Archeozoölogie - gewervelde dieren

Versie door Dvmersbergen (overleg | bijdragen) op 1 okt 2021 om 09:07
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Introductie[bewerken]

Dierlijke resten worden veelvuldig in archeologische vindplaatsen aangetroffen. Een logisch gevolg van de sterke verbondenheid tussen mens en dier.

In het kort

Doel: reconstructie relatie mens-dier in allerlei facetten (van economisch tot sociaal en cultureel)
Bruikbaar voor: beschrijven dierlijke component van de relatie mens-dier.

Nodig: grondmonsters en/of handmatig verzameld materiaal – afhankelijk van de vraagstelling.
Zoals we het ons voorstellen: de jager gebruikte een fuik om zijn vis binnen te halen. Visresten belanden na de maaltijd in een afvalkuil rond het kamp om uiteindelijk in een zeefresidue weer naar boven te komen.
Zoals we het ons voorstellen: de jager gebruikte een fuik om zijn vis binnen te halen. Visresten belanden na de maaltijd in een afvalkuil rond het kamp om uiteindelijk in een zeefresidue weer naar boven te komen. Foto: preHistorisch Dorp.
Opgegraven en schoongemaakte resten van een paard uit de Romeinse tijd.
Opgegraven en schoongemaakte resten van een paard uit de Romeinse tijd, aangetroffen in Naaldwijk-Zuidweg/Hogeland. Foto: Provinciaal Archeologisch Depot provincie Zuid-Holland.
De resten van een varken uit de dertiende eeuw, aangetroffen in een opgraving in Hoogwoud.
De resten van een varken uit de dertiende eeuw, aangetroffen in een opgraving in Hoogwoud.

In het verleden zijn dieren gejaagd en gegeten, gefokt en gebruikt als last- of trekdier. Skeletresten, pezen, huiden, hoorn en gewei kregen een tweede leven als artefact, vlees werd geconsumeerd. In veel gevallen liet dit gebruik resten achter in de vorm van slachtafval, keuken- en maaltijdresten, objecten van dierlijke producten en het afval dat daarbij ontstaat, en bijvoorbeeld ‘ongedierte’. Daarnaast horen bij deze vondstcategorie ook de kadavers van (ritueel) begraven dieren. De archeozoölogie bestudeert deze resten en kijkt daarbij naar soortdeterminatie, leeftijd, samenstelling skeletelementen, postuur van de dieren, diversiteit en kwantiteit, slacht- en andere bewerkingssporen en nog veel meer. Op basis van de gegevens worden vervolgens interpretaties gegeven van onderwerpen als dieet en voedselbereiding, jacht, over het veeteeltbeleid, over het al dan niet gebruik van trekkracht, over het welzijn van landbouwdieren, migratiepatronen, seizoensactiviteiten, handel en rituele gebruiken. Dit zijn vervolgens indicatoren voor status, welstand, sociale identiteit en sociale en culturele gebruiken.

Kansen en beperkingen

Archeozoölogisch onderzoek biedt mogelijkheden om een scala aan vraagstukken te beantwoorden, die o.a. inzicht geeft in de brede mogelijkheden die de mens had in de voedselstrategie en gebruik van dierlijke producten, materialen en resten. Per vondsttype variëren de mogelijkheden. Wanneer er sprake is van voedselresten kunnen we een idee krijgen van het dieet in zijn algemeenheid. Er kan echter ook gekeken worden naar seizoensmatige exploitatie, selectieve jachtmethoden, slachtmethoden, rituele gebruiken (bij deposities in graven of bouwoffers bijvoorbeeld) en bijvoorbeeld de ontwikkeling van de veestapel (op basis van afmetingen van botten). Wanneer skeletten in anatomisch verband worden aangetroffen kunnen daaruit andere conclusies worden getrokken. Vaak betreft het dan huisdieren die in principe niet gegeten zijn, zoals paarden, katten en honden. Het gaat hierbij vrijwel altijd om intentionele begravingen van gekoesterde of zieke dieren, of bewust geofferde dieren. Werktuigen en objecten gemaakt van dierlijk materiaal zijn tweeledig interessant: als aanwijzing voor de soorten die mensen door middel van jacht of fok tot hun beschikking hadden en als artefact dat bewonderd of gebruikt werd.

Beperkingen in het onderzoek worden bepaald door de mate van conservering vooraf. Het al dan niet bewaard blijven van botmateriaal wordt sterk beïnvloed door de samenstelling van de bodem. Direct na depositie treedt degradatie in: bacteriën en schimmels tasten het bot aan, tenzij er sprake is van een hoge grondwaterspiegel en het materiaal beschermd wordt door een zuurstofarme omgeving, bijvoorbeeld als gevolg van snelle afdekking. Ook in een zure omgeving gaat het bot snel achteruit: het elastisch collageen en het minerale apatiet waaruit bot bestaat hebben in deze omstandigheden sterk te leiden onder chemische degradatie. Wordt er niet gezeefd, dan wordt een groot deel van het kleine (gefragmenteerde) botmateriaal gemist.

Hoe neem je een monster?

Monstername hangt nauw samen met het vondsttype (artefact, slachtafval), de vraagstelling en wat het beoogde vervolgonderzoek is. Botresten kunnen handmatig verzameld worden maar dan wordt altijd een deel van het materiaal gemist. Vogel- en visresten zijn bijvoorbeeld klein en zullen alleen in zeefresidues aangetroffen worden. Het is belangrijk dat botresten langzaam worden gedroogd en daarna droog worden bewaard.

Een complete depositie van een dierlijk skelet dat in anatomisch verband wordt aangetroffen, moet bij voorkeur behandeld worden als een menselijke inhumatie. Dit kan het best door een specialist gebeuren. Objecten gemaakt van dierlijk materiaal dienen in zipzakjes verpakt te worden en mogen niet uitdrogen. Indien er een vermoeden is van microscopische bewerkings- of gebruikssporen dienen er maatregelen genomen te worden om extra sporen te voorkomen (niet over een metalen zeef, niet schoonmaken met een borstel).

In de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA, SIKB) zijn de meest recente eisen aan het specialistisch onderzoek en de behandeling van alle artefactcategorieën opgenomen.

Combineren met andere methoden

Archeozoölogisch onderzoek richt zich in het algemeen op macroscopische informatie: de determinatie van het materiaal en het daaruit af te leiden gebruik door de mens en het omliggende milieu. Aanvullend onderzoek kan bestaan uit DNA-analyse, 14C-datering bij (on)verbrand materiaal, microscopisch gebruikssporenonderzoek bij artefacten, en isotopenonderzoek ten bate van dieet- en herkomstreconstructie.

Hoe interpreteer ik mijn resultaten?

De interpretatie van de gegevens is afhankelijk van de context van de vondsten en zal in nauw overleg tussen de specialist en de andere onderzoekers moeten gebeuren. Data en interpretatie zullen over het algemeen aangeleverd worden in de vorm van een rapport of aanvullend hoofdstuk, vergezeld van een database.

Resultaten delen

Alle onderzoeksresultaten, verkregen bij de specialist, dienen in de basisrapportage te worden weergegeven en met alle andere gegevens en primaire data te worden gedeponeerd in het e-depot voor de Nederlandse archeologie: https://easy.dans.knaw.nl/. De specialistische resultaten worden tevens gedeeld in het attenderend systeem voor archeozoölogische informatie BoneInfo. De gebruikte meet- en analysemethodes en referentiecollecties, methode van monstername en behandeling, hoeveelheden monsters en metingen, relativering van data-precisie, en eventuele overwegingen/aanpassingen moeten worden gerapporteerd. Deze zijn van belang voor vervolgonderzoek, maar ook voor de vergelijking met onderzoek op andere sites.

Specialistisch onderzoek wordt bij voorkeur opgezet als onderdeel van interdisciplinair archeologisch onderzoek, waarbij de verschillende deelstudies in samenhang met overkoepelend onderzoek worden uitgevoerd, geïnterpreteerd en gerapporteerd.

Lees verder

  • Lauwerier, R.C.G.M., 2011: KNA Leidraad Archeozoölogie (www.sikb.nl).
  • Carmiggelt, A. & P.J.W.M. Schulten 2002: Veldhandleiding Archeologie, Leidraad 1 (www.sikb.nl).
  • Ervynck, A., 2004: The past is a distant planet: reasons to integrate environmental data into archaeological interpretations, in: D. Callebaut, A.E. Killebrew & N.A. Silberman (eds), Interpreting the past. Presenting Archeaological sites to the public (1), 97-118.
  • Ervynck, A., 2012: Archeologie laat de dieren spreken, Tijdschrift voor Geschiedenis 125 (4), 476-487.

Tekst: Yvonne Lammers, Echo information design, met medewerking van Joyce van Dijk en Kinie Esser (Archeoplan Eco), Roel Lauwerier en Bjørn Smit (RCE).

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 1 okt 2021 om 09:07.