Hout - insectenaantasting en -bestrijding

Versie door WikiSysop (overleg | bijdragen) op 29 sep 2022 om 09:48 (Tekst vervangen - "|Gerelateerd=" door "|Gerelateerd aan artikel=")

Introductie

Verschillende insecten komen in hout voor en voeden zich ermee. Ze worden vaak ook houtwormen genoemd. Enkele van deze insecten kunnen hout ernstig aantasten en soms ook verzwakken. Alleen deze soorten insecten vragen om bestrijding, andere soorten niet. Waaraan herken je ze? Hoe ernstig kan de schade zijn? Wanneer is bestrijding nodig? En op welke manier? Daarover gaat dit artikel. Sommige insecten komen samen voor met schimmels of zwammen in het hout. Dan speelt dus ook schimmelaantasting en -bestrijding.

Uitvoeringsrichtlijn houtaantasting: bestrijding houtaantasting door insecten en zwammen in historische gebouwen (URL 5001): www.stichtingerm.nl/kennis-richtlijnen/url5001

Levenscyclus

Insecten zijn een groep van zespotige, ongewervelde dieren. Sommige daarvan, vaak kevers, komen in hout voor en voeden zich ermee. Kenmerkend voor deze insecten is dat ze tijdens hun leven van gedaante veranderen. Het jonge dier, de larve, verandert vroeg of laat in een volwassen dier, de kever. Beide lijken in de verste verte niet op elkaar.

Van ei naar larve

Vrouwelijke kevers zetten hun minuscule eitjes meestal af in allerlei openingetjes in het houtoppervlak. Uit deze eitjes komen larven. Zij boren gangen in het hout om zich ermee te voeden. Daarbij laten ze uitwerpselen in de gangen achter, het zogenoemde boormeel. Dit fijne houtpoeder komt soms ook naar buiten, vaak in kleine hoopjes onder het aangetaste hout. Het zijn de vretende en borende larven die maken dat hout gewicht en sterkte verliest.

Van larve naar kever

Als de larve volgroeid is, vaak na één tot zeven jaar, knaagt hij zich een weg tot dicht onder het houtoppervlak. Daar vormt de larve zich om tot een volwassen insect. De kever verlaat het hout - hij vliegt uit - door daarin een gaatje te knagen: de uitvliegopening. Het uitvliegen gebeurt meestal in het voorjaar of de zomer. De uitgevlogen kevers eten niet, ook niet van hout. Wel paren ze, leggen weer eieren en sterven; en dat vaak binnen enkele weken.

Soorten houtaantasters

In het hout komen verschillende insectensoorten voor. Maar niet iedere soort vraagt om bestrijding. Sommige soorten veroorzaken namelijk nauwelijks enige schade en kunnen niet overleven. Weer andere soorten verdwijnen als je de schimmels aanpakt waarmee ze samengaan. Kijkend naar de noodzaak om te bestrijden kunnen we houtaantastende insecten als volgt indelen: schadelijke insecten, niet-schadelijke insecten en schimmelafhankelijke insecten.

Schadelijk

Sommige insecten tasten niet alleen hout aan, maar blijven er ook in leven. Dit zijn de soorten die we moeten bestrijden (zie tabel 1). Tot deze groep behoren de drie meest voorkomende soorten: gewone houtwormkever, bonte knaagkever en huisboktor. De bonte knaagkever en de huisboktor tasten hout soms zodanig aan dat het zijn sterkte verliest. Meestal beperken de insecten uit deze groep zich tot het spinthout. Dat is het lichtgekleurde hout dat rondom het kernhout zit, de donkerdere kern van de boomstam. Maar enkele insectensoorten gaan verder. Zo is verspreiding door kernhout vaak wel mogelijk als daarin ook schimmels zitten. Verder verspreiden ze zich ook door kernhout bij houtsoorten zonder een kleurverschil tussen spint- en kernhout, zoals bij vuren en dennen. In deze gevallen tasten ze dus de gehele houtdoorsnede aan. Vanaf een bepaalde ouderdom van het hout zijn er zo veel voedingsstoffen verdwenen, dat het voor sommige insecten onaantrekkelijk is. Andere houden het in zeer droog hout niet vol, bijvoorbeeld na het installeren van centrale verwarming.

Niet-schadelijk

Sommige insecten in hout vragen niet om bestrijding. Het gaat om soorten die met het hout uit het bos zijn meegekomen (zie tabel 2). Ze komen voor in hout dat nog niet zo lang geleden in gebouwen is verwerkt, maar vaak ook in haardhout dat je naar binnen haalt. Ze blijven niet langdurig in leven in het hout, maar de uitvliegopeningen die ze erin achterlaten, lijken op die van andere, wel schadelijke insecten. Een deel van de larven kan zich in pas verwerkt hout nog omvormen tot volwassen insect en daarna uitvliegen. Maar de uitgevlogen insecten kunnen hun eieren niet afzetten in hout dat in gebouwen is verwerkt. Vanuit haardhout kunnen aantastingen ook niet overslaan op hout dat in gebouwen is verwerkt. Verdere aantasting blijft dan ook uit en tegenmaatregelen zijn overbodig. De insecten uit deze groep zijn niet zeldzaam.

Schimmelafhankelijk

Enkele insecten in hout zijn afhankelijk van schimmels, oftewel zwammen. Bij aantasting door deze insecten moeten we de schimmels aanpakken die ermee samengaan. De snuitkever (Pentarthrum huttoni) en de heipaalkever (Nacerdes melanura) leven uitsluitend in vochtig, rottend hout. Beide zijn zeer zeldzaam. Droog hout zonder aantasting door schimmels kunnen ze niet aantasten. Maatregelen tegen deze insecten bestaan uit het vervangen van hout met schimmelaantasting en het drogen van vochtig hout. Meer is niet nodig.

Onschuldige dubbelgangers

In gebouwen komen meerdere insecten voor die hout niet als voedsel gebruiken, maar die wel doen denken aan houtaantastende insecten (zie tabel 3). Deze onschuldige dubbelgangers veroorzaken op twee manieren verwarring. Ze kunnen als volwassen insect, als kever dus, lijken op een houtaantaster. Soms komen ze zelfs voor in de oude uitvliegopeningen van houtaantasters. Verder ontstaat er verwarring als dubbelgangers gangetjes in hout boren die lijken op de uitvliegopeningen van houtaantasters. Het gaat om ondiepe gangetjes, soms tot vijftien millimeter diep, die ze in hout boren om zich daarin te verschuilen. Dubbelgangers vragen niet om een behandeling van het hout. Om ze te bestrijden hoef je meestal alleen hun voedingsbron te verwijderen, zoals aangetaste levensmiddelenvoorraden en vogelnesten in het gebouw of onder de dakpannen.

Werkwijzen

Houtaantastende insecten komen al eeuwenlang in onze gebouwen voor. Eeuwenlang ook was er één aanpak: af en toe vonden er kleine herstellingen plaats als dat nodig was. Meer niet. Hout droog houden hielp ook om aantastingen door insecten te vertragen of te voorkomen. Pas vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw vinden er bestrijdingen plaats zoals we die nu kennen. Dit gebeurde met toen nieuw ontwikkelde chemische bestrijdingsmiddelen.

Bestrijden in het verleden

Bestrijden met chemische middelen kwam midden vorige eeuw op. De eerste bestrijdingsbedrijven stammen ook uit die tijd. Op dat moment was het onderhoud van veel gebouwen gebrekkig. Daarnaast was het gebruikte naaldhout niet meer van de kwaliteit zoals vroeger. Snellere groei van het hout deed de kwaliteit achteruitgaan. Het slechte onderhoud en de lagere houtkwaliteit werkten beide insectenaantastingen in de hand. Daar bovenop kreeg Nederland voor het eerst te maken met een keversoort die snel ernstige schade kan veroorzaken: de . Bovendien waren moderne houtconstructies aanzienlijk dunner en slanker dan voorheen. Statische berekeningen maakten dit mogelijk. Deze dunnere constructies waren kwetsbaarder bij insectenaantasting. Ten slotte wist nog niemand van de risico’s van chemische bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid en het milieu. Dit alles bij elkaar leidde tot een ruim gebruik van deze middelen: door al het zichtbare en vrijliggende hout ermee te behandelen, ook bij een plaatselijk insectenprobleem, en door houtconstructies zonder insectenproblemen te behandelen, zogenoemde preventieve bestrijdingen.

Huidige benadering

Tegenwoordig staat het verantwoord gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen meer centraal. We weten vandaag de dag beter wat werkt en wat niet werkt bij chemische bestrijdingen. Ook is nu duidelijker wat nodig is om te behandelen en wat niet. Voorop staat dus dat we chemische bestrijdingsmiddelen alleen gebruiken als dat nodig en effectief is, en alleen daar waar dat zo is; dus vaker plaatselijk als dat kan. Monumenten hebben daarbij belangrijke pluspunten. Ze bestaan vaak uit zware, dikke constructies van langzaam gegroeid hout van hoge kwaliteit. Insectenaantastingen verlopen daardoor trager, komen plaatselijker voor en leiden minder snel tot constructieve problemen. Bovendien komen sommige aantasters minder vaak in monumenten voor, omdat het hout te oud is. De is daar een voorbeeld van. Ook vinden in veel grotere monumenten (twee)jaarlijks onderhoudsinspecties plaats, bijvoorbeeld door de Monumentenwacht. Nieuwe aantastingen vallen daardoor op tijd op. Dit alles maakt tegenwoordig een meer beredeneerde bestrijdingswijze mogelijk. Verderop in dit artikel staat wat dit betekent voor de belangrijkste houtaantasters (zie Schade en aanpak).

Stappenplan

In de aanpak van insectenaantastingen staat één ding voorop: een nauwkeurige beoordeling van het probleem. Onmisbaar daarin is een juiste bepaling van de soort. Welk insect is het? Verder moeten de omvang en de mate van de aantasting duidelijk zijn. Is die plaatselijk of wijdverspreid? Is die beperkt of ernstig? Ook belangrijk is de vraag of de insecten actief zijn, of dat er juist geen levende dieren meer in het hout voorkomen. Dit alles moet duidelijk zijn voordat je tegenmaatregelen neemt. Roep daarbij hulp en advies in van een bestrijdingsbedrijf met ervaring in historische gebouwen. Meerdere bedrijven zijn ERM-gecertificeerd (Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg) voor het werken in monumenten (zie Nuttige (web)adressen). Een goede aanpak bestaat uit de volgende vier stappen.

Stap 1: opsporen

Het is belangrijk de gehele constructie te laten nalopen op tekenen van insectenaantasting: uitvliegopeningen, boorgangen en boormeel op of naast het hout. Dit kan vaak visueel, maar soms ook door met een scherp voorwerp in verdachte plaatsen te steken. Aantastingen kunnen wijdverbreid voorkomen, maar soms ook zeer plaatselijk. Op bepaalde plaatsen komen eerder aantastingen voor: in het spinthout, op warmere plaatsen zoals door de zon beschenen constructies of rondom schoorstenen, en daar waar het hout langdurig vochtig is, zoals op plaatsen met gebrekkige ventilatie of waar steeds wat water binnendringt. Tabel 1 toont de meest voorkomende aantastingslocaties van de belangrijkste insecten.

Stap 2: soort bepalen

Het soort insect bepaalt wat nodig is. Afhankelijk van de insectensoort is een bestrijding nodig (insecten uit tabel 1), overbodig (insecten uit tabel 2) of moeten we de ermee verbonden schimmels aanpakken (zie Schimmelafhankelijk). Verder is het belangrijk om verwarring met andere insecten uit te sluiten (tabel 3). De dieren zelf zijn niet altijd gemakkelijk te vinden. Volwassen insecten, de kevers, leven niet langer dan enkele weken in voorjaar of zomer. En ze zijn zo klein dat ze nauwelijks opvallen; zeker waar het donker en stoffig is, maar ook waar goed wordt schoongemaakt. Goed zoeken rond vensteropeningen of in de kieren van vloeren levert soms wel kevers op. Maar meestal gebeurt het vaststellen van de insectensoort aan de hand van:

  • de houtsoort en zijn toestand (loof- of naaldhout, wel of geen schimmelaantasting),
  • de vorm en diameter van de uitvliegopeningen,
  • de aanwezigheid van boormeel en zijn kleur, vorm en samenstelling, en
  • de vorm en diameter van boorgangen (alleen zichtbaar na blootlegging met een scherp voorwerp).

Alleen een ervaren bestrijder of adviseur kan de insectensoort nauwkeurig vaststellen. Van volwassen insecten kun je de soort ook laten bepalen door er een op te sturen naar het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (zie Nuttige (web)adressen).

Stap 3: beoordelen

Is de insectensoort bekend, dan volgt het beoordelen van de activiteit en de schade. Wat betreft het eerste: er is alleen iets aan de hand als er in het hout levende larven voorkomen. Dit noemen we een actieve aantasting. Uiteraard moet het daarbij om een soort gaan die zich in gebouwen kan handhaven, dus de insecten uit tabel 1. Maar veel aantastingen zijn niet actief, dus zonder ‘leven’ binnenin het hout. Daarvoor zijn verschillende oorzaken: door toedoen van vijandelijke insecten, door eerdere bestrijdingen of door een geleidelijke achteruitgang van de voedingswaarde van het hout. Ook in zeer droog hout - vaak in centraal verwarmde gebouwen - zijn aantastingen soms niet meer actief. Een ervaren persoon kan de activiteit herkennen aan nieuwe uitvliegopeningen, die opvallen door een schone, lichtgekleurde binnenkant. Verder wijst boormeel op of onder het hout op activiteit. Bedenk wel dat boormeel ook vrij kan komen door het belopen van trappen of door andere trillingen.

Als er in het hout geen levende larven meer zitten, is bestrijding dus overbodig. Maar in hout waarin weinig larven leven, is de activiteit soms moeilijk met zekerheid vast te stellen. Ga dan nog niet over tot bestrijding, maar kijk eerst beter naar de activiteit. Doe dit door strak over verdachte zones een vel papier aan te brengen, dat je rondom aan de randen met stijfsel (behangsellijm) vastplakt. Actieve, levende aantastingen komen op die manier eenvoudig aan het licht. Want bij het uitvliegen van de kevers in het voorjaar en de zomer laten ze in het papier gaatjes achter. Zitten er na de zomer geen gaatjes in, dan is bestrijding niet nodig. In waardevol meubilair valt een stel nieuwe uitvliegopeningen, en dus de activiteit, gemakkelijker op als je de bestaande openingen voorzichtig vult met bijenwas. Langdurig monitoren van activiteit gaat het gemakkelijkst met insectenvallen. Daarvan zijn er twee types: feromoonvallen en lichtvallen. Feromoonvallen geven geurstoffen af waar insecten op afkomen. Lichtvallen trekken insecten aan met blauwachtig UV-licht. Welke type insectenval geschikt is, hangt af van de insectensoort die je wil monitoren. Monitoren kan uitwijzen dat voorgestelde bestrijdingsplannen (voorlopig) niet nodig zijn of kleiner kunnen. Monitoren biedt dus niet alleen meer grip op het insectenprobleem, maar ook op voorliggende bestrijdingsplannen. Kijk voor meer informatie over monitoring in de Uitvoeringsrichtlijn houtaantasting: bestrijding houtaantasting door insecten en zwammen in historische gebouwen (URL 5001).

Naast zicht op de activiteit is het ook belangrijk om te weten hoeveel schade er is. De gevolgen van aantasting lopen vaak sterk uiteen. Alleen de bonte knaagkever en huisboktor veroorzaken soms - dus beslist niet altijd - ernstige schade en sterkteverlies. De meeste schade is te beoordelen door in het hout te steken met een scherp voorwerp of door het te bekloppen met een hamer. Bij de bonte knaagkever en huisboktor kan het ook nodig zijn om in het hout te boren met een speciale dunne naald: resistograaf of decay detection drill. Hiermee kun je nagaan of het hout nog voldoende sterkte heeft. Deze dunne naalden veroorzaken nauwelijks schade. Daarom hebben ze de voorkeur bij het beoordelen van de reststerkte van historisch constructiehout. Als het nodig is kun je eventueel daarna enkele plaatsen nog nader onderzoeken met een spiraalboor van tien millimeter in diameter, maar dit veroorzaakt meer schade. Wanneer uit de beoordeling met de dunne naald of eventueel spiraalboor blijkt dat de reststerkte nog voldoende is, kan vervanging van het hout achterwege blijven.

Bedenk goed dat in historische gebouwen ontoelaatbare constructieve verzwakkingen minder snel optreden. De statische zekerheid van oude, vaak overgedimensioneerde constructies is aanzienlijk groter dan die van moderne constructies met hun berekende dimensies.

Aan bijna iedere historische houtconstructie mankeert uit constructief oogpunt wel wat. Maar dat is nog geen reden tot vervanging van aangetast hout. Want oud hout biedt vaak belangrijke voordelen boven nieuw hout. Zo bevat naaldhout van vóór 1900 niet alleen veel minder insectengevoelig spinthout, maar heeft het van nature ook een hogere weerstand tegen schimmels of zwammen.

Stap 4: bestrijden

Niet-actieve aantastingen - dus zonder levende insecten - vragen niet om een bestrijding. Deze preventieve bestrijdingen zijn in monumenten niet effectief (bonte knaagkever) of niet nodig (gewone houtwormkever en huisboktor). Laat dus alleen actieve aantastingen bestrijden. Zie voor meer informatie hierover verderop onder Schade en aanpak. Daarnaast is het soms ook nodig om andere problemen te verhelpen. Insectenaantastingen kunnen daarop wijzen.

Plaatsen waar de gewone houtwormkever of de bonte knaagkever zeer actief is en de schade dus ernstig is, wijzen vaak op een vochtprobleem, veroorzaakt door lekkages, doorslaand vocht in muren of veelvuldig contact met schoonmaakwater. Wanneer bouwkundige gebreken daar de oorzaak van zijn, moeten deze worden hersteld.

Wijdverspreide actieve aantastingen door deze insecten wijzen daarentegen mogelijk op condensatieproblemen. Vaak gaat het daarbij om kappen of ruimten onder beganegrondvloeren. Verbeter zo nodig de ventilatie.

Schade en aanpak

De mogelijke ernst van de schade verschilt per insectensoort. Ook de manier van bestrijden hangt af van het soort insect. Voor de vier belangrijkste insecten zien de mogelijke schade en de bestrijding er als volgt uit.

Gewone houtwormkever

Aantastingen door de gewone houtwormkever - ook de langdurige - zijn zelden ernstig en hebben zelden gevolgen voor de constructieve sterkte. Alleen bij langdurig aanhoudende vochtproblemen ontstaan er soms ernstigere aantastingen. Dan kan er ook verzwakking ontstaan in zeer licht uitgevoerde delen, zoals slanke balklagen en vloerdelen, als daaraan veel spinthout zit. In kappen en beganegrondvloeren met een goede ventilatie is het vochtgehalte in het hout meestal niet zo hoog, waardoor aantastingen daarin traag verlopen en zelden ernstig zijn. Aantastingen stoppen vaak vanzelf in zeer droog hout, met een vochtgehalte van twaalf procent of lager over het gehele jaar. Dit is door centrale verwarming goed mogelijk in binnentimmerwerk, verdiepingsvloeren en trappen. Verder kent de gewone houtwormkever veel insecten die op hem jagen of parasiteren. Door toedoen van deze belagers kunnen aantastingen vanzelf zijn gestopt.

Bestrijding

De gewone houtwormkever laat zich eenvoudig bestrijden door het hout met een bestrijdingsmiddel te besproeien of te bestrijken. Wijdverbreide actieve aantastingen vragen om een behandeling van het gehele gebouwdeel. Daarentegen kun je plaatselijke actieve aantastingen elk afzonderlijk behandelen: de behandeling beperkt zich dan tot de actief aangetaste plaatsen. Ga alleen over tot bestrijding als de activiteit zeker is. Stel bestrijding uit als de activiteit niet duidelijk is. Monitor dan eerst de activiteit door zones met verdachte uitvliegopeningen af te plakken met papier. Aanvullend daarop kun je ook lichtvallen ophangen. Afplakken wijst uit welke plekken actief zijn. Lichtvallen geven een goede indruk van het aantal kevers, en daarmee van de grootte van het insectenprobleem.

Afhankelijk van de verspreiding van de aantasting en van de houtsoort zijn er drie bestrijdingsmogelijkheden:

  • Als de aantasting plaatselijk actief is, de constructie weinig spinthout bevat en de houtsoort duurzaam is, zoals eiken en enkele naaldhoutsoorten van vóór 1900: breng alleen op de actief aangetaste plaatsen een bestrijdingsmiddel aan (plaatselijke bestrijding).
  • Als de aantasting plaatselijk actief is, de constructie veel spinthout bevat of opgetrokken is uit naaldhout van na 1900: behandel al het hout met een bestrijdingsmiddel (algehele bestrijding).
  • Als de aantasting wijdverbreid actief is: behandel al het hout (algehele bestrijding).

Bestrijding kan (voorlopig) achterwege blijven bij plaatselijke aantastingen met niet veel nieuwe uitvliegopeningen. Het moet dan wel gaan om zware constructies uit duurzaam hout met weinig spint. Ook moet het onderhoud van het gebouw goed zijn of onlangs verbeterd. In deze situatie is het risico op verdere schade aanvaardbaar klein. Je kunt dan rustig aanzien hoe de insectenaantasting zich de komende jaren ontwikkelt, al dan niet in combinatie met het ophangen van lichtvallen. Bestrijding is een mogelijkheid, maar waarschijnlijk overbodig. Dit geldt nog sterker als er verwarming is in de ruimte, waardoor de relatieve luchtvochtigheid gemiddeld lager is dan 65 procent, of als het houtvochtgehalte lager is dan twaalf tot veertien procent in onverwarmde constructies. Bij dergelijke vochtgehalten is de kans nihil dat later een bestrijding nodig is.

Bonte knaagkever

Soms zitten bonte-knaagkeveraantastingen wijdverbreid door de constructie, maar dan wel beperkt tot het spinthout. Deze aantastingen - meestal in gebouwen met condensatieproblemen - zijn niet zorgwekkend voor de constructieve sterkte. Veruit de meeste aantastingen zijn echter heel anders. Ze zijn juist zeer plaatselijk, komen daar al talloze decennia voor en zitten diep in het kernhout. Deze plaatselijke aantastingsvorm is echter alleen mogelijk op plekken met schimmelproblemen (zwamaantasting). Het gaat bij de plaatselijke vorm meestal om zwaar uitgevoerd hout dat geheel of gedeeltelijk schuil gaat in vochtige muren, zoals muurstijlen van korbeelstellen, muurplaten en balkkoppen. Deze plaatselijke aantastingen kunnen na verloop van vele tientallen jaren soms zeer ernstig zijn. Aantastingen in droger hout, met een vochtgehalte van vijftien procent of lager door het gehele jaar, zijn ook mogelijk, maar deze verlopen trager en de schade is navenant geringer.

Aantastingen buiten het spinthout, in kernhout dus, moet je zorgvuldig laten beoordelen op ernst en resterende constructieve sterkte, zeker in zware constructies. Want in hun kern kunnen door toedoen van schimmels en bonte knaagkevers holle ruimten zijn ontstaan; niet onmiddellijk, maar na vele decennia of misschien wel enkele eeuwen. Dat de volwassen kevers in deze holle ruimten een verborgen leven leiden, waardoor aantastingen zich geheel aan ons oog zouden onttrekken, is vaak beweerd, maar nog nooit bewezen. Om plaatsen met sterkteverlies door holle ruimten op te sporen, is het nodig in het hout te boren met een speciale dunne naald.

Wanneer uitvliegopeningen buiten het spinthout zitten, in het kernhout dus, valt activiteit niet altijd op door nieuwe, onlangs geknaagde uitvliegopeningen. Sterker nog, vaak is activiteit dan erg lastig vast te stellen, ook voor iemand met veel ervaring die dit dagelijks doet. Dat komt omdat kevers soms uitvliegen door oude, al bestaande openingen. Niet iedere bonte knaagkever knaagt dus een nieuwe uitvliegopening om het hout te verlaten. Dit maakt het soms erg moeilijk om in één blik de activiteit af te lezen aan de ouderdom van deze openingen, vooral waar maar weinig insecten in het hout zitten. Een incidentele of eenmalige inspectie van een of twee dagen biedt in deze situatie meestal onvoldoende inzicht en houvast, vaak ook te weinig om een omvangrijk bestrijdingsplan - met bijbehorend kostenplaatje - op te baseren. Het is dan beter om de activiteit langduriger te monitoren. Dat kan met het ophangen van lichtvallen en/of door plekken met verdachte uitvliegopeningen af te plakken met papier. Bestrijdingsplannen spreken regelmatig van ‘ernstige aantasting’ doelend op diepere verspreiding door het kernhout -, ook als de activiteit niet heel duidelijk is. Ernstig materiaalverlies - ontstaan in vele decennia - kan samengaan met nauwelijks of geen activiteit, wat volledig afhangt van de leefcondities op dit moment, zoals het houtvochtgehalte. Bij onduidelijke activiteit is er bijna altijd voldoende tijd om eerst te bepalen of en hoe groot de activiteit is. Er is dan dus geen reden om overhaast te beslissen tot een bestrijding.

Bestrijding

Bonte-knaagkeverproblemen laten zich meestal niet voor eens en altijd oplossen. De ervaring leert namelijk dat veel aantastingen na kortere of langere tijd opnieuw de kop opsteken. Aantastingen zitten meestal in eiken, een houtsoort waarin chemische bestrijdingsmiddelen slecht doordringen; in kernhout van eiken geïnjecteerde middelen verspreiden zich namelijk zeer slecht, zeker als het hout niet of nauwelijks is aangetast. Vooral in zwaar uitgevoerd hout dat langdurig vochtig blijft, zijn op de lange duur opnieuw injecties nodig. Is chemische bestrijding binnenin het hout soms al moeizaam, het is nog lastiger aan het houtoppervlak. Want door hun natuurlijke gedrag kunnen bonte knaagkevers het bestrijdingsmiddel bovenop het hout gemakkelijk omzeilen. Het besproeien of bestrijken van het houtoppervlak helpt daardoor te weinig om er iets aan te hebben. Besproeien of bestrijken heeft echter wel enig effect in slanke, lichte houtdelen, en als de aantasting zich beperkt tot het spinthout. Dit hout neemt namelijk gemakkelijker bestrijdingsmiddel op dan kernhout.

Vaak is de insteek dat alleen een grondige aanpak werkt, wat meestal neerkomt op al te rigoureuze ingrepen met veel schade. We doelen hier op het injecteren van bestrijdingsmiddel in grote delen van de constructie. Besef echter goed dat in een droog, goed onderhouden gebouw nooit veel bonte knaagkevers zitten, en dat de weinige dieren die er wel zijn altijd zeer plaatselijk voorkomen. In een goed onderhouden pand waar je met moeite slechts enkele tientallen kevers vindt, is er nooit een reden voor injectie in een flink deel van de constructie. Want hoe plaatselijker de activiteit, hoe onwaarschijnlijker dat grootschalige injectie de juiste aanpak is. De omvang van de maatregelen moet aansluiten op de grootte van het probleem. Richt de injectie op de plaatsen waar het probleem en dus de activiteit zit. Kies daarbij in monumenten voor het injecteren onder lage druk; anders dus dan het tot voor kort gebruikelijke injecteren onder hoge druk, herkenbaar aan de plastic pluggen in het hout. Injectie onder lage druk is minder schadelijk voor historische houtconstructies, omdat het kan met kleinere en vooral minder boorgaten in het hout. Ook neemt het hout onder lage druk meer bestrijdingsmiddel op, wat de effectiviteit van de bestrijding verhoogt. Gebruik daarom in monumenten geen injectie onder hoge druk. In ieder geval ERM-gecertificeerde bestrijdingsbedrijven injecteren uitsluitend onder lage druk.

Houd goed voor ogen dat veel bonte-knaagkeveraantastingen nooit volledig zijn op te lossen, ook niet in één keer met grootschalig ingrijpen. Vaak is juist een gefaseerde en plaatselijke aanpak aan te raden, eventueel in combinatie met monitoring. En zit de activiteit toch wijdverbreid door de constructie en tref je daarbij per voorjaar honderden kevers aan, dan is een heteluchtbehandeling vaak het beste. Dat is de gemakkelijkste manier om een grote, omvangrijke bonte-knaagkeverpopulatie aan te pakken.

De bonte knaagkever is afhankelijk van schimmels (zwammen) en vocht. De maatregel voor de lange termijn is dan ook het verhelpen van alle vocht- en schimmelproblemen. Voor de korte termijn is meestal ook een insectenbestrijding nodig. Er zijn vier mogelijkheden om de bonte knaagkever met chemische bestrijdingsmiddelen - als je daarvoor kiest - aan te pakken:

  • Als de aantasting misschien actief is, de uitvliegopeningen niet duidelijk nieuw zijn of uit deze openingen geen boormeel vrijkomt: voer nog geen bestrijding uit, maar bepaal eerst de activiteit door over verdachte plaatsen een vel papier te plakken en/of door lichtvallen op te hangen.
  • Als de aantasting misschien actief is, je op het hout of rondom vensters na goed zoeken uitgevlogen kevers aantreft, de uitvliegopeningen niet duidelijk nieuw zijn en er geen boormeel vrijkomt: voer alleen een bestrijding uit als je talloze kevers aantreft die duidelijk verwijzen naar lokale, kleine plaatsen met activiteit in bijvoorbeeld balkkoppen en muurplaten waarop je de bestrijding kunt richten (plaatselijke bestrijding met doorgaans injectie) of die wijzen op een wijdverbreide aantasting in het spinthout (algehele bestrijding door besproeiing). Wanneer je slechts enkele kevers aantreft en de aantastingshaard onduidelijk is, kun je beter de bestrijding voorlopig uitstellen. Spoor dan eerst alle vocht- en condensatieproblemen op, verhelp ze en blijf de komende jaren het aantal kevers tellen. Lichtvallen zijn daarbij een handig en nuttig hulpmiddel. Doe dit ook als deze problemen in de laatste tien jaar zijn verholpen. Achterhaal vervolgens in de komende jaren waar de aantastingshaarden zitten en ga pas over tot bestrijding als je per jaar grotere aantallen kevers aantreft.
  • Als de aantasting duidelijk actief is, verspreid zit door het gebouw en zich beperkt tot het spinthout: verhelp alle vocht- of condensatieproblemen en besproei of bestrijk al het hout met een bestrijdingsmiddel (algehele bestrijding).
  • Als de aantasting duidelijk actief is en deze activiteit plaatselijk voorkomt, zoals in sommige delen van hout in of tegen vochtige muren: sproei of strijk een bestrijdingsmiddel alleen op de plaatsen met activiteit en breng het middel zo mogelijk ook dieper in het hout aan (plaatselijke bestrijding). Gebruik hiervoor in monumenten een injectiesysteem onder lage druk, dus zonder het aanbrengen van plastic pluggen in het hout. Injecteer in historische constructies nooit op grote schaal. Komt in het zeldzame geval van wijdverspreide activiteit de bestrijding toch uit op grootschalige injectie, kies dan voor een heteluchtbehandeling.

Realiseer je dat in veel gevallen de activiteit niet echt duidelijk is. Je hebt dus vaak te maken met de eerste twee situaties. En als de activiteit wel duidelijk is - bijvoorbeeld na monitoring - blijkt het vaak te gaan om plaatselijke problemen in hout dat zit tegen of in muren, dus de laatstgenoemde situatie.

Huisboktor

Uit ouder hout zijn veel voedingsstoffen voor dit insect verdwenen. In hout ouder dan zestig jaar verlopen huisboktoraantastingen daarom trager en is de schade navenant geringer. In hout ouder dan tachtig à honderd jaar zijn actieve aantastingen zeer uitzonderlijk. En mocht in dit oude hout op een enkele plaats onverhoopt toch activiteit voorkomen, dan stopt de aantasting in korte tijd vanzelf, waardoor hout en constructie verder geen gevaar meer lopen.

Daarentegen kunnen in spintrijk hout jonger dan dertig jaar aanzienlijk materiaal- en sterkteverlies optreden. Daarin blijft van het spinthout soms niet meer over dan een dun houtlaagje aan de buitenkant. Constructieve verzwakking kan dan ook voorkomen, vooral bij aantastingen die zich in korte tijd - tien tot twintig jaar - snel konden ontwikkelen. Vochtproblemen dragen daar niet aan bij. Hogere temperaturen rondom bijvoorbeeld schoorstenen doen dat wel.

Aantastingen dien je zorgvuldig te laten beoordelen op hun ernst en constructieve gevolgen. De gevolgen van aantasting door de huisboktor zijn het grootst in naaldhoutconstructies van na 1920. Daarin komt namelijk meer spinthout voor; niet alleen doordat veel constructies lichter zijn uitgevoerd dan voorheen, maar ook doordat er vanaf het begin van de 20ste eeuw aan het hout zelf meer spinthout zit.

Ga alleen over tot bestrijding als de activiteit zonder twijfel vaststaat, zeker in hout ouder dan zestig jaar. Zo zijn de knagende, en dus actieve larven te herkennen aan een schrapend geluid. Bij grotere aantastingen is dit goed hoorbaar tijdens warme dagen.

Bestrijding

Kleine, niet-actieve huisboktoraantastingen, die dus geen behandeling behoeven, komen vaak voor in hout ouder dan tachtig à honderd jaar. De bestrijding van actieve aantastingen, meestal in jonger hout, bestaat uit het grondig besproeien of bestrijken van al het hout met een bestrijdingsmiddel (algehele bestrijding). Injecteer zo nodig ook bestrijdingsmiddel op plaatsen met diepere aantastingen in zwaarder hout. Kies daarbij in monumenten voor injectie onder lage druk. Dan zijn namelijk geen plastic pluggen in het hout nodig zoals bij injectie onder hoge druk. Een algehele bestrijding - dus van de totale constructie - is niet nodig bij hout ouder dan zestig jaar met hier en daar een actieve aantasting. Dan kan de bestrijding - door besproeien of bestrijken en eventueel injectie - beperkt blijven tot de actief aangetaste delen (plaatselijke bestrijding).

Laat voorafgaand aan een bestrijding het aangetaste spinthout niet afdisselen of afsteken. Dit is niet nodig voor een goede bestrijding. Ook is het onnodig schadelijk voor historische houtconstructies. Iets anders is ernstig aangetast spinthout dat iedere samenhang heeft verloren, of door talloze boorgangen of door compleet verpoederde lagen. Laat dan de aantastingen uitborstelen vóór het aanbrengen van het bestrijdingsmiddel.

Spinthoutkevers

Ouder hout bevat niet meer voldoende voedingsstoffen. Aantastingen door spinthoutkevers in hout ouder dan twintig jaar zijn dan ook vanzelf gestopt. Aantastingen in hout jonger dan twintig jaar verlopen vaak bijzonder snel en leiden dan ook tot ernstige schade. Vertering van al het spinthout kan in dit jonge hout plaatsvinden in twee tot vier jaar. De meeste aantastingen beperken zich tot parketvloeren, panelen en omlijstingen, en dus altijd in jong hout.

Bestrijding

Aantastingen in parketvloeren, triplex en meubelplaat zijn vaak moeilijk met vloeibare bestrijdingsmiddelen te bereiken. Dit komt door de afwerk- en lijmlagen op en in deze materialen. Vervanging van aangetast materiaal ligt daarom het meest voor de hand, zeker als dat materiaal geen bijzondere waarde heeft. Behandelingen met hoge temperaturen of een gassing zijn ook mogelijk, maar liggen minder voor de hand. Dat komt omdat aantastingen meestal plaatselijk voorkomen.

Niet-toxische methoden

Aangetast hout besproeien of injecteren met vloeibare chemische middelen is niet de enige optie. Er zijn ook bestrijdingsmethoden zonder gebruik van chemische middelen: met hoge temperaturen zoals heteluchtbehandelingen of met lage zuurstofconcentraties. De eerste methode is vooral geschikt voor gebouwen met een wijdverspreide activiteit of bij activiteit op slecht bereikbare plaatsen. De tweede methode is te gebruiken voor kleinere objecten of onderdelen in gebouwen.

Hoge temperaturen

Een heteluchtbehandeling is vooral geschikt voor ernstige, wijdverspreide bonte-knaagkeveraantastingen met veel activiteit. Denk bij dit laatste aan een paar honderd uitgevlogen kevers per uitvliegperiode (maart tot juni). De behandeling is ook geschikt bij kleinere aantastingen door alle houtaantastende insecten in slecht toegankelijke constructies, zoals torenspitsen en open dakstoelen.

Een temperatuur binnenin het hout van 47 tot 55°C - verschillend per insectensoort - overleeft geen enkele houtaantaster langer dan een half uur. Wanneer we de omgevingstemperatuur in een gebouw verhogen tot maximaal 70 à 80°C om daarmee al het hout voldoende op te warmen, is het vrij van aantasting. Het opwarmen moet stapsgewijs gebeuren, dus door meerdere dagen lang hete lucht in het afgesloten gebouw te blazen, waarbij de temperatuur van de lucht langzaam steeds iets verder oploopt. Na het bereiken van de juiste temperatuur binnenin het hout moet je deze nog één dag aanhouden; dit om er zeker van te zijn dat alle insecten zijn gedood. De totale behandeling duurt ongeveer vijf à zes dagen. Om warmteverliezen te beperken kan het nodig zijn om constructies geheel of gedeeltelijk in te pakken met isolatiemateriaal; vooral bij kapconstructies, die snel kunnen afkoelen tijdens harde wind. Behandeling in de winter is door de lage buitentemperaturen niet mogelijk.

Een belangrijk nadeel van verwarming is dat het hout veel vocht verliest, waardoor het gaat vervormen, scheuren en krimpen. Dit nadeel is ondervangen in een methode die niet alleen de temperatuur van de lucht verhoogt, maar er ook vocht aan toevoegt om daarmee de relatieve luchtvochtigheid rondom 50 procent te houden. Zo blijft het houtvochtgehalte op peil en dat voorkomt schade. Methoden zonder een dergelijke vochtregulering zijn in monumenten onnodig risicovol en schadelijk.

Na een heteluchtbehandeling is het niet nodig het hout uit voorzorg, dus preventief, te besproeien met een chemisch bestrijdingsmiddel.

Lage zuurstofconcentraties

Insecten in hout kunnen we ook bestrijden door ze in een gesloten omgeving te omringen met zuurstofarme lucht. Dit kan buiten de deur in een begassingskamer, maar ook ter plaatse in een speciaal gebouwde tent. Het zuurstofarm maken van de lucht gebeurt door het toevoegen van een gas (veelal stikstof) of door zuurstof aan de lucht te onttrekken met een zuurstofseparator. De behandeling moet voldoende lang duren om effectief te zijn. Ga uit van ongeveer drie tot vijf weken, afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Diep binnenin hout worden lage zuurstofconcentraties gemakkelijk bereikt, ook als het hout is afgewerkt met bijvoorbeeld verf. Om schade aan historische materialen te voorkomen, is het zaak de temperatuur niet verder te verhogen dan 20 tot 30°C. Verder moet de relatieve luchtvochtigheid tijdens de behandeling op hetzelfde niveau blijven als ervoor, meestal niet lager dan 45 tot 55 procent; dit om uitdrogen, krimpen en scheuren van het hout tegen te gaan. Door het continu toevoegen van een gas of het continu onttrekken van zuurstof aan de behandelruimte wordt de lucht namelijk steeds droger als je geen vocht zou toevoegen. Bestrijding door lage zuurstofconcentraties is vooral geschikt voor hout dat zich niet of slecht laat behandelen met vloeibare chemische bestrijdingsmiddelen. Denk daarbij aan hout dat is voorzien van verf- of andere afwerklagen, die het aanbrengen van een chemisch bestrijdingsmiddel verhinderen. Die middelen moeten namelijk kunnen indringen in het hout. Behandeling met lage zuurstofconcentraties is alleen mogelijk bij relatief kleine volumes, zoals preekstoelen, koorhekken en kerkbanken.

Gassingen

Bestrijding van houtaantastende insecten kan ook met sulfurylfluoride, bekender onder de naam Vikane. Het is een gasvormig toxisch bestrijdingsmiddel, vooral toegepast bij wijdverspreide insectenaantastingen of bij objecten die lastig te behandelen zijn met vloeibare bestrijdingsmiddelen. Het gas dringt gemakkelijk en diep in het hout, of er nu wel of geen verf op zit. De duur van een gassing is relatief kort, meestal één tot drie dagen.

Sulfurylfluoride is zeer giftig, ook voor mensen. Het te behandelen gebouw moet daarom gasdicht zijn afgesloten met speciale folie of tape. Verder is een veiligheidsafstand van 10 meter vereist tot omringende woon-, verblijfs- of werkruimten. Daarom gaat het meestal om vrijstaande monumenten. Alleen speciaal opgeleide bestrijders mogen het gas gebruiken. Daarbij moeten ze allerlei veiligheidsvoorschriften in acht nemen.

Materialen kunnen schade oplopen door druppels van het vloeibare gas dat rechtstreeks uit de gascilinder komt. Dit is goed te voorkomen door alle oppervlakken nabij het inspuitpistool met polyethyleenfolie af te dekken. Een gassing met sulfurylfluoride kan kleine kleurveranderingen veroorzaken in verschillende pigmenten van historische verven. Dit risico moet worden afgewogen tegen verdere schade door houtaantasters. Het hangt er dus vanaf hoe bijzonder een schildering of kleurige afwerking is. Ook zijn lichte kleurveranderingen mogelijk in metaal, textiel en papier. Deze veranderingen ontstaan voornamelijk door verontreinigingen in het gas. Die eruit filteren kan echter niet alle veranderingen voorkomen.

Vleermuizen

Historische gebouwen bieden regelmatig onderdak aan vleermuizen. Vaak gaat het om de kapconstructie. Alle vleermuizensoorten en hun onderkomens zijn wettelijk beschermd. De gemeente gaat over de omgang met deze beschermde dieren. Niet alleen het bestrijdingsmiddel kan schadelijk zijn voor vleermuizen, maar ook de verstoring die ontstaat tijdens het aanbrengen ervan. Als je onverwachts vleermuizen tegenkomt tijdens bestrijdingswerkzaamheden, stop dan direct de werkzaamheden en neem contact op met de gemeente. Chemische bestrijding van houtaantasters is mogelijk in vleermuisonderkomens, maar alleen met bepaalde bestrijdingsmiddelen en alleen tijdens bepaalde maanden. Heteluchtbehandelingen zijn veilig toe te passen met de juiste voorzorgsmaatregelen en tijdsplanning. Schakel de gemeente in voor verder advies.

Nuttige (web)adressen

  • Soortherkenning door uploaden van foto: www.waarnemingen.nl (klik verder op ‘automatische soortherkenning’)
  • Door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) gecertificeerde bestrijdingsbedrijven: www.stichtingerm.nl/erkende-bedrijven (zoek op ‘bestrijder insecten en zwammen’)
  • Nederlandse Vereniging van Plaagdiermanagementbedrijven: www.nvpb.org
  • Kennis- en Adviescentrum Dierplagen: www.kad.nl
  • College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden: www.ctgb.nl (klik verder op ‘toelatingendatabank’)

Literatuur

  • Anon. (1996) Identifying damage by wood-boring insects, Digest 307, Building Research Establishment, Garston.
  • Berry, R. (1994) Remedial treatment of wood rot and insect attack in buildings, Building Research Establishment, Garston.
  • Bravery, A. et al. (1992) Recognising wood rot and insect damage in buildings, tweede druk, Building Research Establishment, Garston.
  • McCaig, I. en Ridout, B. (red.) (2012) Practical building conservation: timber, English Heritage en Ashgate, Farnham, p. 410-430.
  • Noldt, U. en Michels, H. (red.) (2007) Holzschädlinge im Fokus: Alternative Maßnahmen zur Erhaltung historischer Gebäude, Merkur Verlag, Detmold.
  • Ridout, B. (2000) Timber decay in buildings: the conservation approach to treatment, E & FN Spon, London.
  • Ven, H. van de (2003) ‘Houtaantastende insecten: achtergronden en aanpak’ in: Praktijkboek instandhouding monumenten, Sdu Uitgevers, Den Haag.
  • Ven, H. van de (2009) ‘Vol gas’ in: Nieuwsbrief Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, jaargang 4, nummer 1, p. 20-21.
Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 27 okt 2022 om 02:00.