Dijktypen (cultuurhistorisch beheer)

Foto van een deltadijk. Links ligt het water en rechts loop een weg met daarnaast een weiland.
Afb 1. De forse ‘deltadijk’ bij Ferwerd, aan de Friese waddenkust.
De omringdijk in west-Friesland. Op de dijk staan schapen met hun lammetjes van het gras te eten.
Afb 2. De ruim 126 kilometer lange ‘Westfriese Omringdijk’ omsluit in zijn geheel de historische regio West-Friesland.
Toegang tot de knardijk. Er staat in de voorgrond een hel. In de achtergrond is een windmolen te zien.
Afb 3. De Knardijk is de grens tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Tot de inpoldering van Zuidelijk Flevoland in 1968 was het echter een echte zeedijk.
Foto van een dwarsdijk. In de voorgrond een plas water met vogels en in de achtergrond een bomenrij met daarvoor huizen.
Afb 4. Een onlangs (gedeeltelijk) herstelde Dwarsdijk op Terschelling.
Foto vanuit kikvorsperspectief van de delatdijk bij ferwerd. Op de voorgrond is water dat tegen de kust aanslaat te zien.
Afb 5. De forse ‘deltadijk’ bij Ferwerd, vanaf de waddenkust gezien.
Luchtfoto van wielen in het landschap bij Eemnes.
Afb 6. Wielen langs de Meentdijk en Zomerdijk bij Eemnes (Utrecht).

Definitie, ouderdom en verspreiding

Een dijk is een langs of in de buurt van een water(-gang) aangelegde verhoging die moet voor - komen dat het water zich uitbreidt over de langs de watergang gelegen landerijen.

De oudste zee- en rivierdijken in Nederland dateren waarschijnlijk al uit de 11e eeuw. In het begin ging het om door de lokale bevolking opgeworpen dijken, die wateroverlast bij het eigen dorp moesten voorkomen. In het rivierengebied ging het meestal om dijken die dwars op de rivier lagen en zo de overlast verder stroomopwaarts vergrootten. Om dorpen werden soms extra ringdijken aangelegd voor bescherming van woningen en nabijgelegen akkers. Later is het dijkstelsel uitgebreid, waarbij regionale samenwerking noodzakelijk was. Waterschappen zorgden daarvoor, de oudste dateren uit de 12e of 13e eeuw. Gewoonlijk wordt ervan uitgegaan dat omstreeks 1300 de rivieren in laag Nederland aaneengesloten bedijkt waren.

In het kustgebied werden de eerste dijken aangelegd rond 1100. Die aanleg was eerst defensief: de dijken moesten de bewoners van het land beschermen tegen hoog water. Later kregen dijken ook een offensief karakter, wanneer ze dienden voor het vergroten van het areaal bewerkbaar land. Dat gebeurde bijvoorbeeld door het bedijken van schorren. Vanaf ongeveer 1600 gebeurde dit aanwinnen van land op steeds grotere schaal, en de dijken volgden niet meer allerlei natuurlijke begrenzingen, zoals die tussen schor en dieper water. De dijken werden bovendien hoger en steviger.

In het laagveengebied was de aanleg van dijken of kaden nodig om een waterscheiding te krijgen tussen ontgonnen en niet-ontgonnen gebied. Laagveen in ontgonnen gebieden klonk namelijk in en kwam daardoor lager te liggen dan het niet-ontgonnen land. Waarschijnlijk waren in de laagveengebieden in eerste instantie geen dijken langs de rivier nodig doordat het in gebruik genomen land hoog genoeg lag.

De term 'dijk' wordt ook gebruikt voor een verhoogd aangelegde weg door een moerassig gebied. Het verschil met een kade is dat die gewoonlijk is aangelegd tijdens een ontginning en doorgaans ook niet langs een natuurlijk water, maar langs een gegraven watergang. In de hoogveenontginningen in Brabant en Limburg wordt de term 'dijk' ook gebruikt voor verschillende elementen in de hoogveenontginningen, zoals de stroken land die bij het afgraven werden gespaard om als afvoerroute te dienen (ook wel 'veenbaan' geheten). Ook legakkers waarop uitgeschept veen te drogen werd gelegd worden wel 'dijk' genoemd.

Bij dijken horen elementen als sloten, weteringen die parallel aan de dijk lopen, maar ook wielen, naar de dijk toelopende vlieten, uiterwaarden, boezemlanden, molens en allerlei grenspalen en - bomen. Bij sommige dijken horen schotten en schothuisjes.

In alle provincies van Nederland komt wel een van de dijktypen voor, maar we vinden ze vooral in het kustgebied en langs de rivieren.

Aantastingen en bedreigingen

Het verlies van de waterkerende functie verkleint de kans op het behouden blijven van de dijk. Veel dijken in Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden en in Friesland en Groningen die ooit zeedijk waren zijn nadat ze landinwaarts kwamen te liggen afgegraven. Een aantasting van de landschappelijke waarde kan ook de verbreding en ophoging van de dijk zijn. Denk hierbij ook aan de discussie over de verzwaring van dijken in het rivierengebied.

Een te intensieve begrazing of het gebruik van zwaar materieel bij het beheer kan de stabiliteit van een dijk aantasten. Hetzelfde geldt voor gebruik van de weg op of onderlangs de dijk door te zwaar verkeer: elkaar passerende zware voertuigen kunnen de dijk of de dijkvoet beschadigen. Een traditioneel profiel kan verstoord worden door het weghalen of juist het aanplanten van bomen en struiken. Verder worden veendijken bedreigd door verdroging, en allerlei dijken door ondermijning door graafwerk door de mens, maar ook van dieren, zoals muskusratten. Andere dijken zijn afgegraven bij zandwinning, of afgevlakt.

Beheeropties

Behoud en consolidatie

Bij het behoud en beheer van dijken is het cultuurhistorisch van belang dat het profiel van de dijk bewaard blijft. Dus niet alleen de dijk zelf, maar ook de sloot of wetering die aan de voet van de dijk ligt. Van de twee dijksloten aan de voet van een dijk is helaas vooral die aan de landzijde nogal eens gedempt. Is dat niet het geval, dan moet de sloot op diepte gehouden worden. Beschadigingen van de dijk moeten bijtijds geconstateerd worden en worden doorgegeven aan de bevoegde instanties. Oude kaarten en bijvoorbeeld keurreglementen kunnen informatie gegeven over het oude profiel van de dijk.

Een onderdeel van het behoud van de landschappelijke waarde kan het behoud van een boom- of struikaanplant op de dijk zijn of een rij knotbomen aan de voet van de dijk. Gaten die daarin zijn gevallen worden gewoonlijk aangevuld met dezelfde soort, maar er kan ook gekozen worden voor een geleidelijke omvorming naar een andere soort, bijvoorbeeld omdat die minder snel groeit en minder hoog wordt en dus minder bedreigend is voor het dijklichaam. In een heg worden de gevallen gaten opgevuld, maar zorg bij nieuwe aanplant wel voor bescherming als er sprake is van begrazing op of bij de dijk.

Knotwilgen langs of op de dijk worden eens in de vier jaar afgezet, knotessen eens in de zes á acht jaar. Hakhout van zwarte elzen wordt eens in de acht á tien jaar laag afgezaagd. Voorkom met het beheer dat er te veel schaduw op de zuidkant gaat vallen. Eventueel aanwezige struiken moet men zo nu en dan terugsnoeien. Staan er laanbomen op of langs de dijk, voer daar dan het reguliere laanbomen onderhoud uit: dubbele koppen er uit halen, plakoksels verwijderen, dood hout verwijderen, eventueel zo nu en dan wat opsnoeien, bijvoorbeeld omdat laaghangende takken problemen opleveren voor het verkeer of bij het maaibeheer. Bij dijken waarlangs aan de voet een weg loopt kan het een probleem zijn dat auto's bij het elkaar passeren de dijk opsturen en zo een steeds grotere strook 'platrijden'. Het plaatsen van stenen of paaltjes of het aanleggen van passeervakken kan dat probleem oplossen.

Dijken hadden vaak een teen die versterkt was met bijzondere keien. Zowel zandsteen als harde natuurstenen werden gebruikt. Na 1830 werd overgestapt op basalt, omdat de relatie met België, waar veel natuursteen vandaan kwam, was verslechterd. Iedere steensoort kent zijn eigen korstmossen. Is deze bescherming nog intact, en niet bijvoorbeeld geasfalteerd, dan is het zaak die te behouden. Voor een stevige zode op een dijk met waterkerende functie moet er een beheer uitgevoerd worden dat verruiging voorkomt maar ook een al te sterke verschraling. Het overgrote deel van de historische dijken is echter niet waterkerend meer, daarom ligt hieronder de nadruk op het vergroten van met name de natuurwaarde van de dijk.

Het is belangrijk dat bij het beheer van die 'fossiele' dijken het contrast tussen de warme kant en de koude kant in stand wordt houden. De floristische waarden blijven behouden door een beheer van maaien en afvoeren: verschraling van de vegetatie. Als er twee keer per jaar gemaaid wordt, doe dat dan omstreeks begin juli en midden september, in verband met zaadvorming en de overlevingsmogelijkheden vlinders en rupsen. Bij één keer per jaar maaien kan dat het beste in de loop van juli of augustus gebeuren. Indien mogelijk niet een al te groot oppervlakte in een keer afmaaien. Gebruik geen zwaar materieel, maar maai met de eenassige trekker (liefst met dubbele banden). Stel de maaibalk niet té laag af, maar geeft allerlei bodemleven de kans te overleven, en voorkom zo ook beschadiging van de zode. Laat het maaisel een paar dagen (maar niet langer!) liggen voor het afgeruimd wordt. Ook dat afruimen gebeurt met licht materieel en het is geen probleem als her en der wat maaisel blijft liggen. Als dat gebruik van licht materieel een probleem oplevert omdat het veel tijd kost is het soms mogelijk te kiezen voor een tractor die op de weg op of langs de dijk rijdt en met een lange arm de vegetatie afmaait. Is dit allemaal niet mogelijk, dan verdient begrazing van de dijk in een deel van het jaar de voorkeur. Begrazing kan plaatsvinden door schapen of eventueel geiten (maar dat laatste niet als er houtachtige gewassen op de dijk staan). Daarbij moet té intensieve begrazing worden vermeden. Klepelen en direct afvoeren van de vegetatie is ongewenst want dan wordt vrijwel al het dierlijk leven op de dijk ook afgevoerd of gedood.

Voor het vergemakkelijken van de historische 'duiding' kan gekozen worden voor een specifieke beplanting per type dijk, zoals bijvoorbeeld op Goeree-Overflakkee gebeurt.

Restauratie

Doorgravingen van dijken, bijvoorbeeld ten behoeve van wegen, kunnen meestal niet meer ongedaan gemaakt worden. Wel kan vaak op plaatsen waar om andere reden het profiel is aangetast die schade worden hersteld, bijvoorbeeld door de dijksloot aan de teen van de dijk te herstellen en kleine 'kuilen' en verzakkingen in het dijklichaam op te vullen. Streef ook naar herstel op andere plaatsen waar het historische profiel van de dijk is aangetast: verdwenen sloten en bijvoorbeeld knotwilgen aan de voet van de dijk. Het is dan wel nodig vooraf vast te stellen wat het oorspronkelijke profiel was. En neem contact op met instanties als waterschap en provincie (archeologen).

Reconstructie

Als de mogelijkheid bestaat een verdwenen dijk te reconstrueren, doe dat dan op plaatsen waar uit kaartmateriaal blijkt dat er vroeger inderdaad een dijk lag. Het kan ook om een kort gedeelte van een dijk gaan waaraan een bepaald historisch feit of verhaal verbonden is, bijvoorbeeld nabij parkeerplaatsen of picknickplaatsen. Een argument voor reconstructie kan ook het vergroten van recreatieve mogelijkheden zijn, of een initiatief tot natuurontwikkeling. Een dijk kan ook symbolisch 'hersteld' worden door herstel van een dijksloot of door een specifiek beplantingspatroon: de aanplant van een bomenrij of een heg op de plaats waar een dijk verdwenen is. Ook kan een verdwenen dijk zichtbaar gemaakt worden door de aanleg van een wandelpad.

Behoud door ontwikkeling

Dijken kunnen door hun grote lengte een belangrijke ecologische functie krijgen. Bovendien liggen ze per definitie op de grens van nat en droog, wat extra mogelijkheden biedt. Er is daarnaast sprake van een groeiende belangstelling voor de recreatieve waarde van dijken, als wandelroutes bijvoorbeeld.

Een voorbeeld van reeds uitgevoerd beheer

“Ik ben er eigenlijk behoorlijk mee aan”

In het noorden van Groningen is de kustlijn door landaanwinning vaak opgeschoven. Er liggen daardoor landinwaarts allerlei resten van oude dijken. Harm Westers beheert delen van een slaperdijk uit 1718, in de buurt van Pieterburen. Ze zijn onderdeel van zijn biologische bedrijf van 80 hectare.

Om welke elementen gaat het?

Twee stukken van de oude provinciale dijk, samen 7 hectare groot. Ze steken nog 3 tot 5 meter boven het land uit.

Wie financiert het beheer?

Ik heb ze ongeveer 10 jaar beheerd zonder een vergoeding, sinds 2 jaar zitten ze in de SAN (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer), als ‘kruidenrijk weiland’.

Hoe kwam de historische informatie boven tafel?

Onder andere uit de nota ‘Oude Groninger Dijken’. Over het beheer vroeger is hier in de streek nog veel kennis aanwezig. Ik heb hier altijd gewoond en herinner me oude vormen van beheer nog en heb de indruk dat de dijken minder soortenrijk zijn geworden.

Welke uitgangspositie was er?

Twaalf jaar geleden waren de dijken minder gevarieerd begroeid dan nu. Ze werden bemest en beheerd alsof het gewoon grasland was.

Wat is er vervolgens gebeurd?

De eerste tien jaar heb ik de dijkstukken gemaaid en afgeruimd. Het maaisel werd gecomposteerd en er vond nabeweiding met paarden plaats. Ik betaalde het beheer zelf. Sinds twee jaar is er sprake van extensieve runderbegrazing en er wordt bijgemaaid. Bovendien bestrijd ik onwelkome onkruiden, zoals Jacobskruiskruid en distels.

Wat is de functie nu?

De dijken maken onderdeel uit van mijn bedrijf en hebben dus een agrarische functie. Met de begrazing ben ik nu gestopt door de eisen van de dienst Regelingen (LNV): er mogen nét geen twee runderen op!

Hoe verliep het proces verder?

Ik kan hier geen positief verhaal over houden. Om het op zijn Gronings te zeggen: ik ben er eigenlijk behoorlijk mee aan. Het is een geldverslindende operatie. Het hooien van dijken is erg lastig, want je hebt het afrolrisico: een van de kanten is nog behoorlijk steil. Andere vormen van beheer zijn arbeidsintensief of niet toegestaan vanuit de subsidieregeling. Ik bloot het nu een beetje, op 15 centimeter hoogte, om ongewenste kruiden te bestrijden. Maar bijvoorbeeld Jacobskruiskruid gaat daarna toch weer bloeien. Op de mooie stukken wacht ik tot zaad gevormd is. Mest mag er uiteraard niet op. Bij zo'n oude dijk zit de oppervlakte vol bultjes en kuilen, dat maakt mechanisch werken lastig. Veel werk doe ik met de hand.

Waar is het succes aan af te meten?

Ik geniet van de dijk, de vegetatie is gevarieerder en ijler geworden, met mooie soorten als morgenster, pastinaak en wilde peen. En er vliegen veel vlinders. Helaas zijn de akkerdistels door mijn beheer niet afgenomen.

Wat zijn de knelpunten in de praktijk?

Betaalbaar mechanisch beheer is niet mogelijk op dit soort kleine en hobbelige elementen, zonder dat je de zode beschadigt.

Hebt u aanbevelingen?

  • Werk bij de beheerssubsidie met afrekening op het eindresultaat, schrijf niet de manier voor waarop dat resultaat bereikt moet worden. Gebruik de creativiteit van de boeren!
  • Ik heb eens een lezing van professor Sykora bijgewoond, en die gaf als advies om bij moeilijk te verschralen stukken te werken met een afwisseling van een maand intensieve begrazing en een maand rust. Dat zou ik graag eens uitproberen, maar binnen de huidige beheerregelingen mag dat niet.
  • Er moet meer onderzoek komen naar acceptabele beheersvormen. Begrazing door schapen lijkt me een goede methode hier. Maar dan moet er een raster worden gezet en moet er weer bemest worden.

Nader signalement

Dijken kunnen van verschillende materialen zijn gemaakt: klei, maar soms ook wier of veen. Ook zijn stenen, vrachten puin, palen, zinkstukken van samengebonden wilgentenen en schelpen gebruikt. De zand- of stuifdijken, zoals die onder andere op Texel liggen, bestaan uit takkenbossen en zand. Er zijn veel dijktypen in Nederland. Van de belangrijkste wordt hieronder een definitie gegeven.

Dijktypen

Bandijk

Een bandijk is een dijk of opgehoogde weg die gerechtelijk beschouwd wordt. Met andere woorden: rechtsdwang is de basis voor het onderhoud. Deze dijken werden langs de rivieren gelegd en zijn van later datum dan de dwarsdijken en ringdijken.

Dwarsdijk

Een dwarsdijk ligt niet langs een rivier, maar er loodrecht op. Voor het gebied dat stroomafwaarts van de dijk ligt vermindert deze dijk de kans op wateroverlast, maar voor het bovenstrooms gelegen gebied worden de problemen juist groter. Een monumentaal voorbeeld van een dwarsdijk is de in de Middeleeuwen aangelegde Diefdijk tussen Leerdam en Everdingen.

Hemdijk

Een hemdijk ligt langs binnenwater in de Zuidwesthoek van Friesland. Ze omringden de zogenaamde hempolders en moesten water uit de niet ontgonnen veengebieden buiten de polders houden.

Inlaagdijk

Een dijk achter een als bedreigd beschouwd dijkvak. De inlaagdijk werd met beide uiteinden verbonden met de buitendijk. De buitendijk is soms verzwakt door juist het afgraven van klei ten behoeve van de versteviging van die dijk. Daardoor werd namelijk de kwelwaterstroom onder de dijk door versterkt, wat een ondermijnend effect had.

Kadijk

Deze benaming wordt gebruikt voor een laag type dijk, tussen een dijk en een kade in.

Kweldam

Een dam of dijk die op enige afstand van de rivierdijk wordt aangelegd om overlast door kwelwater in het achterliggende gebied te voorkomen. De kwelkade is vaak met de uiteinden met de rivierdijk verbonden. Kwel is waarschijnlijk pas een probleem geworden door de inklinking van het land in de laagveenontginningen, en dan met name op die plaatsen waar de rivierbodem niet bestaat uit een laag klei. De term wordt ook gebruikt voor alleenstaande kades langs een wetering of een (ander) boezemwater.

Landscheiding

Een lage dijk of kade die de grens vormt tussen twee poldergebieden (of waterschapsterritoria).

Leidijk

Leidijken moesten voorkomen dat moerassen met een defensieve functie ontwaterden omdat dan hun werking als militaire barrière werking verloren ging. Dit type dijk valt dus onder de militaire werken. Doordat het drassig houden van terreinen niet strookte met pogingen van de bewoners om stukken te ontginnen en te ontwateren stuitten die leidijken op veel bezwaar. Ze werden slecht onderhouden en raakten snel in verval. Later werden leidijken net aangelegd om vernatting van het gebied van buitenaf te voorkómen. Delen ervan zijn nog steeds zichtbaar in het landschap, onder meer bij Bourtange (Groningen).

Ringdijk

Een ringdijk is een dijk die werd aangelegd rond een plas die drooggelegd ging worden. Hieromheen werd een ringvaart gegraven waarop het water uit de plas geloosd kon worden. Een ander type ringdijk vormen de dijken die in het rivierengebied werden aangelegd rond een bepaald dorp en zijn akkers. Deze dijken dienden een lokaal belang en zijn ouder dan de rivier - begeleidende bedijking.

Schaardijk/Schoordijk

Een schaardijk is een dijk die weinig of geen voorland heeft. Het water staat bij de gemiddelde waterstand tot bij de teen van de dijk.

Schenkeldijk/Schinkeldijk

Een schenkeldijk is een dijk die twee andere dijken verbindt. Zo'n dijk wordt in Friesland ook arm- of dwarsdijk genoemd.

Slaperdijk

Een dijk die als extra beveiliging is aangelegd achter de bestaande dijk, of een dijk die doordat er dichter bij het water een nieuwe en hogere waterkering is aangelegd geen primaire waterkering meer is. De slaperdijk wordt pas waterkerend als de eerste dijk bezweken is.

Stuifdijk/Zanddijk

Een stuifdijk wordt aangelegd om duinvorming te stimuleren, op plekken waar de kust of een eiland bedreigd wordt. Dit type dijk komt nu nog op de waddeneilanden voor, maar ze zijn uit het verleden ook bekend uit de Kop van Noord-Holland en de omgeving van Westkapelle. Ze worden ook wel zanddijken genoemd. De gevormde duinen moesten als waterkering gaan fungeren. Een ander doel was het creëren van een ophoging van het in de luwte gelegen deel van het buitendijkse land, dat daarna ingedijkt kon worden. Zanddijken konden dus zowel een defensief als een offensief doel hebben. Stuifwallen zijn ook aangelegd in het binnenland, om de uitbreiding of verplaatsing van stuifzand te voorkomen.

Vingerling

'Vingerling' is in het rivierengebied de naam voor een dijk die rond een wiel wordt gelegd om na een doorbraak de dijk weer aaneengesloten te maken. Het wiel was vaak te diep om te dempen of er een dijk doorheen te leggen.

Wakerdijk

Een wakerdijk is de dijk die onmiddellijk langs het water ligt. Dit type komt voor als zeedijk en als rivierdijk.

Wierdijk

Een wierdijk is een dijk met een versterking door een laag van wier (eigenlijk zeegras) aan de zeezijde. Dit is een oud type dijk, dat veel onderhoud vereiste. Na het massaal optreden van de paalworm in 1732 verloor dit type dijk aan betekenis. Hét voorbeeld van een wierdijk ligt bij het voormalige eiland Wieringen. Deze dijk bestaat vrijwel geheel uit wier en dateert uit de 16e eeuw.

Winterdijk

Een winterdijk is een dijk langs rivieren die hoog en zwaar genoeg is voor de hoogste waterstand.

Zijd(e)wende

Een zijdewende (ook wel ziendijk of zuwe genoemd) is een loodrecht op de stroomrichting van de rivier liggende dijk. Deze moet het gebied beschermen dat benedenstrooms van deze dijk ligt. Dit is een typisch voorbeeld van een dijk met een regionaal belang, want ze veroorzaakte overlast voor het stroomopwaarts liggende gebied. Er ontstonden dan ook regelmatig conflicten rond deze dijken. Sommige auteurs gaan ervan uit dat zijdewenden pas werden aangelegd toen er al lokale dijken langs de rivieren lagen. De aanleg van zijde wenden zou dan de eerste activiteit van een opgericht waterschap kunnen zijn en daarmee een meer dan lokale betekenis hebben. Door de aanleg van aaneengesloten rivierdijken hebben deze dwars dijken hun functie verloren.

Zomerdijk

Een zomerdijk is een lage dijk die de in de zomer voorkomende relatief lage waterstanden kan keren.

Ecologische waarden en potenties

De ecologische waarde van dijken is afhankelijk van het gebied waarin de dijk ligt, het type dijk en het materiaal waarvan de dijk is gemaakt. Bijzondere waarden hebben de taluds: de zuidhelling levert extra warmte op en de noordhelling meer afkoeling en schaduw. De waarde die dat toevoegt aan de natuur is vooral groot als het omringende gebied verder vlak is.

Ook de wijze van beheer heeft veel invloed op de ecologische waarde. Dijken werden vaak begraasd, waardoor een mate van verschraling optrad. Begrazing vond het meest intensief plaats op dijken die niet langer een waterkerende functie hadden. Een té sterke verschraling kan namelijk gevaar opleveren voor de kwaliteit van de dijk en is op waterkerende dijken ongewenst: de zode wordt minder dicht. Sterke verschraling zien we bijvoorbeeld op landinwaarts gelegen dijken in Zuid-Beveland en op Goeree-Overflakkee. Daar worden ze bloemdijken genoemd. Soorten die voorkomen zijn de gewone agrimonie, kleine ratelaar, fijne ooievaarsbek, ruige anjer, rode ogentroost, wilde marjolein, knoopkruid en glad walstro.

Doordat de Zeeuwse dijken kalkrijk zijn komen daar planten op voor die ook in Zuid-Limburg, in kalk - rijke duinen en het rivierengebied zijn te vinden. Aan de teen van dijken staat soms wat struweel, of een rij knotbomen. Dijken die hun waterkerende functie hadden verloren werden vaak met bomen (bijvoorbeeld fruitbomen) beplant, waardoor ze voor een extra opbrengst zorgden. Een bijzonderheid van de zeezijde van zeedijken is dat daar soorten staan die bestand zijn tegen de zoute zeewind, zoals Engels gras en blauwe zeedistel.

De vegetatie van dijken is vaak interessant vanwege de door de rivier verspreide plantensoorten. Men spreekt in dit verband van stroomdalflora, een opvallende soort is het groot streepzaad. Dijken die geen waterkerende functie meer hebben, kunnen begroeid raken met bomen en struikgewas. Er kan een ondergroei ontstaan van schaduw minnende planten als salomonszegel, daslook, eikvaren en stekelvarens.

De zonnige kant van een dijk is waardevol voor vlinders en andere warmteminnende insecten zoals keversoorten, sprinkhanen (zoals de greppelsprinkhaan) en krekels. Veel dijken zijn een leefgebied van kleine zoogdieren, amfibieën en mogelijk reptielen. Ook leven er bijzondere slakkensoorten en profiteren vogels als patrijs, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, braamsluiper, en steenuil (in de wilgen) van de dijkbiotoop. Vaak staat er op of langs dijken een struweelachtige begroeiing, met soms bomen. Daardoor krijgen ze mogelijk een extra ecologische betekenis, denk daarbij aan soorten als de geelgors en de St. Jacobsvlinder. Struiken en bomen op dijken trekken soorten als wielewaal, koekoek en zomertortel.

Doordat dijken vaak erg lang zijn kunnen ze een verbinding vormen tussen (natuur-) gebieden en zijn ze belangrijk voor de ecologische structuur. Vaak worden dijken minder intensief beheerd dan het omringende gebied, waardoor voor meerdere soorten interessante leefgebieden ontstaan. Extra waardevol wordt de vegetatie wanneer er geen boombeplanting op de dijk aanwezig is, er geen weg overheen loopt en de gebruikte grondsoort vrij licht is.

Moderne dijken worden vaak van voedselrijke klei gemaakt en zijn wat dat betreft uniformer van samenstelling dan oude dijken. Bij de oude dijken zorgde die variatie voor extra overgangen, oftewel gradiënten, wat de natuurwaarde weer vergroot.

Té intensief gebruik van de dijk kan ook de ecologische waarde verminderen, bijvoorbeeld een te intensieve begrazing of beschadiging door te zwaar maai- en afruimmaterieel. Het inwaaien van meststoffen maakt de vegetatie minder schraal en daardoor gewoonlijk ook minder waardevol. Een vergelijkbare achteruitgang kan veroorzaakt worden door zure regen.Een schrale kruiden - vegetatie komt onder druk door de aanplant van bomen en struiken.

Literatuur

  • Baas, H. (1995), Dijken door het moeras: leidijken in Drenthe en Westerwolde, Historisch geografisch tijdschrift 13, pp. 91-100.
  • Barends, S. e.a. (red.) (2000), Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Matrijs, Utrecht. (8e druk)
  • Gottschalk, M.K.E. (1969), De Zanddijk bij Egmond en zijn legenden. K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift 3, pp. 111-117.
  • Gouw, J.L. van der (1987), De landscheidingen tussen Delfland, Rijnland en Schieland. Hilversum.
  • Hacquebord, L. en A.L. Hempenius (1990), Groninger dijken op Deltahoogte. Groningen.
  • Halfwerk, W. (red) (1998), Bloemdijken in de zak van Zuid-Beveland. Beheer en inrichting van een bijzonder natuurelement. Uitgave Zeeuwse Milieufederatie, Landschapsbeheer Zeeland en Natuurmonumenten.
  • Harten, J.D.H. (1991), Het rivierkleilandschap. S. Barends e.a., Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Utrecht.
  • Hosper, U., P. Karstkarel, S. van der Woude (2001), De Slachte: de oude dijk, de geschiedenis, de landschappen, de dorpen, de marathon. Ljouwert.
  • Renes, J. 1995), Dijken langs de Limburgse Maas. Historisch-geografisch Tijdschrift 13, pp. 1-8.
  • Rienks, K.A. (1958), De dijken in Friesland, alsmede hun beheer en onderhoud tot ca. 1500. Tijdschrift voor economische en sociale geografie 49, 231-235.
  • Rienks, K.A. en G.L. Walther (1954), Binendiken en slieperdiken yn Fryslân, 2 delen. Bolsward.
  • Schoorl, H. (1973), Zeshonderd jaar water en land. Bijdrage tot de historische Geo- en Hydrografie van de Kop van Noord-Holland in de periode 1150-1750. Groningen.
  • Stol, T. (1993), Wassend water, dalend land. Geschiedenis van Nederland en het water. Utrecht/Antwerpen.
  • Ven, G.P. van de (1993), Leefbaar Laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland. Utrecht.
  • Verlouw, H. (2002), Dijkverbetering tussen natuur, cultuur en historie. Groen 58, nr. 1, pp. 24-30.
  • Visser, M. de (samenst.) (2006), Van ruigte tot bloemenzee. Brochure over het dijkenbeheer in Zeeland. Uitgave Provincie Zeeland. (Milieureeks nummer 28)
  • Vlam, A.W. (1950), Dwarsdijken en binnedijken in de Betuwe. H. Egberts, De Bodemgesteldheid van de Betuwe. De Bodemkartering van Nederland, deel VIII. Wageningen/Den Haag. pp. 74-77.

Websites en organisaties

Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 24 aug 2023 om 02:02.