Griend (cultuurhistorisch beheer)

Een man snijdt in een griend.
Afb 1. Griend.
grienden omringd door hun eigen afgekapte takken.
Afb 2. Prachtige griend bij Kerkwijk.
Foto van een griend van essenhakhout middenin een bos.
Afb 3. Essenhakhout in Wulperhorst, een 18e-eeuws landhuis bij Zeist, nu in bezit van de bekende pianist Wibi Soerjadi.
griend nabij Vianen. Het is een boogdoorgang waardoorheen een hond rent.
Afb 4. De griend van Horden aan de Bolgerijse kade, ten zuiden van Vianen (Utrecht).

Definitie, ouderdom en verspreiding

Grienden zijn binnen- of buitendijkse aanplanten van wilg of es, waarbij het hout dat op laag afgezette stobben groeit een keer per jaar of meerdere jaren wordt geoogst. De oogst wordt samengebonden in takkenbossen en afgevoerd. Gewoonlijk worden bij de wilgen snijgriend en hakgriend onderscheiden. In het eerste geval gaat het om de jaarlijkse oogst van takken die zo dun zijn dat ze afgesneden kunnen worden. De dunne twijgen worden gebruikt als bindtouw of bijvoorbeeld voor de mandenmakerij. In een hakgriend vindt oogst een keer in de twee á vier jaar plaats, met bijl of zaag. Van het geoogste hout, het zogenaamde rijshout ('rijs' betekent tak, twijg), werden zinkstukken gemaakt die werden gebruikt bij de aanleg van dijken. Ook wordt rijshout gebruikt aan de kust: voor het maken van schermen die het stuifzand vast moeten houden.

Grienden zijn vaak aangeplant op de landerijen van grootgrondbezitters. Soms lagen er ook grienden op buitenplaatsen en landgoederen, bijvoorbeeld in het Kromme Rijn gebied. In de industrie die de oogst van de grienden verwerkte werkten veel mensen. Heel veel producten werden vroeger vervoerd in gevlochten manden en kratten. Het griendhout werd ook gebruikt voor bonenstaken, voor schuttingen, betuiningen en beschoeiingen.

Grienden bevinden zich in het westelijke rivierengebied, langs de oevers van de IJssel en in enkele verspreide gebieden in Brabant (Peel en Meierij). Andere belangrijke concentraties liggen in de Vijfheerenlanden, Culemborgerwaard en langs wateren als Oude Maas, Hollands Diep, IJssel en Merwede. Kleine grienden liggen langs de Linde en Tjonger in Friesland. Het bekendste en grootste griendcomplex is dat van de Biesbosch. Andere gebieden met veel grienden zijn de Culemborgerwaard en het Langbroekerweteringgebied.

Buiten ons land zijn vroeger omvangrijke grienden aangelegd in België en Polen.

Aantastingen en bedreigingen

Net als bij veel andere landschapselementen ontstaan er problemen bij het behoud na het wegvallen van de economische waarde. Dit verlies van de economische functie leidt tot verwaarlozing, met als resultaat het ontstaan van een hakhoutperceel of zelfs van een opgaand bos. Vaak wordt het perceel omgezet in landbouwgrond. Een grote bedreiging voor grienden vormen ook waterstandverlagingen. Van de vele honderden of mogelijk duizenden hectaren griendcultuur die Nederland nog niet zo lang geleden kende is nu nog maar een klein deel over.

Beheeropties

Behoud en consolidatie

De beste optie is het herstellen van oorspronkelijke kapfrequentie en inboet van verloren stoven. Dat levert de grootste variatie en de meest bijzonder natuurwaarden op. Dat betekent dat het griend één keer per jaar of één keer in de twee tot vier jaar geheel wordt afgezet. De takken worden tot bundels samengebonden en afgevoerd. Plekken waar oude stobben niet meer uitlopen worden ingeplant met jong plantmateriaal dat afkomstig is uit het griend zelf. Gaat het om een groot oppervlakte griend, dan werd traditioneel elk jaar een deel afgezet, waarbij na maximaal vier jaar de hele oppervlakte was gedaan. Het verdient de voorkeur om op dat traditionele beheer aan te sluiten en daarbij ook mogelijke regionale variaties in het beheer over te nemen. Let daarbij ook op de verschillende hoogten van de stoven en om de (wilgen-)soort die van oudsher is gebruikt. Belangrijk is ook dat de sloot rond het griend op diepte wordt gehouden. Komen er zogenaamde rabatten voor in het griend (zie voor de omschrijving het hoofdstuk rabatten) dan moeten ook die in stand gehouden worden. Aangezien grienden in of aan het water staan, moeten de sloten worden geschoond en beschadigingen aan de wal worden hersteld. Sinds de markt voor griendtakken sterk is achteruitgegaan wordt om economische redenen vaak voor een minder intensief beheer gekozen, dat is gericht op instandhouding van het perceel als hakhout of voor een deel nog als griend. De specifieke grienddynamiek die is gebaseerd op een hoge kapfrequentie gaat daarmee verloren en maakt plaats voor een minder bijzondere hakhoutbiotoop. Bovendien zijn de soorten die voor snijgriend werden gebruikt vaak niet geschikt voor hakhoutbeheer: de stoven sterven af of scheuren open. Een griendbeheer waarbij een vaste hakcyclus wordt gehanteerd levert een bijzondere vegetatie op die om kan gaan met de hoge lichtintensiteit direct na de kap en daarna een aantal steeds donkerder wordende jaren.

Restauratie

Grienden die achteruit zijn gegaan doordat er gaten in zijn gevallen of er andere boomsoorten zijn opgeschoten kunnen hersteld worden door het opvullen van het element met griendstekken. Het is belangrijk dat daarvoor dezelfde soort wordt gebruikt als in de rest van het griend. Ook de plantafstand moet in overeenstemming zijn met de rest van het griend of - wanneer er te weinig staat om dat vast te kunnen stellen - met datgene wat in de grienden in die streek gebruikelijk is. Wel moeten soorten worden gekozen die het voorgenomen beheer verdragen.

De eenjarige, ongeveer anderhalve meter lange stekken worden aan de onderzijde in een driehoekige punt gesneden om te voorkomen dat de bast bij het stekken opstroopt. Vervolgens worden deze 40 tot 60 centimeter diep in de grond gestoken.

Reconstructie

Er zal niet vaak sprake zijn van een reconstructie van een volledig verdwenen griend, maar het kan toch voorkomen. Bijvoorbeeld in het kader van de inrichting van een heemtuin, in het kader van een landschapsontwikkelingsplan of op gronden die in het bezit zijn van een particulier. Let in dat geval op de inrichting van grienden die in dezelfde regio liggen en kies voor de soorten die daar staan en het inrichting- en aanplantpatroon dat daar ook aanwezig is.

Behoud door ontwikkeling

Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers kan zich verheugen in een groeiende populariteit. Daardoor is er meer vraag gekomen naar takkenbossen. Ook het maken van vlechtschermen als begrenzingen van tuin en andere eigendommen komt steeds meer voor. Daarvoor is griendhout bij uitstek geschikt. Grienden zijn verrassend leuke elementen om door heen te wandelen. In het Gaasperplaspark bij Amsterdam maar ook op de Floriade in de Haarlemmermeer was een griend ingericht. In stadsparken kan het een welkome aanvulling zijn om saaiheid te doorbreken en de ecologische waarde te vergroten. Het griendhout kan vaak ter plekke in de oevers verwerkt worden.

Een voorbeeld van reeds uitgevoerd beheer

“Let ook op de verwerkingsindustrie”

Gijsbert Pellikaan is bij Landschapsbeheer Zuid-Holland onder andere betrokken bij grienden. Hij vertelt over een buitendijks griend van enkele hectaren bij Boven-Hardinxveld.

Hoe lag het griend erbij toen jullie erbij betrokken raakten?

Toen de huidige eigenaar het kocht was er sprake van zwaar achterstallig onderhoud. Hij kocht het aan deels uit nostalgie, deels om de opbrengst te gebruiken in zijn bedrijf, waar onder andere zinkstukken worden gemaakt. Hij heeft het zware hout afgezet. In eerste instantie bleef veel hout op hoge bulten in het griend liggen, later is dat op ons verzoek opgeruimd.

Er lag - na bemiddeling van een lokale knotgroep - al een tijdje een aanvraag voor SOL-subsidie (Stimuleringsregeling Onderhoud Landschapselementen). De griend valt overigens buiten het SAN-gebied (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer).

Wat is er daarna gedaan?

De grote open plekken zijn ingeplant met nieuwe griendstekken. En een deel van het oude greppelsysteem zal in de oude staat worden hersteld. Het hout van het achterstallig onderhoud is opgeruimd.

Wie financierde het?

Er is een voorcontract afgesloten over het wegwerken van het achterstallig onderhoud. Dat kostte tienduizenden guldens! De eigenaar betaalde daarmee zelf het grootste deel. Verder kwam geld uit de SOL-subsidie en het onderhoud is deels betaald uit de opbrengst.

Waar kwam de historische informatie vandaan?

Die kwam van de eigenaar, die zelf in het gebied is opgegroeid.

Hoe gaat het nu verder?

Er is afgesproken dat elk jaar (ongeveer) een derde deel van de oppervlakte wordt afgezet.

Zijn er onverwachte ontwikkelingen?

Leuk was het dat de eigenaar de belangstelling en de subsidie ervoer als een ‘erkenning’ en er extra door gemotiveerd raakte.

Zijn er knelpunten in de praktijk?

  • Schonen van een griend (verwijderen van onkruid) is erg arbeidsintensief en gebeurt dan ook bijna niet meer. Het streven is tegenwoordig naar een mix van cultuurhistorische en natuurwaarde. Iets meer structuurvariatie, wat kleinere open plekken en overstaanders en enkele andere struiken.
  • De problematiek van ‘Ruimte voor de rivier” kan hier ook spelen en maakt het onzeker of dit griend toekomst heeft.

Heb je een aanbeveling?

  • Let bij grienden op het verschil tussen binnendijkse en buitendijkse en de verschillende toepassingen en soorten (Belgisch rood, Frans geel, Duitse dot).
  • Besteed ook aandacht aan de industriële verwerking van bijvoorbeeld griend - takken. Dat was een plattelandsindustrie met heel veel impact, bijvoorbeeld in de regio rond Ameide, waar 60% van de bevolking hiervan leefde.

Nader signalement

Het hoogtepunt van de griendcultuur in Nederland lag in het begin van de 20ste eeuw, toen er zo’n 13.000 hectare griend stond. Veel mensen werkten in het griend en in de verwerking van de takken, bijvoorbeeld in Genemuiden, IJsselmuiden, Vianen, Ameide en Jaarsveld. Griendhout werd als verpakkingmateriaal gebruikt en na de opkomst van strokarton en andere verpakkingsmaterialen verdween deze afzetmogelijkheid. Na het voltooien van de Deltawerken zakte ook de markt voor rijshout in.

Een opvallende variëteit zijn getijdengrienden zoals die in de Zuidhollandse Biesbosch en bijvoorbeeld bij Bernisse liggen. Een andere bijzonderde vorm is die van de huftgriendjes: die vinden we in de Alblasserwaard en hebben als extra functie het geven van beschutting aan het vee en de melkers. In uiterwaarden komt ook griendhout op spekdammen voor. Dat zijn bij afgraving gespaarde of speciaal aangelegde dammen. Ze liggen op vaste afstanden van elkaar en moeten de aanslibbing bevorderen, bijvoorbeeld in putten die aan de voet van de dam lagen. Griend op de dam versterkt de aanslibbing. Verbonden met grienden zijn elementen als griendketen en waterwegen die werden gebruikt voor de afvoer van de takkenbossen. Sommige grienden lagen op rabatten.

Ecologische waarden en potenties

Grienden kennen vaak een weelderige ondergroei van hoge kruiden, waarop weer veel insecten afkomen. Vooral de mossen, korstmossen, varens en levermossen zijn bijzonder. Hakhout en griend kunnen, met name als ze wat droger zijn doordat ze slechts incidenteel overstroomd raken, belangrijk zijn als overwinteringsbiotoop van amfibieën). Interessante soorten die er voorkomen zijn: aardbeiganzerik, boswalstro, donkere ooievaarsbek, spindotter, zomerklokje, moeras streepzaad, ruig klokje, vale vleermuis, dwergmuis en rosse woelmuis, waterspitsmuis, blauwborst, geelgors, grauwe gans, kwak, steenuil, torenvalk, wielewaal, woudaapje en de ringslang.

Grienden bieden dekking voor zoogdieren als reeën, maar ook dekking, voedsel en broedgelegenheid aan vogels, zoals spotvogels, allerlei rietvogels en soms ook blauwborst en nachtegaal. Ook amfibieën kunnen er veel voorkomen. Grienden hebben een speciale waarde voor een aantal vlindersoorten. Doordat wilgen vroeg bloeien zijn ze voor veel insecten de eerste bron van stuifmeel en honing in het voorjaar.

Literatuur

  • Burm, P. en A. Haartsen (2003), Boerenland als natuur. Verhalen over historisch landschapsbeheer. Matrijs i.s.m. Landschapsbeheer Nederland, Utrecht.
  • Eijk, P. van (1994), Hebben grienden nog vrienden ? En is het onderhoud van grienden ecologisch verantwoord? Uitgave Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland.
  • Jaeger, P. de (1983), Griendcultuur in Nederland: veranderingen in exploitatie en toepassingen van griendhout. Boerderij, jrg. 68, nr. 21, pp. 36-39.
  • Jansen, P. en L. Kuiper (2001), Hakhout. Suggesties voor het beheer. Stichting Bos en Hout, Wageningen.
  • Jonkers, D.A. (red) (1991), Tussen Lek en Linge. Mens en natuur in de Vijfheerenlanden. Weert.
  • Ooms, C.J. (1973), De Nederlandse griendcultuur. Arnhem.
  • Poldervaart, M. (1999), De griendcultuur in Nederland. Historisch-Geografisch Tijdschrift 17, nr. 1, pp. 25-29.
  • Reijnders, Th. (1964), Grienden, een verdwijnend cultuurlandschap? De Levende Natuur, jrg. 67, pp. 145-152.
  • Schepers, J.A.M. & A.A.M. van Haperen (1992), Grienden: hakken of laten groeien. Inventarisatie van het hakgriendenareaal en mogelijkheden voor ontwikkeling. Uitgave IKC-NBLF. • Schepers, J.A.M. (1989), Een landelijk overzicht van de grienden. Nederlands Bosbouwtijdschrift 61, nr.3, pp. 88-96.
  • Strouken, I. & A. van der Zeijden (red) (1993), Riet- en griendcultuur in Nederland. Volkscultuur 10, nr. 3.
  • Tutein Nolthenius, C. (1981), Griendcultuur in de Biesbosch. Nederlands Bosbouwtijdschrift, jrg.53, nr.7/8, pp. 241-246.
  • Weijs, F.J. (1990), Een ambacht met Riet: riet, biezen en griendhout. Lisse.
  • Westerdorp, A., A.D,. van ’t Hoog & W.D.J. Tuinzing (1980), Het vlechten van ovale manden met teen. Een handleiding, aangevuld met tal van bijzonderheden over mandenmakerij, griendteelt en een lijst van vaktermen in vier talen. Arnhem.
  • Wisboom van Giessendam, D.W.P. (1878), De teelt van griend- en teenhout in Nederland en het naburige Vlaanderen. Schiedam.
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 24 aug 2023 om 03:03.