Panorama Landschap - De Peel

Introductie

Dit is een provincie-overschrijdende regio met een kern van behouden hoogveengebied met daaromheen dorpen in het zandlandschap. Door de ruilverkavelingen is hier een grootschalig landschap ontstaan met intensieve veehouderij.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van de Groote Peel.
Afb. 1. Groote Peel. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van Helenaveen.
Afb. 2. Helenaveen. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van het Griendtsveen.
Afb. 3. Griendtsveen. Foto: Paul Paris
Zwart wit luchtfoto van Weert.
Afb. 4. Weert. Foto: Beeldbank RCE
Kaart van De Peel.
Afb. 5. De Peel

Karakteristiek

De Peel bestaat uit een kern waar vroeger een meer dan 100.000 hectare groot veenmoeras lag. Hieromheen ligt een ring van dorpen op hogere zandgronden, die historisch gezien een nauwe relatie met het veen hadden. Het gebied is overwegend agrarisch van karakter, maar er liggen ook enkele grotere plaatsen in de regio: Weert, Venray, Uden en Gemert. (Helmond valt onder de regio Kempen). Het huidige landschap is het resultaat van een proces van agrarisch gebruik, turfwinning en naoorlogse ruilverkavelingen. Tot in de 19de eeuw was het veengebied in de regio vrijwel ongebruikt. Vanuit de dorpen werd langs de randen het veen gebruikt voor onder meer beweiding. Rondom de dorpen lagen grote gemeenschappelijk bewerkte akkercomplexen of ‘velden’. Voorts lagen er individueel bewerkte kampen en vrij weinig weilanden. Verder weg lagen heidevelden. Met de komst van de kunstmest eind 19de eeuw, was het mogelijk om de heide te ontginnen tot bouwland en ontstonden nieuwe dorpen. Ook omzetting in productiebos, als leverancier voor mijnhout is veel gebeurd. Na de Tweede Wereldoorlog zijn in het gebied flinke ruilverkavelingen uitgevoerd, die tot een grootschalig, efficiënt ingericht landschap hebben geleid. Om de waterafvoer te verbeteren, werden tal van waterlopen gekanaliseerd en nieuwe gegraven. De Peel staat tegenwoordig bekend als gebied met intensieve veehouderijen. De visueel-ruimtelijke verschillen tussen de oude bouwlanden en het grasland verdween na de Tweede Wereldoorlog. De bossen hebben voor de recreatie betekenis.

Sommige dorpen kenden voor de 20ste eeuw al kleinschalige nijverheid en groeiden uit tot dorpen met stedelijke kenmerken, zoals Gemert. Weert groeide in de 19de eeuw uit tot een handelsstad met ongeveer 50.000 inwoners.

Vanaf midden 19deeeuw is op grote schaal turf gewonnen. Verschillende ondernemingen werden opgericht en in het veen ontstonden nieuwe dorpen, zoals Helenaveen en Griendtsveen. Het resultaat was dat het veen vrijwel geheel is afgegraven. De vrijkomende grond werd nadien geschikt gemaakt voor de landbouw of voor bosaanleg. Restanten van het veengebied die niet zijn vergraven, worden thans beheerd als Natura 2000- gebied, waaronder Nationaal Park de Groote Peel.

De regio is ontsloten via de snelwegen A2, A67, A50, A73 en A59 in het uiterste noorden en de A73 in het noordoosten. De aansluiting per spoor verloopt via de lijnen Eindhoven-Weert-Roermond, Roermond-Venlo en Venlo-Helmond-Eindhoven.

De Peel is ook per schip goed te bereiken, onder meer via de Zuid-Willemsvaart. Door de regio lopen enkele 150kV en 380kV hoogspanningsleidingen. Net buiten de regio bevindt zich een groot knooppunt bij Maasbracht. Bij Neer staat een windpark van vijf windturbines.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Tektoniek

Het reliëf van de Peel en de omgeving is mede gevormd door tektonische bewegingen. Het gedeelte waar de Peel ligt (de Peelhorst) is in de loop der tijd omhoog gekomen. Ten oosten en ten westen daarvan liggen dalingsgebieden of slenken. De soms abrupte overgang tussen horst en slenk is een breuk. Tussen de Peelhorst en de Centrale Slenk in het westen loopt de Peelrandbreuk, die op sommige plaatsen, zoals ten westen van Uden goed in het terrein te zien is. De gronden op de hoger gelegen Peelhorst zijn natter dan de lager gelegen gronden ten westen ervan. Dit komt doordat de breukzone zelf uit ondoorlatend materiaal bestaat. Grondwater dat naar het westen stroomt kan niet verder bij de Peelrandbreuk. Bij en op de breuk treedt kwel op, wat ten westen van de breuk veel minder gebeurt. Dit zeldzame verschijnsel heet wijst. In drie natuurgebiedjes nabij Uden is wijst nog goed waar te nemen. Ze zijn in eigendom bij Staatsbosbeheer en door de provincie Noord-Brabant aangewezen als aardkundig monument.

Pleistoceen

Gedurende het pleistoceen zijn in Brabant en Limburg door de Maas en Rijn zand, grind en leem afgezet. Door bewegingen langs de breuken van de Peelhorst en de Slenk van Venlo schoof de Maas zo’n 400.000 jaar geleden naar het oosten en kwam ongeveer op haar huidige plek te liggen. Tijdens de laatste ijstijd was ons land niet bedekt met landijs. Er heerste lange tijd een toendraklimaat waardoor er nauwelijks iets groeide en de wind vrij spel had. Er werd een laag dekzand afgezet in de vorm van duinen of dekzandruggen. Elders ontstonden laagten doordat het zand werd uitgeblazen. Het resultaat was een golvend zandlandschap met lage dekzandruggen en lager gelegen delen.

Holoceen

Na de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, steeg de temperatuur en kon zich bos vormen. Op plaatsen waar het water niet goed weg kon stromen, met name op de Peelhorst, trad veenvorming op. Hier ontstond uiteindelijk het grote hoogveengebied van de Peel. Een deel hiervan is bewaard gebleven en wordt nu beheerd als natuurgebied.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart behoort de regio tot de Roerdalslenk en de Peelhorst. Beide landschappen kennen als landschapszones dekzandvlakten, dekzandruggen, beekdalbodems, droogdalbodems, en beek- en droogdalhellingen. De Peelhorst kent daarnaast nog veenvlakten.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie tot Romeinse tijd

Het veengebied van de Peel is lange tijd onaantrekkelijk geweest voor bewoning. Archeologische vondsten zijn voornamelijk gedaan op dekzandruggen langs de rand. Wel zijn op verschillende plaatsen werktuigen gevonden van jagers-verzamelaars uit de oude- en middensteentijd. In deze vroege perioden was de Peel nog niet bedekt met veen; dat breidde zich in later tijd steeds verder uit. Er zijn vuurstenen bijlen gevonden bij Ospel, Venray en bij de Heibloem. Deze werktuigen zijn waarschijnlijk geofferd, op waterrijke plaatsen. Bij Millheeze is een nederzettingen uit de late steentijd ontdekt. Vondsten, aan de rand van de Peel, die duiden op bewoning in de ijzer- en de Romeinse tijd zijn onder meer gedaan bij Bakel en Deurne. Op 15 juni 1910 deed een turfsteker een spectaculaire vondst in het peelmoeras. Bij Helenaveen vond hij de persoonlijke bezittingen van een Romeinse officier: een vergulde zilveren ruiterhelm, een mantelspeld, een ruiterspoor, belletjes van een paardentuig en Romeinse munten. Deze vondsten dateren uit het begin van de 4de eeuw.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Krans van dorpen rondom het veen

Na een periode van teruggang begon het aantal inwoners in het zuidelijke zandgebied en daarmee ook in de regio Peel vanaf de 6de -7de eeuw weer toe te nemen. Bewoning vond plaats op enige afstand van het veen. In de loop van de middeleeuwen ontstond een krans van dorpen om het enorme veengebied. In Brabant waren dat onder meer Someren, Asten, Liessel, Deurne, Milheeze, Bakel, Gemert, Handel, Boekel, Volkel, Uden, Zeeland, Nistelrode en Schaik. In het oosten liggen Mill, Wanroij, St.-Anthonis, Oploo en Overloon. Het Limburgse deel van de krans bestaat onder meer uit Venray, Horst, Panningen, Helden, Weert, Nederweert en Heythuysen. Vaak lagen de dorpen als een geïsoleerde strook cultuurland temidden van de woeste gronden van het veen of de uitgestrekte broekbossen en heidevelden in het oosten richting de Maas. Naast dorpen ontstonden kleinere buurtschappen, voortgekomen uit een hoeve of een molen.

Agrarische ontwikkeling

Het middeleeuwse cultuurlandschap bestond uit akkerlanden en graslanden rondom de oude dorpen. De akkers lagen in de regel op de hogere, goed ontwaterde delen van de beekdalhellingen. Er waren individuele kampontginningen, omgeven door houtwallen of heggen en aaneengesloten open akkercomplexen of velden. Voorbeelden hiervan zijn het Groot Dorperveld en het Haagse Veld bij Merselo. De velden werden door zandpaden gesplitst en kenden een strookvormige verkaveling.

Graslanden waren lager gelegen. De natste delen van de graslanden werden benut als hooiland, terwijl de beter ontwaterde graslanden dienst deden als weidegrond. Aanvankelijk werden de graslanden gemeenschappelijk benut, maar later zijn ze verdeeld in lange smalle percelen, die wel medenverkaveling genoemd wordt. Langs de Loobeek is dit goed herkenbaar.

Tot 1850 was het overgrote deel van de regio nog ongecultiveerd. In het Limburgse deel bijvoorbeeld, bestond het noorden nog voor tweederde uit woeste grond en het zuiden voor bijna de helft. De woeste gronden werden extensief gebruikt. De bossen benutte men voor de jacht of voor het weiden van vee[1].

Hout werd gebruikt als bouwmateriaal en brandstof. Op kleine schaal groef men turf. Verder werden bos- en heideplaggen (“vlincken”) gestoken, die vermengd werden met dierlijke mest om de vruchtbaarheid van de velden te vergroten. In zandgebieden was het namelijk moeilijk boeren zonder voldoende mest. Tot aan de komst van kunstmest was het vee de belangrijkste leverancier. Dierlijke mest werd gemengd met heideplaggen en strooisel en op de velden gebracht. De velden kwamen zodoende steeds hoger te liggen. Er konden niet onbeperkt koeien of schapen worden gehouden en ook ongelimiteerd plaggensteken was niet mogelijk.

Het gevaar van zandverstuivingen lag altijd op de loer, zoals de Bedafse Bergen laten zien.

Om te voorkomen dat nieuwe boeren zich op de heide zouden vestigen, werden gemeynten opgericht ter regulering van het gebruik van de gronden: ieders rechten en plichten werden daarin vastgelegd ten aanzien van aantallen te weiden schapen, welke hoeveelheid plaggen en turf er gestoken mocht worden, enzovoort. Pas in de Franse tijd kwamen de gemeenschappelijke gronden in het bezit van de gemeenten. De gemeenschappelijke heidevelden werden nadien verkocht, nieuwe boerderijen werden gebouwd en een deel van de heidevelden veranderde in landbouwgrond en bos toen de kunstmest zijn intrede deed rond 1900.

Ysselsteyn werd in 1920 gesticht als modelontginning. Het dorp had een Y-vormig wegenstelsel. Rond de splitsing lagen diverse voorzieningen, waaronder een school en een kerk. De boerenbedrijven lagen verspreid; oorspronkelijk waren er 15 bedrijven gebouwd, na 1920 volgden meer. Zo werden in 1938 met staatssteun 58 boerderijen gesticht. Langs de Puttenweg en de Timmermansweg ontstond lintbebouwing. In Ysselsteyn ligt de enige Duitse militaire begraafplaats van ons land.

Kleinschalige turfwinning

De grootschalige vervening van de Peel kwam in de 19de eeuw op gang (zie verder). Voor die tijd werd door de boeren op kleine schaal turf gestoken. De veenputjes of boerenkuilen waren het resultaat van één dag werk. Deze kleine turfgraverijen vonden vooral plaats langs de randen van het veen en in kleine, geïsoleerd liggende veentjes. Nadat de zandige bovenlaag was verwijderd, werden de turven gestoken en naast de put te drogen gelegd. Dit gebeurde zodanig, dat de wind door de stapels turven kon blazen en ook droging door de lucht kon plaatsvinden. Na verloop van enkele weken was de turf droog genoeg om binnen te halen.

In het Limburgse deel werd de door particulieren gestoken turf met karren via de uitgespaarde ‘peelbanen’ afgevoerd. Zo ontstond een landschap van kleinschalige, enigszins planmatige afgraving in boerenkuilen met veenbanen. In onder meer het Nationaal Park Groote Peel is dit patroon nog te zien.

Grootschalige turfwinning

De Peel was vanwege de slechte bereikbaarheid tot in de 19de eeuw niet interessant voor commerciële turfwinning. Dit veranderde met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart in 1826 en de aansluiting van de verbrede Noordervaart hierop.

De exploitatie startte op initiatief van de gebroeders van der Griendt. Zij zorgden ervoor dat de Helenavaart werd aangelegd, die vanaf de Noordervaart richting het veengebied loopt. Via de kanalen kon de turf worden afgevoerd, terwijl ze ook voor de ontwatering van het veengebied zorgden. Het hoofdkanaal werd elk jaar verlengd en de zijkanalen (de wijken) werden volgens een nieuw drietand-systeem gegraven. Op die manier kon de turf snel worden afgevoerd en verliep de afwatering zonder veel problemen.

Langs de vaart ontstond ruimte voor woningen. Aan weerszijden van de provinciegrens ontstonden twee nederzettingen: Helenaveen (NB) en Griendtsveen (Li). Helenaveen wordt gekarakteriseerd door kleine, parallel aan de vaart gebouwde keuterboerderijen en woonhuizen, waartussen grote vrijstaande boerderijen staan. Rond N.H.-kerk ontstond komvorming.

Griendtsveen is een bedrijfsdorp, dat in 1883 werd gesticht en voortkomt uit de winning van turfstrooisel, wat leidde tot een permanent dorp. Beide dorpen zijn in feite te karakteriseren als bedrijfsdorp. Helenaveen en Griendtsveen zijn beide beschermd dorpsgezicht. In het veengebied kwamen ook enkele andere dorpen tot ontwikkeling, zoals Odiliapeel, Ospel, Ysselsteyn en Vredepeel.

Het gemeentelijke Veenbedrijf van Deurne was de andere partij die de turfwinning ter hand nam. Ook hiervoor werd een eigen kanaal gegraven richting de Noordervaart. Het werd in noordelijke richting doorgetrokken richting de spoorlijn Eindhoven-Venlo.

In enkele decennia werd de Peel vrijwel geheel afgegraven, totdat turf tijdens het Interbellum als brandstof door steenkool werd vervangen. Die delen van het veen die toen nog niet aan snee waren gekomen, zijn sindsdien grotendeels zo gebleven. Naderhand zijn ze in beheer genomen als natuurgebied, zoals bijvoorbeeld het Nationale Park De Groote Peel.

Na de vervening

De grond waar het veen was verwijderd werd geschikt gemaakt als bos of landbouwgrond. Grote plantages werden als naaldbos ingericht. Het hout werd gebruikt om de Limburgse mijnen te stutten.

Andere delen zijn omgezet in landbouwgrond. Er werden daarvoor op grote schaal bestaande beken verlengd voor de ontwatering. De gronden zelf bewerkte men ook: de bovenste laag van het veen – de bolster – werd gemengd met de onderste veenlaag. Zo ontstond dalgrond, waarop geakkerd kon worden. Bemesting vond plaats met huisvuil. Zo ontstond een jong ontginningslandschap: grote open ruimtes, slechts hier en daar onderbroken door een bewoningslint of losstaande boerderijen, waar het landschap van de Peel tegenwoordig door wordt gekenmerkt.

Aan de randen van het hoogveen lagen de heidevelden die vooral voor het houden van vee – met name schapen – werden benut. Venray had een internationale schapenhandel, die zijn grootste bloei tussen 1850 en 1870 beleefde, maar toen snel afbrokkelde door internationale concurrentie en de uitvinding van kunstmest.

Veel gronden werden aan het eind van de 19de eeuw verkocht aan particulieren en ontgonnen. Bij deze ontginningen speelde de Heidemaatschappij een belangrijke rol. Er werden ontwateringsloten gegraven, wegen aangelegd en de bodem werd verbeterd. Vervolgens werden de percelen ingeplant met bos of gereed gemaakt als landbouwgrond. Langs de randen van de percelen en langs de wegen werden loofbomen geplant, meestal berk.

Recente ontwikkelingen

Na de Tweede Wereldoorlog hebben diverse ontwikkelingen plaatsgevonden die het landschap in belangrijke mate beïnvloedden. Dit zijn niet specifiek regionale ontwikkelingen, maar zaken die landelijk speelden en die regionaal hun impact hadden. Het betreft de voortgaande schaalvergroting in de landbouw inclusief ruilverkavelingen, de groei van de dorpen, de uitbreiding van de infrastructuur en de opkomst van de recreatie.

In de landbouw leidde de voortgaande schaalvergroting tot specialisatie in melkveehouderij of kippen- en varkensfokkerij. Daarnaast nam de gemiddelde grootte van de bedrijven flink toe. De smalle, vaak strookvormige percelen met elzensingels in de beekdalen werden vervangen door grotere blokvormige kavels. De verspreid gelegen percelen van de boeren werden zo geconcentreerd. Er werden nieuwe boerderijen gebouwd op plaatsen waar tot dan toe nooit boerderijen hadden gestaan. In de regio zijn uiteindelijk 40 ruilverkavelingen uitgevoerd ter grootte van minimaal 135.000 hectare (niet alle genoemde projecten lagen geheel in de regio). Sommige startten in de jaren 1930, de meeste vonden plaats tussen 1960 en 1980. Delen zijn twee keer ruilverkaveld. De percelering werd in veel gevallen gewijzigd en de waterhuishouding grondig aangepakt, zodat ook in de laagste delen van het landschap akkerbouw mogelijk werd. De laaggelegen graslandgebieden werden even open als de akkers. Ook ligt een deel van het WILG-gebied Sarsven-De Banen in de regio.

Delen van de Peel zijn de afgelopen decennia tot Natura-2000 gebied omgevormd. Dit gebeurde in een aantal gevallen als onderdeel van ruil- of herverkavelingsprojecten. Dit betrof vooral de niet verveende gebieden, de overgebleven heide en stukken bos. Naast het Nationaal Park De Groote Peel gaat het om het Deurnsche Peel-Mariapeel, Boschhuizerbergen, Srasven-De Banen en de Weerter- en Budelerberg-Ringselven. De niet tot natuurgebied omgevormde en niet bij de landbouw in gebruik zijnde delen zijn tegenwoordig veelal in gebruik voor de recreatie. De groei van de dorpen betekende veel voor het landschap. Om de oude kernen van de dorpen kwam een schil van nieuwbouwwijken, die vooral op voormalige akkercomplexen liggen.

Door de regio lopen meerdere snelwegen die verbindingen leggen met alle delen van het land. De visuele impact van snelwegen is groot. Dit geldt evenzeer voor de aanleg van de schakelstations en hoogspanningsleidingen die voor de energievoorziening van groot belang zijn. Door het gebied lopen meerdere leidingen van en naar verdeelstations bij Maasbracht en Eindhoven.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Veghel-Erp 5056 1966 - 1986 2,0%
Dubbroek 735 1975 - 1984 2,5%
Maasheezer Veld en Holth Broek 806 1959 - 1967 9,5%
Neer 2219 1956 - 1969 20,0%
Mierlo 2190 1965 - 1977 26,0%
Land van Cuijk 10759 1981 - 2001 27,7%
Midden-Maasland 13951 1974 - 1997 31,7%
Reek 618 1983 - 1993 38,6%
Lieshoutsche Beemden en Beeksc 825 1940 - 1951 41,3%
Melderslo 6823 1990 - 2003 49,4%
Weert-Stramproy 5572 1979 - 1997 53,3%
Overloon-Merselo 8150 1972 - 1991 66,9%
Wanroy 4574 1966 - 1979 67,2%
Midden-Limburg 8161 1963 - 1976 71,4%
Uden 3713 1967 - 1982 82,7%
De Leek 239 1930 - 1935 86,3%
Oploo 4622 1974 - 1990 90,5%
Everlose Beek 11193 1976 - 2000 92,3%
Boekel 2773 1962 - 1974 99,9%
Lollebeek 11557 1961 - 1974 100,0%
Oude Graaf 2856 1978 - 1991 100,0%
Wanroysche Peel 1209 1928 - 1933 100,0%
Helden 116 1933 - 1936 100,0%
Elst –De Bemden 128 1938 - 1952 100,0%
Deurne 787 1942 - 1953 100,0%
Ospelsche Peel 4586 1949 - 1964 100,0%
De Aa 2037 1941 - 1954 100,0%
Somerensche Akker 380 1940 - 1949 100,0%
Eggelsche- en Keuperveld 335 1941 - 1948 100,0%
Ommel 294 1947 - 1959 100,0%
Vliegveld Nistelrode 182 1947 - 1950 100,0%
Sluis 13 308 1948 - 1957 100,0%
De Kleine Aa 1650 1955 - 1970 100,0%
Groote Peel 1039 1959 - 1968 100,0%
Beekerloopje 28 1948 - 1959 100,0%
Dorp en Eind 1561 1960 - 1971 100,0%
Meijel 946 1952 - 1963 100,0%
Milheeze 432 1963 - 1972 100,0%
Astense Aa 8789 1962 - 1976 100,0%
Bakel 7656 1971 - 1989 100,0%


Specifieke thema’s

Nederzettingen

Weert (49.000 inwoners) ligt net als veel oude dorpen in de Peel op hoger gelegen zandgronden. De eerste vermelding dateert van 1062. In de 14de eeuw werd Weert een vrije heerlijkheid in het Land van Horn. In 1414 kreeg Weert stadsrechten. Tegen de 13de-eeuwse omwalling werd rond 1455 een nieuw kasteel gebouwd: de Nijenborgh. Het oude kasteel Aldenborgh werd in 1461 geschonken aan de Minderbroeders en opgenomen in het nog bestaande kloostercomplex (Paterskerk). Weert was een handelsstad met goede verbindingen naar Venlo, Roermond en Antwerpen. Ten noorden van de stad werden in 1822-26 de Zuid-Willemsvaart en een havenbassin gegraven. Ten zuiden van Weert werd in 1879 de ‘IJzeren Rijn’ aangelegd. Begin 20ste eeuw kwam de spoorverbinding met Eindhoven en Roermond tot stand. Snelweg A2 volgde begin jaren 1970, de weg om Weert werd in 1989 geopend. Na de oorlog is Weert flink gegroeid, vooral naar het oosten (onder meer de wijk Leuken) en het zuiden (Moesel, Keent, Graswinkel). Delen van het oude centrum zijn vervangen door nieuwbouw.

Uden (35.000 inwoners) is een belangrijk streekcentrum. Als dorp gaat het terug tot de 11de eeuw. In de 14deeeuw ging de heerlijkheid Uden over naar het Land van Ravenstein. Het was geen onderdeel van het hertogdom Brabant of de Republiek, maar werd Rijksterritorium. Uden was een bescheiden agrarische nederzetting met een regionale marktfunctie. Na de Tweede Wereldoorlog industrialiseerde Uden, vooral onder invloed van rijksbeleid.

De plaats werd goed ontsloten en enkele grote fabrieken vestigden zich hier. De bevolking groeide en forse nieuwbouwwijken verrezen. De ontsluiting per snelweg volgde via de A50. De luchtmachtbasis Volkel behoort tot Uden.

Gemert (16.000 inwoners) was evenals Uden een onafhankelijke en niet tot de Republiek behorende vrije heerlijkheid. Vanaf de Franse tijd ging het tot Nederland behoren. Het was een agrarische nederzetting, ontstaan op een hogere dekzandrug, westelijk van de Peelrandbreuk. Van oudsher was er enige textielnijverheid. Dit vormde de basis voor de groei van het dorp tot het streekcentrum dat het nu is. In Gemert ligt een Kasteel, dat teruggaat tot 1391 en in gebruik was bij de Duitse Orde.

Venray (30.000 inwoners) behoorde in de middeleeuwen tot Gelre. Het dorp ging in 1543 over in Habsburgse handen en werd toen onderdeel van de Zuidelijke Nederlanden en weer later Generaliteitsland. Venray was een agrarisch dorp op het zand.

Het stond tot eind 19de eeuw bekend om de vele schaapscompagnieën, die in Europa de handel domineerden. Die zijn inmiddels verdwenen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd bij Overloon, even buiten Venray een grote tankslag uitgevochten. In Overloon is het Oorlogsmuseum gevestigd. In de omgeving vonden veel verwoestingen plaats. Tijdens de wederopbouw werd met succes ingezet op industrialisatie. Enkele internationaal opererende bedrijven vestigden zich in Venray. Het dorp groeide en is een streekcentrum in noordwest Limburg.

Defensie: de Peel-Raamstelling

In de jaren 1930 werd de Peel-Raamstelling tussen Grave en Weert aangelegd als verdediging tegen Duitse aanvallen. De linie bestond uit een 40 kilometer lange tankgracht, het Peel- of Defensiekanaal. Ten oosten hiervan moest op last van het Ministerie van Oorlog een strook van 1.200 meter als schootsveld vrij blijven van boerderijen en bomen, wat nog goed zichtbaar is bij Ysselsteyn. Daarnaast werden tussen Griendtsveen en Nederweert de accessen in de onontgonnen veengebieden afgesloten door middel van wegversperringen en mijnvelden.

Aan weerskanten van het Defensiekanaal bracht men prikkeldraadversperringen aan. Aan de westkant van het kanaal wierp men een wal op. Tussen de wal en het kanaal lagen kazematten, telkens op ongeveer 200 meter van elkaar. In totaal werden er in de regio 383 kazematten gebouwd, waarvan er zo’n 250 zijn bewaard.

Literatuurlijst

  • Bont, C. de, 1993. Al het merkwaardige in bonte afwisseling. Een historische geografie van Midden en Oost-Brabant. Waalre.
  • Jansen, R. en K. van der Laan (red.), 2011. Verleden van een bewogen landschap. Landschap- en bewoningsgeschiedenis van de Maashorst. Utrecht.
  • Bossenbroek, Ph., J.T. Hermans, J.A.H. Smits, J.T. Vorstermans en.F.S. van Westreenen, 1996. Het land van Peel en Maas. Natuurgebieden in Zuidoost-Nederland. Roermond
  • Hendrikx, J.A, 1977. Natuurpark ‘De Maashorst’; landschapsplan voor de ontwikkeling van natuurschoon en recreatie. Den Dungen.
  • Kolen, J., 2004: Biografie van het Peelland. De cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) van Peelland. (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 13). Amsterdam.
  • Renes, J., 1999. Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Leeuwarden/Maastricht. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 1997. Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde dorpsgezicht Helenaveen, gemeente Deurne (Noord-Brabant) ex artikel 35 Monumentenwet 1988. Zeist.
  • Thissen, P., 1993. Heideontginning en modernisering, in het bijzonder in drie Brabantse Peelgemeenten 1850-1940. Utrecht.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
De Peel
Algemeen Ring van dorpen op hogere zandgronden rondom een groot (vml) hoogveengebied met jongere veenkoloniën
veenkoloniaal landschap met kanalen en wijken, rechte lijnen domineren landschap
Peelrandbreuk
Landbouw en natuur Open akkercomplexen bij de Middeleeuwse zanddorpen
Kleinschalige percelering van graslanden in beekdalen (na ruilverkavelingen vergroot)
Jonge, open heideontginningen met rationele percelering en grote agrarische bedrijven
Peelontginningen
Grote ontginningsboerderijen in veengebied
Verlies van contrasten door ruilverkavelingen en overschakelen naar veehouderijen
Heideontginningen tot bos
Wijstgronden op Peelrandbreuk
N2000 Peelvenen
Wonen Oude dorpen op het zand/de zandruggen. Sommige fors gegroeid na 1980, relatief grote bedrijventerreinen per dorp
Heideontginningsdorpen, vnl. 19de eeuws
Veenkoloniën/bedrijfsdorpen Helenaveen en Griendtsveen
Modelontginning Ysselsteyn met ontginningsboerderijen
Weert historische stad
Waterstaat Peel- of Defensiekanaal (zie defensie)
Rechtgetrokken beken aan de randen van de Peel
Defensie Middeleeuwse kastelen en –resten. o.a. Tongelaar, Croy met hist. cultuurlandschap
Peel-Raamstelling
- Kazematten en spoorlijn met versperringen
- Peel- of defensiekanaal (tankgracht) met stuwen
- Inundatiekades
Vliegveld Volkel
Museum Overloon
Oorlogsbegraafplaatsen
Delfstofwinning veenkoloniaal landschap met kanalen en wijken
veenbanen/ Peelbanen
Bedrijvigheid Turfstrooiselfabrieken met kantoren en dienstwoningen Helenaveen en Griendtsveen
Water- en windmolens (soms combinatie: Oploo)
Verkeer N279: oude doorgang door de Peel
Helenavaart
Zuid-Willemsvaart met sluizen
Noordervaart met sluizen
Kanaal van Deurne
Kanaal Wessem-Nederweert /td>
spoorlijnen Eindhoven-Weert en Eindhoven-Venlo met stationsgebouwen
A2, A50, A67
Bestuur Grenspalen en -markeringen met België
Landgoederen en buitenplaatsen Landgoederen begin 19de eeuw (o.m. Stippelberg, Groote Slink/Huize Bronlaak, Bunthorst)
Religie Getuigen Rooms-Katholicisme: bv kloosters, kapellen en kerken
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

  1. De bossen ten noorden tussen Tienray en Grubbenvorst rekenen we tot de Maasvallei. De Heldense bossen horen wel tot De Peel, omdat deze samenvallen met landschapsgrens Peelhorst en Lage Maasterrassen behoren tot de Maasvallei.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.