot gedeelte van deze voorwerpen is terechtgekomen in de zogeheten NK-collectie, die in beheer is van het Rijk. Het betreft kunstwerken waarvan na de oorlog werd vastgesteld dat deze niet in aanmerking kwamen voor teruggave aan de vroegere eigenaars, bijvoorbeeld omdat de voorwerpen in de oorlog vrijwillig waren verkocht, omdat de vroegere eigenaars hadden afgezien van aanspraken op rechtsherstel, of omdat deze onbekend waren gebleven. De herkomst van de NK-collectie wordt momenteel in opdracht van de Commissie Ekkart onderzocht door het bureau Herkomst Gezocht van de Inspectie Cultuurbezit (Ministerie van OCenW). Zoals reeds in hoofdstuk 2 werd opgemerkt, valt deze collectie buiten het project Museale Verwervingen 1940-1948.

Een tweede categorie binnen de gerecupereerde cultuurgoederen wordt gevormd door objecten die buiten de NK-collectie zijn gebleven. Het betreft onder meer kunstwerken die aan de vroegere eigenaars zijn gerestitueerd; voorwerpen die door het Rijk zijn geveild; en een zekere ‘restcategorie’ van goederen die door het Rijk (of daaronder ressorterende organen) in Nederlandse instellingen zijn ondergebracht zonder dat hieraan een NK-nummer is toegekend. Deze tweede categorie van voorwerpen valt buiten het herkomstonderzoek van het bureau Herkomst Gezocht, en verdient daarom de aandacht bij eventueel vervolgonderzoek door de afzonderlijke musea. Bij de reacties van de leden van de nmv vinden we enkele voorbeelden van musea die uit Duitsland gerecupereerde voorwerpen in de collectie hebben, welke geen deel uitmaken van de NK-collectie. Met name kan gewezen worden op:

  • Schoonhoven, Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum
  • Amsterdam, Theater Instituut
Verwervingen uit vijandelijk en landverraderlijk vermogen

Naast de uit met name Duitsland gerecupereerde werken, is er nog een andere groep cultuurgoederen die mogelijk deels in de collecties van musea is terecht­gekomen. Het betreft voorwerpen uit verbeurdverklaard bezit van vijanden, landverraders en politieke delinquenten. Ook ten aanzien van deze categorie cultuurgoederen is nog weinig onderzoek gedaan. Wel kan reeds worden vastgesteld, dat diverse Nederlandse musea dergelijke kunstvoorwerpen hebben verworven via de Afdeling Binnenland van de SNK en het NBI.

Na de oorlog zijn vele kunstwerken uit de vermogens van vijanden en politieke delinquenten bij delegatie van het NBI in beheer genomen door de Afdeling Binnenland van de SNK. Deze afdeling stelde in de provincies en in afzonderlijke districten inspecteurs aan, die de kunstvoorwerpen dienden op te sporen, in bewaring te nemen, te inventariseren en te beheren. Mr. L.J.F. Wijsenbeek werd benoemd tot landelijke inspecteur en kreeg de dagelijkse leiding over de afdeling. Al snel zou echter blijken dat de getroffen voorzieningen niet voldeden. Er werd wanbeheer bij de Afdeling Binnenland vastgesteld, waarna het Hoofdkantoor van het NBI op 18 augustus 1948 de werkzaamheden van deze afdeling overnam.

Een deel van de door of namens het NBI beheerde kunstwerken, is in bezit gekomen van het Rijk. Diverse musea zijn door de Rijksoverheid in de gelegenheid gesteld om deze voorwerpen aan te kopen, vaak nadat ze enige tijd als bruikleen of bewaring in de betreffende instellingen waren ondergebracht. Zo verwierf het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen een aantal verbeurdverklaarde schilderijen van een (ex-)politieke delinquent, terwijl het Stedelijk Museum Roermond voorwerpen aankocht uit een na de oorlog in beslag genomen collectie van een museumdirecteur uit Krefeld. In beide gevallen was sprake van aankopen bij het NBI. Musea kunnen echter ook door veilingaankopen in het bezit zijn gekomen van kunst uit landverraderlijk of vijandelijk vermogen. Hierbij kan onder meer verwezen worden naar een veiling uit 1947, waarbij de eigendommen werden verkocht van een Haagse kunsthandelaar wiens vermogen door het NBI in beheer was genomen. Voorafgaand aan de veiling benaderde de SNK een aantal Nederlandse musea, om te inventariseren of er belangstelling bestond voor de aankoop van voorwerpen uit deze boedel. Van ministeriële zijde werden speciale regelingen getroffen om eventuele aankopen door musea op de betreffende veiling te vergemakkelijken.

In hoeverre zijn dergelijke museale aanwinsten als problematisch te beschouwen? Het is moeilijk om hier algemene uitspraken over te doen. Opgemerkt dient te worden, dat er bepaalde risico’s waren verbonden aan de aankoop van kunstwerken uit landverraderlijk of vijandelijk vermogen. Sommige van de betrokken personen kunnen tijdens de oorlog te maken hebben gehad met door de bezetter geconfisqueerde of geroofde Joodse eigendommen. Het is mogelijk dat dergelijke voorwerpen zich bij de bevrijding nog in de betreffende boedels bevonden, waarna ze bij naoorlogse aankopen via het NBI in Nederlandse openbare collecties terecht kunnen zijn gekomen (dit risico kan overigens worden uitgesloten bij de genoemde aankoop van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, aangezien de schilderijen in dat geval vervaardigd zijn door de betrokken ex-politieke delinquent zelf. Van de voorwerpen die door het Stedelijk Museum Roermond zijn aangekocht, zijn geen verdere herkomstgegevens bekend).

Verwervingen uit onbekend vermogen

De Afdeling Binnenland van de SNK beheerde niet alleen kunstwerken uit de vermogens van landverraders en vijanden, maar tevens kunstvoorwerpen van onbekende eigenaars en afwezigen. Ook uit deze categorie voorwerpen kunnen musea kunstwerken hebben verkregen. Als voorbeeld kan gewezen worden op een naoorlogse verwerving van het museum Kröller-Müller te Otterlo. Het betrof een schilderijtje van een ploegende boer, dat destijds waarschijnlijk ten onrechte werd toegeschreven aan Vincent van Gogh. Het kunstwerk was na de oorlog in bewaring genomen door een Inspecteur van de SNK, en was afkomstig uit on­bekend vermogen. Vervolgonderzoek door de Nederlandse musea zou wellicht andere voorbeelden aan het licht kunnen brengen.

Verwervingen via lokale overheden

Ter afsluiting kan nog gewezen worden op de mogelijkheid van problematische verwervingen via lokale overheden. Zo meldden twee musea in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948, dat zij na de oorlog voorwerpen met een onduidelijke herkomstgeschiedenis in bewaring of bruikleen hebben gekregen van de gemeentepolitie. Het betreft:

  • Groningen, Groninger Museum
  • Vlissingen, Stedelijk Museum

Conclusie

'Uiteraard draagt dit verslag een voorlopig karakter, omdat ongetwijfeld allerlei gebeurtenissen gedurende den bezettingstijd niet te onzer ooren zijn gekomen, terwijl veel van wat geschied is... nog niet kon worden achterhaald'. Dit schreef J.K. van der Haagen van het Minister van OKenW in april 1945, in een rapport dat gewijd was aan de roerende kunstschatten in Nederland ten tijde van de oorlog. Meer dan vijftig jaar na dato staat dit onderwerp opnieuw in het centrum van de belangstelling. Vanuit verschillende geledingen van de Nederlandse samenleving zijn recentelijk iniatieven ontplooid die erop gericht zijn om de nog immer bestaande hiaten in onze kennis waar mogelijk aan te vullen.

Binnen de museumwereld concentreerde de aandacht zich vooral op het eigen functioneren in de oorlogsperiode en de eerste jaren erna. Meer in het bijzonder werd de vraag gesteld in hoeverre de herkomst van de museale verwervingen uit dit tijdvak reden gaf tot zorg. Om hier inzicht in te verschaffen werd in maart 1998 door enkele grote Nederlandse musea het iniatief genomen tot het landelijke project 'Museale Verwervingen 1940-1948'. Een commissie onder voorzitterschap van prof. drs. R. de Leeuw riep alle leden van de Nederlandse museumvereniging op om middels van een grondig zelfonderzoek na te gaan of er in de periode 1940-1948 sprake was geweest van discutabele of problematische aanwinsten.

Het overgrote deel van de leden van de NMV bleek bereid om bij te dragen aan wat de commissie beschouwde als een maatschappelijke en morele taak van de Nederlandse museumwereld. In de anderhalve jaar die zijn verlopen sinds maart 1998, is door de deelnemers aan het zelfonderzoek een niet geringe hoeveelheid aan informatie bijeen gebracht. Veel van deze gegevens werden door de musea met moeite opgediept uit de al bijna vergeten dossiers en archiefstukken, en moesten bevochten worden op de vaak onvolledige registratiesystemen uit het verleden. Het geeft de commissie voldoening om de dikwijls met een grote zorg en inspanning verkregen gegevens in een rapport te kunnen samenbrengen.

Resultaten

Uit de binnengekomen reacties kunnen enkele algemene conclusies worden getrokken aangaande de museumaanwinsten uit de periode 1940-1948. Een verheugende constatering was, dat een opmerkelijke hoeveelheid musea tijdens de bezetting onderdak heeft geboden aan collecties en voorwerpen van particuliere eigenaars. Zoals in paragraaf 4.5 werd uiteengezet, is een deel van het Joods particuliere bezit op deze wijze veilig de oorlog doorgekomen. De naoorlogse restitutie van al deze goederen aan de rechthebbenden was echter een complexe aangelegenheid, en is vermoedelijk niet in alle gevallen tot stand gekomen.

Bij bestudering van de museale verwervingen uit de periode 1940-1948 is in een aantal gevallen gerede twijfel ontstaan over de herkomst van voorwerpen. Het gaat onder meer om de aankopen bij Liro-bank en verkrijgingen via andere Duitse of 'geariseerde' instellingen (zie paragraaf 4.2 en paragraaf 4.3). Voor sommige Nederlandse instellingen hebben de belangen van de Joodse eigenaren vermoedelijk een rol gespreeld in de beslissing tot aankoop: door de verwerving bleven goederen voor de duur van de oorlog bewaard in Nederland, terwijl na de bevrijding nader kon worden beslist over de verdere afwikkeling. In andere gevallen zijn geen aanwijzingen gevonden voor een dergelijke doelstelling, en kan niet worden uitgesloten dat het eigenbelang van het museum heeft meegespeeld of de doorslag gaf bij het besluit tot de verwerving van voorwerpen uit geconfisqueerd bezit. Bij het onderzoek kwam tevens naar voren, dat diverse musea voorwerpen hebben aangekocht bij kunsthandels en veilinghuizen waarvan bekend is of vermoed wordt dat deze in de oorlog door een bezetter geconfisqueerde kunstschatten daar hebben verhandeld (zie paragraaf 4.4).

Enkele keren zijn bij nader onderzoek aanwijzingen gevonden dat de betreffende voorwerpen inderdaad afkomstig waren uit in beslag genomen collecties. In andere gevallen werden hiervoor geen directe aanwijzingen gevonden., of kon geen verdere informatie worden achterhaald doordat de archieven van de betreffende firma's niet beschikbaar waren. In de loop van het onderzoek zijn de voorts vragen gerezen over, onder meer, de museale verwervingen van de voorwerpen uit gevorderd metaal (zie paragraaf 4.6), de aankoop van kunstwerken die vermoedelijk afkomstig zijn van Joodse eigenaars uit naburige landen (zie paragraaf 4.7), en enige naoorlogse verkrijgingen via Nederlandse overheidsinstellingen (zie paragraaf 4.8).

Voor een deel van de objecten die tijdens de oorlog onvrijwillig uit het bezit van eigenaars raakten, zijn na de bevrijding regelingen getroffen met rechthebbenden. In een aantal probleemgevallen lijkt echter geen afwikkeling te hebben plaatsgevonden, en is in het kader van het project Museale Verwervingen 1940-1948 diepgaand vervolgonderzoek ingesteld om de achtergrond van de desbetreffende aanwinsten te verhelderen. In enkele gevallen heeft deze nadere studie geleid tot het besluit om op zoek te gaan naar de (erven van de) oorspronkelijke eigenaars van de betreffende voorwerpen, om de kunstwerken te kunnen teruggeven. Bij enige andere kwesties beraadt men zich nog op de verdere afhandeling van een en ander.

Vervolgonderzoek

Het is bijzonder lastig om bij museale verwervingen garanties te geven betreffende de 'zuiverheid' van de herkomstgeschiedenis. Aangezien lang niet altijd elke schakel in de herkomstgeschiedenis bekend is, blijft er altijd een grijs gebied bestaan van verwervingen waarbij geen aanwijzingen zijn aangetroffen betreffende een discutabele herkomst, zonder dat is uit te sluiten dat de nieuwe gegevens in de toekomst een ander licht op de zaak kunnen werpen.

Gaande het project hebben vele bij het onderzoek betrokken instellingen moeten ondervinden hoe complex deze materie is, en hoe vaak de bronnen zwegen over juist datgene waar de aandacht naar uit ging, te weten: wat is de herkomst van aanwinsten uit het tijdvak 1940-1948, en in hoeverre geven deze herkomsten reden tot zorg? Het project museale verwervignen 1940-1948 zal niet kunnen voorzien in het definitieve antwoord op deze vragen. Wel biedt het een eerste inventarisatie van de problemen en mogelijke knelpunten ten aanzien van dit onderwerp. De commissie hoopt hiermee de afzonderlijke Nederlandse musea (zowel de leden en niet-leden van de NMV) te motiveren tot nadere bestudering van deze thematiek

Richtlijn museale verwervingen 1940-1948

auteur Hans van de Bunte, Nederlandse Museumvereniging, december 1999

De Commissie Museale Verwervingen heeft, onder andere in navolging van een protocol dat is opgesteld door de Amerikaanse Association of Art Museum Directors (AAMD), ook het initiatief genomen tot het opstellen van een richtlijn. Met de richtlijn wil de NMV de Nederlandse musea een handreiking bieden voor de omgang met museale voorwerpen van twijfelachtige herkomst, met name voorwerpen die in de oorlogsperiode zijn verhandeld dan wel zijn verworven. De richtlijn geeft aan hoe om te gaan met deze voorwerpen die reeds in bezit zijn van musea, maar ook met toekomstige verwervingen en bruiklenen, zowel uit binnen- als buitenland.

Met betrekking tot toekomstige verwervingen kan de richtlijn gezien worden als een praktische aanvulling op de Gedragslijn voor museale beroepsethiek (NMV, 1991):

artikel 3.1.C: ‘De aanwinsten behoren een deugdelijk bewijs van herkomst te hebben. (…)’; artikel 3.2.C: ‘Een museum mag een voorwerp niet verwerven door handel, schenking, legaat of ruil, als het bestuur en de verantwoordelijke functionaris er niet zeker van zijn dat het museum een deugdelijk bewijs van herkomst kan verkrijgen bij het voorwerp in kwestie. (…)’; artikel 3.2.E: ‘Indien nodig en mogelijk behoren bovenstaande regels ook toegepast te worden bij het accepteren van bruiklenen.’

Richtlijn Museale Verwervingen 1940-1948

De richtlijn heeft betrekking op die museale voorwerpen die in de periode 1940-1948 van bezitter zijn gewisseld. De periode 1940-1948 is slechts richtinggevend; het kan zijn dat reeds vóór 1940 of na 1948 onrechtmatige handelingen hebben plaatsgevonden waarop de richtlijn betrekking heeft.

De richtlijn heeft betrekking op museale voorwerpen waarbij de oorspronkelijke eigenaars onvrijwillig bezitsverlies hebben geleden. Tot onvrijwillig bezitsverlies worden naast de situatie waarin door de eigenaars niet is meegewerkt aan het bezits­verlies, ook die gevallen gerekend waarin wel zodanige medewerking is verleend die echter tot stand kwam onder dwang, bedreiging of onbehoorlijke invloed vanwege het Nazi-regime of de bezetter.

De richtlijn heeft geen betrekking op aanspraken ten aanzien waarvan in het verleden reeds een regeling is getroffen of enige vorm van rechtsherstel heeft plaatsgevonden. Slechts indien zich in een specifiek geval nieuwe feiten voordoen, die het rechtsherstel van destijds in een ander daglicht zetten, is heroverweging geboden.

In het geval een (vermeende) rechthebbende aanspraak maakt op een museaal voorwerp moet bedacht worden, dat er formeel juridisch gezien sprake kan zijn van verjaring. De redactie van de ter zake van aanspraken geldende richtlijn is echter zo gekozen dat in zeer bijzondere en/of schrijnende gevallen, in afwijking van een strikt juridische benadering, zo nodig recht gedaan kan worden aan verplichtingen van moraal en fatsoen.

In het geval het museum niet zelf eigenaar is van de collectie of onderdelen daarvan, doch deze voor een ander (bijvoorbeeld de staat) beheert, dienen de in de richtlijn voorziene maatregelen in nauw overleg met deze eigenaar getroffen te worden.

I Bestaande collecties

Het museum is gehouden tot onderzoek naar de herkomst van alle bij het museum in bezit zijnde museale voorwerpen, waarbij het museum in het bijzonder nagaat of de voorwerpen in de periode 1940 - 1948 zijn verhandeld dan wel verworven.

Van alle museale voorwerpen wordt geregistreerd wat de uitkomsten zijn van dit onderzoek. De geregistreerde gegevens zijn op verzoek ter inzage voor alle belangstellenden tenzij dwingende omstandigheden nopen tot selectieve vrijgave van informatie.

Indien gerede twijfel bestaat over de herkomst van een museaal voorwerp gezien de betreffende periode stelt het museum een grondig onderzoek in om zoveel mogelijk gegevens te achterhalen.

Het museum meldt alle gevallen waarbij er gerede twijfel over de herkomst bestaat aan de Inspectie Cultuurbezit.

Indien komt vast te staan dat de herkomst elementen bevat die duiden op een onrechtmatige en/of discutabele verhandeling dan wel verkrijging in de betreffende periode neemt het museum, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval, de noodzakelijke maatregelen om tot een redelijke en billijke beslissing te komen over het eigendomsrecht.

In het geval de oorspronkelijke eigenaar(s) of zijn rechts­opvolgers onbekend zijn doet het museum alles wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om de identiteit van deze personen te achterhalen.

In het geval van een claim van derden ten aanzien van museale voorwerpen die in de betreffende periode zijn verhandeld dan wel verworven, zal het museum na melding van de claim bij de Inspectie Cultuurbezit een nader onderzoek instellen en conform het gestelde onder 1.5 tot een uitspraak komen.

II Verwervingen

Het museum is gehouden tot onderzoek naar de herkomst van museale voor­werpen die het door koop, bruikleen, schenking, legaat of anderszins in bezit wil krijgen, waarbij het museum in het bijzonder nagaat of de voorwerpen in de periode 1940 - 1948 zijn verhandeld.

Van alle museale voorwerpen die nieuw zijn verworven, wordt geregistreerd wat de uitkomsten zijn van dit onderzoek.

Indien gerede twijfel bestaat over de herkomst van een te verwerven voorwerp, gezien de betreffende periode, stelt het museum een grondig onderzoek in om zoveel mogelijk gegevens te achterhalen.

In het geval onduidelijkheid blijft bestaan over de herkomst en er daarenboven gerede twijfel is over het verblijf of bezit van het voorwerp in de periode 1940 - 1948 ziet het museum, onder vermelding aan de aanbieder van de redenen, af van het verkrijgen van het voorwerp.

III Bruiklenen

Het museum streeft ernaar geen museale voorwerpen in tijdelijk bruikleen te nemen waarvan vaststaat dat de herkomst, gezien de betreffende periode, twijfelachtig is en er geen rechtsherstel heeft plaatsgevonden in de zin van het bepaalde onder I.5.

Bij bruikleenaanvragen van museale voorwerpen waarvan vaststaat dat de herkomst, gezien de betreffende periode, twijfelachtig is, wijst het museum bruikleenaanvrager op deze omstandigheid.

Contactadres De Inspectie Cultuurbezit fungeert op dit moment als het kennis- en adviescentrum. Inspectie Cultuurbezit Prinsessegracht 31 2514 ap Den Haag t 070 302 81 20, f 070 365 19 14 e-mail: insp@cultinsp.minocw.nl website: www.minocw.nl/cu­.insp/


Einde rapport en richtlijn" Bovenstaande gegevens zijn uit 1999 en niet meer actueel""

Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 6 feb 2024 om 03:08.