Uiterwaarden Gelderse IJssel Doesburg - Zutphen

< Aardkundig erfgoed - inleiding


Overzicht aardkundig erfgoedKaart: Aardkundig Erfgoed

Samenvatting

De uiterwaarden van de Gelderse IJssel tussen Doesburg en Zutphen kennen een bijzonder fraai ontwikkeld kronkelwaardreliëf. De mooiste voorbeelden zijn te vinden in de Fraterwaard, bij Cortenoever en bij de Overmarsch. Dit reliëf is ontstaan doordat de rivierbocht zich steeds verder naar buiten verplaatste, waarbij parallel lopende kromme ruggen achterbleven in de binnenbocht. Het kronkelwaardreliëf is vooral tijdens de Middeleeuwen ontstaan, toen de IJssel relatief veel afvoer had.

De Gelderse IJssel is pas vanaf de vroege middeleeuwen ontstaan. Buitendijks zijn nog enkele restanten van de oude benedenloop van de Berkel te herkennen, deze rivier stroomde hier voordat de Gelderse IJssel vormde. Deze afgesneden bochten van de Berkel vormen moerassige laagten, zoals bij Steenderen. Daarnaast liggen hier meanders van de Gelderse IJssel met klassiek kronkelwaardreliëf herkenbaar aan duidelijke ruggen en laagten, waarvan de mooiste voorbeelden te vinden zijn bij

Aardkundig fenomeen (primair)[bewerken]

kronkelwaardreliëf

Overige aardkundige fenomenen

oeverwal

Periode(s)[bewerken]

  • Laat Pleistoceen
  • Holoceen - Vroege Middeleeuwen
  • Holoceen - Late Middeleeuwen

Gevormd door[bewerken]

rivieren

Kenmerkendheid[bewerken]

  • Eén van de mooiste voorbeelden van intact kronkelwaardreliëf van Nederland.
  • Resten van Pleistocene Berkel zijn goed zichtbaar in het reliëf.
  • Over deze gehele lengte heeft een omkering van stromingsrichting plaatsgevonden bij het ontstaan van de Gelderse IJssel.
AHN hoogtebeeld van de uiterwaarden van de Gelderse IJssel bij Cortenoever en Steenderen
Afb. 1. AHN hoogtebeeld van de uiterwaarden van de Gelderse IJssel bij Cortenoever en Steenderen. Oude geulvullingen van de Pleistocene Berkel zijn te zien bij Steenderen, net als het kronkelswaardreliëf van de middeleeuwse Gelderse IJssel bij Cortenoever. (klik voor een vergroting)
Kronkelwaardreliëf langs de IJssel
Afb. 2 Kronkelwaardreliëf in de Bronkhorster Waarden (ten noorden van De Bakerwaard). Foto: Harm Jan Pierik, RCE.

Ontstaansgeschiedenis

Oude Berkel in de laatste ijstijd

Tijdens de eerste helft van de laatste ijstijd (het Weichselien, 110.000-11.700 jaar geleden) stroomde de volledige afvoer van de Rijn door het IJsseldal, richting het huidige IJsselmeer. Door een afwisselend toendra en poolklimaat was er weinig vegetatie, wat tot een erg brede vlechtende riviervlakte leidde van ongeveer 15 km breed. In verschillende fasen ontstond een riviertak in de Betuwe, die uiteindelijk de grootste loop werd. Vanaf ongeveer 50.000 jaar geleden werd het gebied slechts door lokale rivieren en dekzand gevormd. Zo werd bij Voorst een dekzandrug afgezet dwars op de oude stromingsrichting in het dal (zie Dekzandrug Klarenbeek), die tot een waterscheiding leidde. De dekzandkopjes komen voornamelijk uit het Laat-Glaciaal (14.700 – 11.700 jaar geleden) en bepalen het Pleistocene reliëf van nu.

De belangrijkste lokale rivier was de Berkel, die ongeveer ter hoogte van de Gelderse IJssel vanaf de waterscheiding richting het zuidwesten stroomde en uitmondde in de Rijn bij Arnhem (zie Dekzandrug Harfsen en Dekzandrug Klein Dochteren). Deze kleine zijrivier waterde een deel van Oost-Nederland af. Tot het eind van het Pleistoceen waren meerdere geulen van de Berkel afwisselend actief. In het binnendijks gebied liggen meanderbochten die vermoedelijk door de Berkel gevormd zijn en waarvan de restanten goed in het huidige landschap te zien zijn als moerassige laagten. De twee mooiste voorbeelden liggen bij Steenderen (afb. 1). In de middeleeuwen zijn deze Pleistocene beddingen bij hoog water herwerkt door de Gelderse IJssel en met jongere afzettingen opgevuld.

Gelderse IJssel in de Middeleeuwen

Vanaf 550 na Chr. ontstond de Gelderse IJssel geleidelijk aan. Hierbij trad in dit gebied een omkering van de stromingsrichting op: waar de Berkel eerder vanaf Zutphen richting Arnhem stroomde, ontstond nu een Rijntak die vanaf Arnhem naar het noorden afwaterde. De Berkel voegde zich bij Zutphen weer bij de IJssel.

Het heeft enkele eeuwen geduurd voordat de Gelderse IJssel zich had ontwikkeld tot één meanderende geul (rond de 9de – 10de eeuw) en oeverwallen konden worden afgezet. Bij de vorming van deze nieuwe tak brak eerst de dekzandrug tussen Zutphen en Deventer door. Er vormde zich een ondiep meergeulig systeem van ongeveer 2 km breed. Subtiele hoogteverschillen van dit doorbraak crevassesysteem zijn buitendijks nog in het landschap te herkennen, bijvoorbeeld bij Cortenoever (afb. 1).

Tijdens de Late Middeleeuwen was de afvoer van de Gelderse IJssel relatief groot en bouwden grote meanderbochten langs de rivier actief uit. Hierbij werden de buitenbochten geërodeerd, en in de binnenbochten vond juist sedimentatie plaats. Zo ontstonden de kronkelwaarden die zo kenmerkend zijn voor dit gebied: afwisselende maanvormige ruggen en depressies. Hiervan zijn enkelen bijzonder erg goed bewaard gebleven in het buitendijks gebied, zoals bij de Fraterwaard, Cortenoever (afb. 1) en de Overmarsch. Daarnaast is ook op veel andere plekken in de uiterwaarden van de Gelderse IJssel een kronkelwaardreliëf zichtbaar waar de rivier zich heeft uitgebouwd (afb. 2). Na de 15de eeuw nam de afvoer van de Gelderse IJssel weer af en was de kronkelwaardvorming zo goed als voltooid. In de laagten van de oude beddingen zijn moerassen ontwikkeld. Het kronkelwaardreliëf is goed zichtbaar in het landschap door relatief groot reliëfverschil op korte afstand, dat 2 – 3 meter kan bedragen.

Huidige aardkundige processen

Binnendijks treden geen aardkundige processen op. In de uiterwaarden wordt bij hoogwater klei afgezet. Oeverwalvorming en geulverleggingen treden niet meer op.

Bodems en waterhuishouding

Kalkhoudende ooivaaggronden en kalkhoudende poldervaaggronden zijn over het grootste oppervlak van de rivierafzettingen aanwezig. In de hogere zandige delen zoals dekzandkoppen, meanderruggen en oeverwallen, zijn vorstvaaggronden ontwikkeld. Oeverwallen hebben zich erg zandig ontwikkeld door de aanwezigheid van veel zand in de ondergrond dat is omgewerkt door de Gelderse IJssel. In de lage gedeelten is sprake van regionale kalkrijke kwel vanuit de Achterhoek.

Relatie met archeologie en cultuurhistorie

  • Doesburg en Zutphen zijn gevestigd op dekzandkoppen en bestonden al in de 9de eeuw. Zij konden zich ontwikkelen als handelsnederzettingen langs de Gelderse IJssel als belangrijke transportroute en werden lid van de Hanze.
  • De meandergordel van de IJssel is rond 1308 na Chr. bedijkt. De meanderbocht tegenover Zutphen werd in 1357 na Chr. doorgestoken en is waarschijnlijk de oudste door de mens doorgestoken meander langs de Gelderse IJssel te zijn.
  • Verschillende boerderijen in de uiterwaarden zijn gebouwd op terpen, vaak gelegen op de van nature hoger gelegen posities zoals meanderruggen.
  • In sommige kronkelwaarden is klei uit de geulen uitgegraven, wat leidde tot een versterking van de natuurlijke reliëfverschillen. In andere uiterwaarden is de gehele bovenlaag uitgegraven, bijvoorbeeld in de Belmerwaard tegenover Doesburg.

Verder lezen

Overlap met eerder benoemd aardkundig erfgoed

  • GEA-objecten: 33O7 Brummense waarden, 33O8 Reuvensweerd, 33O9 Stokebrands weerd, 33O10 Steenderen, 33O14 Overmarsch, 40O1 Fraterwaard, 40O2 Havikerwaard.
  • Van Beusekom 2007: GL 3 Fraterwaard, GL 8 Brummensche Waarden, GL9 Steenderen, GL 17 Reuvensweerd, GL 20 Stokebrands Weert, GL 21 Overmarsch, GL 83 (naamloos).
Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

[bewerken]

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 9 apr 2024 om 03:01.