Cultuurgoederen WOII (1933-1945) - geschiedenis Nederlands restitutiebeleid

Versie door RCEbot (overleg | bijdragen) op 6 feb 2024 om 03:07
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Introductie

Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de aanloop daar naartoe (1933-1945) zijn tienduizenden kunstvoorwerpen vanuit Nederland in nazi-Duitsland terechtgekomen. Bijvoorbeeld door verkoop, maar ook door roof of confiscatie. Een deel van deze werken is na de oorlog in Nederland teruggekeerd . Hoe Nederland sinds 1945 omgaat met het teruggeven (restitutie) van de objecten aan de rechtmatige eigenaren, wordt hier beschreven.

Zwart-witfoto van een aantal soldaten die een trap aflopen met schilderijen in hun handen
Amerikaanse militairen en James Rorimer van de Monuments, Fine Arts, and Archives (MFAA) dragen kunstwerken uit het kasteel Neuschwanstein, Duitsland, mei 1945. Foto Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / fotograaf onbekend.

Na-oorlogse jaren - 1945-1955

In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werden kunstwerken die aangetroffen waren in het verslagen Derde Rijk en evident uit Nederland kwamen, teruggezonden door de geallieerde macht. Hierbij kreeg de Nederlandse Staat de opdracht zorg te dragen voor restitutie aan de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen. Een deel van de gerecupereerde stukken is na de oorlog teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren. Onder de regels van het toenmalig rechtsherstel kwamen vrijwillig tijdens de oorlog verkochte werken in principe niet voor restitutie in aanmerking. Van een deel van de teruggezonden kunstwerken kon geen eigenaar worden opgespoord. Een gedeelte werd geveild. De rest kwam onder beheer van de Staat en werd ondergebracht in de Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie), onderdeel van de rijkscollectie. Vanaf eind jaren vijftig tot medio jaren negentig was er nauwelijks belangstelling voor deze collectie. Af en toe werd er een verzoek tot teruggave van voorwerpen bij de Staat ingediend. Voor deze verzoeken gold het civiele recht. Verjaringstermijnen stonden teruggave veelal in de weg.

Hernieuwde aandacht - 1995

In 1995 ontstond er internationaal ophef over een Zwitserse bankschandaal dat betrekking had op joodse tegoeden. Wereldwijd leidde dat tot hernieuwd onderzoek naar geroofde joodse tegoeden en nazi-roofkunst. Het leidde ook tot de formulering van internationale principes over hoe om te gaan met kwesties als onderzoek en teruggave. In Nederland werd onder andere besloten een proefonderzoek te doen naar de NK-collectie.

Proefonderzoek - 1997

In 1997 werd de Commissie Ekkart, onder leiding van prof. dr. R.E.O. Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), belast met de begeleiding van een proefonderzoek naar de herkomst van de NK-collectie. Doel was vast te stellen voor welke voorwerpen de registratie geen informatie verschafte over de voormalige eigenaren en na te gaan of de ontbrekende informatie aangevuld kon worden met gegevens uit onder andere het RKD en/of het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Op basis van resultaten van het proefonderzoek werd in 1998 besloten tot verder onderzoek naar de NK-collectie. Het feitelijke herkomstonderzoek werd uitgevoerd door een speciaal daarvoor in het leven geroepen projectbureau Herkomst Gezocht (BHG).

Nieuw restitutiebeleid - 1997

Tegelijkertijd werd er nagedacht over de noodzaak en de inhoud van een nieuw restitutiebeleid met betrekking tot de NK-collectie. Vanaf 1997 werd het volgende beleid afgekondigd: de Staat zou zich niet meer op verjaring van een ingediend verzoek beroepen, maar wel kijken of de zaak na de oorlog al voor rechtsherstel in aanmerking was gekomen. Indien dat het geval was, werd het verzoek direct afgewezen, tenzij er sprake was van nieuwe feiten (nova). Nieuwe verzoeken werden wel in behandeling genomen en vervolgens naar de regels van vlak na de oorlog beoordeeld. De Inspectie Cultuurbezit werd belast met het onderzoek naar ingediende verzoeken.

Washington Principles - 1998

In 1998 vond in Washington een conferentie plaats over de omgang met nazi-roofkunst. De conferentie resulteerde in de Washington Principles die door 44 landen, waaronder Nederland, werden onderschreven. De Washington Principles zijn in 2009 aangevuld met de Terezín Declaration, die ook door Nederland is ondertekend. Samengevat pleiten de uitgangspunten voor identificatie en publicatie van nazi-roofkunst, open en toegankelijke archieven voor onderzoekers, een teruggavebeleid gebaseerd op redelijkheid en billijkheid en een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Dit laatste heeft in Nederland vorm gekregen met de instelling van de Restitutiecommissie in 2001.

Advisering over en verbetering van het restitutiebeleid

De Commissie Ekkart had niet alleen tot taak het begeleiden van het herkomstonderzoek, maar had ook als taak om de regering te adviseren over haar restitutiebeleid. Dit leidde tot drie adviezen. Daarnaast heeft de Raad voor Cultuur in 2012 advies uitgebracht over het restitutiebeleid. De bewindspersonen van OCW hebben in Kamerbrieven steeds laten weten of en hoe de aanbevelingen worden overgenomen. De aanbevelingen van de commissies-Ekkart vormen de basis voor het huidige restitutiebeleid, waaronder het beoordelingskader van restitutieverzoeken.

(Een overzicht van de aanbevelingen inclusief een uitgebreide toelichting staan in het artikel Aanbevelingen op deze Kennisbank.)

Eerste advies

In april 2001 adviseerde de Commissie Ekkart voor het eerst de regering. Deze aanbevelingen hadden betrekking op de teruggave van particulier bezit. In die aanbevelingen onderschreef de Commissie het in maart 2000 door de regering ingenomen standpunt dat het rechtsherstel van na de Tweede Wereldoorlog niet diende te worden overgedaan. Tegelijkertijd adviseerde de Commissie de regering om af te stappen van een juridische benadering van verzoeken tot restitutie en te kiezen voor een meer moreel-beleidsmatige benadering. De Commissie beoordeelde het naoorlogse restitutiebeleid als formalistisch, bureaucratisch, kil en vaak zelfs harteloos. De regering heeft de aanbevelingen overgenomen. Hiermee was het verruimde restitutiebeleid een feit. In dit kader paste ook het instellen van een adviescommissie ter beoordeling van restitutieverzoeken, zoals aanbevolen door de Washington Principles. Deze adviescommissie kwam er in 2001 met de oprichting van de 'Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog', kortweg de Restitutiecommissie.

Tweede advies

In februari 2003 presenteerde de Commissie Ekkart een tweede set aanbevelingen. Deze had betrekking op het bezit van kunsthandelaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. In december 2003 nam de regering deze aanbevelingen over.

Derde advies

In december 2003 kwam de derde set aanbevelingen van de Commissie Ekkart uit. Daarin werd onder ander geadviseerd om de termijn voor het indienen van restitutieverzoeken op basis van het verruimde beleid te beperken tot twee jaar nadat het regeringsstandpunt hierover was vastgesteld. Op 8 maart 2005 stemde de Ministerraad in met de slotaanbevelingen. Tevens werd bekend gemaakt dat particulieren wier kunst tijdens de Tweede Wereldoorlog was geconfisqueerd tot 4 april 2007 restitutieverzoeken konden indienen die door de Restitutiecommissie beoordeeld zouden worden aan de hand van het verruimde beleid. Op 3 april 2007 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Tweede Kamer bericht dat de actieve zoektocht naar oorspronkelijke eigenaren zou worden afgesloten per 4 april 2007. Restitutieverzoeken die na deze datum zouden worden ingediend, zouden niet conform het verruimde beleid worden beoordeeld. Naar aanleiding van dit bericht heeft de Tweede Kamer vragen gesteld. Op 30 mei 2007 heeft de minister van OCW deze vragen beantwoord. Een wijziging in de einddatum van het verruimde beleid werd niet doorgevoerd. Echter, bij brief van 10 juli 2009 kondigde de minister van OCW aan dat het verruimde restitutiebeleid voorlopig voortgezet werd. Zo werd een consistente en gelijke behandeling van verzoeken ingediend tussen 4 april 2007 en juli 2009 bewerkstelligt. Ook kon er zo rekening worden gehouden met de te verwachten resultaten van het vijf jaar durende museumonderzoek dat begin 2009 van start was gegaan. Daarbij werd aan de Tweede Kamer meegegeven dat nog niet goed in te schatten was wanneer het aantal verzoeken zou opdrogen, maar wel dat met de afronding van het museumonderzoek het einde in zicht kwam van een belangrijk hoofdstuk van het rechtsherstel. De minister van OCW meldde in zijn brief dat, mede in het licht van de internationale ontwikkelingen op het terrein van restitutie van oorlogskunst, hij zich zou beraden over de vraag op welke wijze en binnen welke termijn het verruimde restitutiebeleid en daarmee ook de werkzaamheden van de Restitutiecommissie beëindigd zouden kunnen worden.

In eerste instantie was het de bedoeling het verruimde beleid en advisering te laten gelden voor de NK-collectie. Op verzoek van de Tweede Kamer werden daaraan restitutieverzoeken op werken uit de rijkscollectie en verzoeken op werken niet in bezit van de rijksoverheid toegevoegd. Bepaald was dat restitutieverzoeken op werken uit de eerste twee categorieën beoordeeld zouden worden met inachtneming van het rijksbeleid ter zake (de aanbevelingen van de Commissie Ekkart). Restitutieverzoeken op werken die niet in bezit van de rijksoverheid waren zouden, mits beide partijen daarmee instemden, beoordeeld worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Vanaf 2008 werd de mogelijkheid opengesteld om de minister te verzoeken om een hernieuwd advies indien er sprake was van relevante nieuwe feiten (nova) die geleid zouden hebben tot een andere conclusie en/of er fouten gemaakt zouden zijn tijdens de eerdere procedure waardoor de fundamentele belangen van een verzoeker zouden zijn geschaad.

Vierde advies

Medio 2012 vond na advisering door de Raad van Cultuur een volgende beleidswijziging plaats. Onder de oude situatie werden alle verzoeken voor rijkscollectiezaken (inclusief werken uit de NK-collectie) beoordeeld conform het rijksbeleid. In de rijkscollectie bevinden zich echter ook vele werken die vele jaren na de Tweede Wereldoorlog op reguliere wijze zijn verworven. Het verschil in herkomst van de NK-collectie enerzijds en de reguliere rijkscollectie anderzijds rechtvaardigde een meer gedifferentieerde behandeling van verzoeken. Het beleid met betrekking tot de NK-collectie laat namelijk geen ruimte om de wijze waarop een kunstwerk is verworven, of mogelijke andere betrokken belangen, te verdisconteren in de uitkomst van een advies van de Restitutiecommissie. De behandeling van restitutieverzoeken met betrekking tot de rijkscollectie niet zijnde de NK-collectie, werd daarom in 2012 gelijkgetrokken met de behandeling van restitutieverzoeken op werken van anderen dan de rijksoverheid, dus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarin is meer ruimte voor de weging van feiten, omstandigheden en de diverse betrokken belangen. Sinds 30 juni 2015 werden verzoeken voor werken uit de NK-collectie ook behandeld conform de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, waarbij rekening gehouden diende te worden met de specifieke herkomst van de kunstvoorwerpen uit de NK-collectie. In de praktijk betekende dit voor verzoeken uit de NK-collectie dat de roof en recuperatie uit Duitsland dermate zwaar wogen, dat andere belangen geen rol speelden bij beoordeling.

De Raad ging ook in op de duur van de verzoektermijn en de bestaansduur van de Restitutiecommissie. Volgens de Raad was het te vroeg om over een eindtermijn te praten en gaf aan dat daar eerst internationaal consensus over ontwikkeld zou moeten zijn. Met betrekking tot de bestaansduur van de Restitutiecommissie adviseerde de Raad de commissie in stand te laten totdat alle verzoeken die binnen twee jaar na het museumonderzoek zouden zijn ingediend, behandeld waren. Voor de (incidentele) verzoeken die hierna nog binnen zouden komen zou de minister van OCW zich kunnen laten adviseren door een ad-hoc-commissie. De adviezen van de Raad zijn overgenomen.

Aanpassingen - 2015

In 2015 schrijft Bureau Berenschot het rapport ‘Een toekomstgericht restitutiebeleid’. De regering heeft een aantal van de aanbevelingen uit dit rapport doorgevoerd: de adviesfunctie in individuele restitutieverzoeken is bij de Restitutiecommissie gebleven, de onderzoeksfunctie en de voorlichtingsfunctie is ondergebracht bij het Expertisecentrum Oorlogskunst Tweede Wereldoorlog bij het NIOD, en de leden van de Restitutiecommissie worden benoemd voor maximaal twee termijnen van elk drie jaar. In het Instellingsbesluit (2021) is dit te vinden. De procedure voor hernieuwd advies werd vervangen door de procedure tot heroverweging, waarbij in geval van nieuwe feiten (nova) kunnen verzoeker en bezitter kunnen vragen om een nieuw advies. Berenschot adviseerde tevens om het restitutiebeleid en de bijbehorende governancestructuur rond 2020 te evalueren.

Evaluatie en herziening - 2020

In 2020 heeft de commissie Evaluatie restitutiebeleid cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog onder leiding van mr. J. Kohnstamm (de zogenaamde commissie Kohnstamm) het beleid geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie 'Streven naar rechtvaardigheid' heeft de minister het restitutiebeleid herzien. Het beoordelingskader van de Restitutiecommissie is met inachtneming van de aanbevelingen aangepast en gepubliceerd in de Bijlage bij het herziene Instellingsbesluit Restitutiecommissie (Staatscourant 2021, 20304). De regering heeft voorts onder meer besloten het herkomstonderzoek te hervatten en de voorlichtingstaak onder te brengen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 6 feb 2024 om 03:07.