Panorama Landschap - De Venen

Introductie

Deze regio wordt gekenmerkt door veenontginningen (copes). In het noorden is op grote schaal turf gestoken, waarna drooglegging volgde. De Venen kent een open en waterrijk landschap, overgaand in het landschap langs de Oude Rijn.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van Vinkeveen.
Afb. 1. Vinkeveen. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van Kamerikse Nessen.
Afb. 2. Kamerikse Nessen. Foto: Paul Paris
Hoofdgebouw van S.C. Johnson Europlant. Het gebouw staat midden in een waterplas.
Afb. 3. S.C. Johnson Europlant. Foto: Beeldbank RCE
Kaartje met daarop afgebeeld de scheiding van wateren bij Harmelen.
Afb. 4. De scheiding van wateren bij Harmelen. Ten westen van de Haanwijkerdam wateren de polders af op de Oude Rijn. Het water van de polders van het Groot-Waterschap Bijleveld komt via de Leidsche Rijn en de oude, Romeinse loop van de Rijn (nu Bijleveld geheten) terecht in het gegraven deel van de Bijleveld. De Heldam zorgde ervoor dat het water van Heycop niet in de Bijleveld terecht kwam en via de Heycop, ook wel Lange Vliet geheten, naar de Vecht stroomde. Bron: Adriaan Haartsen, (2003), tekening Roel van Norel, TasT.
Kaart van De Venen.
Afb. 5. De Venen

Karakteristiek

In de regio De Venen kunnen twee deelgebieden worden onderscheiden. In het noordelijke deel liggen de Ronde Venen, die worden omgeven door de Amstel, Oude Waver en Kromme Mijdrecht. Hier is op grote schaal turf gewonnen en zijn plassen ontstaan. Een deel van deze plassen is later drooggelegd.

De Vinkeveense Plassen zijn bekend om de watersportmogelijkheden en de Baambrugse Zuwe waarlangs tal van villa’s staan.

Mijdrecht, Wilnis en Vinkeveen zijn de belangrijkste plaatsen in dit gebied. In het zuidelijke deel gaat het veenontginningslandschap vrij plotseling over in het rivierengebied. Verder van de rivier verwijderd strekt het veenlandschap zich uit. In de Romeinse tijd vormde de Oude Rijn de grens van het Romeinse Rijk: de Limes. In Woerden zijn de resten van een Romeins castellum gevonden. De oeverwallen van de Rijn waren bewoond en er werd landbouw bedreven. Het veen was grotendeels woest en ongebruikt.

Dat werd pas na een actieve ontginningspolitiek van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht in de 11de eeuw ontgonnen, waarbij de karakteristieke cope-ontginningen ontstonden. De nederzettingen zijn in oorsprong langgerekte bewoningslinten, voor het merendeel bebouwing geconcentreerd langs ontginningsassen. Bebouwingsstroken vinden we onder meer in Gerverskop, Teckop en Reijerskop. Het laagveenontginningslandschap wordt gekenmerkt door openheid en veel water. Het beheer daarvan heeft grote invloed gehad op het landschap.

Kaden, sluizen, weteringen, molens en gemalen getuigen van de langdurige omgang met het water. Opgaande bomen blijven in de regel beperkt tot de boerenerven, wegbermen, houtkaden en geriefbosjes. Langs veel sloten staan rijen met knotwilgen.

De regio maakt deel uit van het Groene Hart, het open veenweidegebied tussen de grote Hollandse steden en Utrecht. De verstedelijking is opgerukt tot aan de grenzen van de regio; Mijdrecht en Wilnis zijn voorsteden van Amsterdam en Utrecht.

Het spoor, het Amsterdam-Rijnkanaal en de A2 vormen drie belangrijke verkeersaders. In het kader van de verbreding van de A2 werd de 380kV hoogspanningsleiding verlegd tot in de regio. Langs de N201 – samen met de N212 de belangrijkste regionale verbinding door de regio – staan twee solitaire windturbines.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Holoceen

Circa 10.000 jaar geleden kwam er een eind aan de laatste ijstijd en begon het holoceen, de huidige geologische periode. Het klimaat werd warmer en vochtiger, de zeespiegel steeg en ons land veranderde geleidelijk in een gesloten bosgebied. In de regio ontstond een moeras waarin veenlagen tot ontwikkeling kwamen. De Rijn koos zijn loop vanaf Utrecht naar het noordwesten en ongeveer 4.000 jaar geleden ontstond een zijtak naar het noorden, de Vecht. De Vecht had als zijtakken de Angstel, de Waver en de Winkel. In het veengebied ontsprongen veenstroompjes als de Meije en de Amstel. De veenvorming is doorgegaan tot de mens het land ging ontginnen, zo rond het jaar 1000.

In het zuiden van de regio liggen hier en daar kleinere kleiruggen in het veen. Dit zijn crevassen, geulen die ontstonden bij een overstroming. Nadat er klei in de geul bezonk bleef er een kleine kleirug in het veen achter. Een voorbeeld van zo’n rug ligt ten westen van Kamerik.

In de 8ste en 9de eeuw verdroogde het veengebied als gevolg van natuurlijke omstandigheden, zoals de vorming van zeearmen in West-Nederland, waardoor de grote rivieren meer onder invloed van eb en vloed kwamen te staan. Het gebied werd aantrekkelijk voor vestiging, wat in de eeuwen erop plaatsvond. Na de ontginning daalde het maaiveld door klink en oxidatie. Het werd steeds natter; het overtollige water kon niet goed meer worden afgevoerd en de rivieren konden bij hoog water in het land doordringen. De boeren kregen steeds meer problemen met de afwatering. Er moesten maatregelen genomen worden om het water van de rivieren te keren en het overtollige regenwater af te voeren.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot het Hollands-Utrechts veengebied, de Rijn-Maasdelta en de Diepe droogmakerijen. Daarbinnen zijn veenvlakten, overstromingsvlakten, stroom- en crevasseruggen, wadden en kreekruggen als landschapszones onderscheiden.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

Over bewoning in de prehistorie zijn weinig gegevens bekend. Bij zandwinningwerkzaamheden in de polder Breeveld zijn werktuigen en aardewerkscherven gevonden uit de jonge steentijd. Aangenomen mag worden dat er ook bewoning is geweest in de bronstijd, hoewel ook daarvoor de aanwijzingen nog schaars zijn. In de ijzertijd werd op bescheiden schaal gewoond op de oeverwallen van de (Oude) Rijn.

De Romeinen vestigden zich kort voor het begin van de jaartelling in de regio en legden de noordgrens van het rijk langs de toenmalige Rijn, de huidige Kromme Rijn en Oude Rijn. Een reeks militaire versterkingen verrees langs de Limes. Tussen de forten bouwde men wachtposten op zichtafstand van elkaar. Op de oeverwal van de rivier werd een weg aangelegd die de versterkingen met elkaar verbond. Tussen Utrecht en Woerden is deze Romeinse weg op diverse plaatsen teruggevonden. In het centrum van Woerden zijn restanten onderzocht van een Romeins castellum (legerplaats).

Bij de aanleg van de wijk Leidsche Rijn zijn ook veel vondsten gedaan uit de Romeinse tijd – waaronder een wachtpost – en uit het begin van de vroege middeleeuwen (zie regio Oude Rijn).

Middeleeuwen en nieuwe tijd

De onregelmatige percelering op de hogere gronden bij Vleuten en Harmelen duidt op een oorsprong in de Karolingische tijd (8ste - 9de eeuw). Geleidelijk begon men vanuit de oeverwallen en veenstroompjes het achterliggende veengebied te ontginnen.

De oudste ontginningen bestaan uit langgerekte dorpen op de oeverwal met loodrecht daarop lange, smalle kavels. In de regio was geen sprake van recht van opstrek, al lijkt het er soms wel op, zoals in Polder de Bree. Hier is echter sprake van een verdeling van de grond tot aan de Meijekade. Hoogenbroek is vanaf de oevers van de Meije ontgonnen en de Broekerwetering vormt de grens met de ontginning van Zegveld. Op de achtergrens van de ontginningsblokken ligt vaak een kade of een wetering, zoals de Meijekade of de Rietveldse kade. Toen de landsheren zich actief gingen bemoeien met de ontginningen, raakte de openlegging van de regio in een stroomversnelling.

Cope-ontginningen

Het veengebied behoorde formeel toe aan de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht. Deze zijn zich in de 11de eeuw actief gaan bezighouden met de ontginning.

Op grond van het zogeheten wildernisregaal maakten ze aanspraak op de woeste gronden en stuurden zij aan op een afbakening van hun rechten om de gronden te laten ontginnen.

Dit werd op zeer systematische en efficiënte wijze ter hand genomen. Overal lieten de graven en de bisschoppen stukken grond uitmeten en afpalen. Onder bepaalde voorwaarden werden deze stukken grond vervolgens aan groepen kolonisten uitgegeven. Van meet af aan werden daarbij de grenzen van de afzonderlijke ontginningseenheden vastgelegd. In een tempo van gemiddeld 2.000 hectare per jaar werd er ontgonnen en rond 1300 was nagenoeg het hele veengebied in cultuur gebracht. De namen die aan de nieuwe ontginningen werden gegeven, verwezen naar bestaande landen Demmerik (Denemarken), Spengen (Spanje), of aan het paradijs: Kockengen (Cocagne, Luilekkerland). Deze strak georganiseerde ontginningen heten cope-ontginningen.

Ze onderscheiden zich van de oudere veenontginningen door hun regelmatige, planmatige opzet. De term cope slaat zowel op de overeenkomst tussen de landsheer en de boeren als op de gronden zélf. Tal van plaatsnamen die eindigen op kop of cop (zoals Teckop, Oukoop, Gerverskop) duiden op een copeoorsprong. Een cope begon vanuit een rivier of een gegraven watergang, die als ontginningsbasis diende. Het te ontginnen gebied werd onderverdeeld in lange, rechte kavels. De voor- en achtergrens van de kavels liggen evenwijdig aan elkaar. Meestal werd een afstand van ongeveer 1.250 meter aangehouden. De boerderijen werden op vaste afstanden van elkaar langs de ontginningsbasis gebouwd. De grootte van de bedrijven varieerde van 14,5 hectare tot 18 hectare. Alles bij elkaar een regelmatig, efficiënt ingedeeld landschap. De tussen de verschillende rechthoekige ontginningsblokken gelegen restgebieden waren minder regelmatig ingericht, zoals de polder Teckop.

Karakteristieke cope-ontginningen zijn Kamerik-Teylingens en Oud-Kamerik, die in elkaars verlengde liggen. Het voorkomen van een dubbel bewoningslint langs de Kamerikse Wetering (1112) watergang is opmerkelijk. Het is niet bekend of er vroeger boerderijen hebben gestaan langs de wetering die later zijn verplaatst, of dat ze al vanaf het begin in het midden van het land zijn gebouwd.

Kamerik-Mijzijde is in het noorden waarschijnlijk ontgonnen vanuit de Oude Meije, waar ook de huidige Grecht toe behoorde. Later zijn de gronden tussen deze achtergrens en de Kameriksche Wetering bij het gebied getrokken. De ligging van een deel van de boerderijen op enige afstand van de wetering bepaalt hier het karakter van de ruimtelijke structuur. Het Zegvelderbroek kent een waaierverkaveling van Lagebroek. Waarschijnlijk is dit een restverkaveling, waarbij het Hoogenbroek en Zegveld al waren ontgonnen en vanaf de boog van de Meije en de Oude Meije het resterende land is ontgonnen. Dit leidde tot de karakteristieke waaiervormige verkaveling en tot de sterk gebogen vorm van de bebouwingsas. De boerderijen liggen als een onvolmaakte halve cirkel in het taartpuntvormige ontginningsblok.

De ontginning van de Ronde Venen

In het noorden van de regio kwamen de Ronde Venen in 953 in bezit van de bisschop van Utrecht. In 1085 gaf de bisschop het land ten westen van de lijn Wilnisse Zuwe – middelpunt Ronde Venen – Veenwetering aan het Utrechtse kapittel van Sint Jan en startte de ontginning. Deze Proosdijlanden lagen zowel in de Ronde Venen als ten westen van de Kromme Mijdrecht en de Amstel. Rondom het centrum werd een watergang aangelegd die als ontginningsbasis ging functioneren. Hier ontstonden Mijdrecht, Wilnis, Donkereind, Demmerik, Vinkeveen en Waverveen.

De dorpsgebieden strekten zich naar twee kanten uit: richting het centrum van de Ronde Venen heette het ‘te veen’; naar buiten toe heette het ‘te veld’. Er ontstond op deze manier een bijna perfect geometrisch landschap. Waar aangesloten werd op bestaande dorpsgebieden werd dit doorbroken. De verkaveling in het oostelijke gedeelte van Demmerik sluit aan op de verkaveling van de oudere cope-ontginningen Oukoop en Oud-Aa.

Het land lag ver weg van de rivieren, zodat voor de ontwatering een stelsel van weteringen en kades werd aangelegd richting Angstel, Winkel, Amstel en Waver. Om te voorkomen dat oudere ontginningen als Oukoop en Oud-Aa last kregen van het water uit de Ronde Venen, werd de Demmerikse Kade aangelegd.

De Groenlandse Kade had dezelfde functie voor Baambrugge-Loenersloot. De blokken hadden zijkaden en achterkaden. Van deze kaden zijn verschillende bewaard gebleven, zoals de Baambrugse Zuwe, Korte Zuwe en Wilnisse Zuwe. Achterkaden zijn onder andere Demmerikse Kade, Veenkade en Geerkade.

Aan de noordkant van Kamerik lag een kade om het gebied te beschermen tegen het water uit de Ronde Venen. Omdat deze kade niet mocht worden doorgraven, is de Ennipwetering gegraven. Via deze wetering waterde het gebied af op de Kromme Mijdrecht.

Landbouw

De kleigronden langs de Oude Rijn werden gebruikt als bouwland en als boomgaard. De veengronden werden direct na de eerste ontginning in gebruik genomen als bouwland, maar al vrij snel schakelde men over op veeteelt en werden de gronden ingericht als grasland. Het veen is vanaf de eerste ontginning gaan inklinken doordat het werd ontwaterd. Het volume nam daarmee af.

Dit proces werd nog versterkt doordat het veen oxideerde als gevolg van toetreding van lucht. Gevolg was dat het maaiveld daalde en het gebied te nat werd voor akkerbouw. Vanaf de 15de eeuw, toen windmolens werden ingezet om het polderwater weg te malen, kreeg de waterbeheersing een nieuwe impuls.

De bodem bleef echter dalen; gebieden die vroeger ruimschoots boven de zeespiegel lagen zijn inmiddels enkele meters gedaald en liggen nu 1 à 2 meter beneden zeeniveau.

De overschakeling op veeteelt, betekende onder meer dat in de streek kaas gemaakt ging worden. In Woerden en Bodegraven staan nog steeds kaaspakhuizen die hiervan getuigen.

Een bijzondere teelt was het verbouwen van hennep, veelal op kleine akkertjes, direct bij de boerderij. Hennep is de grondstof voor zeildoek en touw. Op veel plaatsen lagen touwslagerijen en lijnbanen waar het werd verwerkt. Voor een goede groei hadden ze veel mest nodig, die uit de stal kwam. Vaak werd ook slootbagger op de akkers uitgespreid als extra bemesting. Hierdoor kunnen we de oude hennepakkers vaak nog herkennen aan hun hogere ligging ten opzichte van andere percelen.

Verveningen

Grootschalige verveningen hebben zich in het zuiden van de regio niet voorgedaan. Het veen had niet de juiste kwaliteit en liet te veel as achter na verbranding. Voor eigen gebruik werd wel geveend. In het noorden bij de Ronde Venen was de situatie anders. Een groot deel van dit veengebied is verveend. Bij het afgraven liet men de bestaande boerderijstroken ongemoeid.

We zien dit nog terug in de oude kern van Mijdrecht, waar de oorspronkelijke bewoningsas als een rug te zien is. In de andere delen van de polders, waar het veen werd afgegraven en weggebaggerd, ontstonden grote meren. Deze zijn nadien in verschillende fasen drooggemalen in de 19de eeuw. Groot-Mijdrecht ligt bijna 6 meter onder NAP en is één van de diepste van ons land. Vinkeveen is halverwege deze ontwikkeling blijven steken.

Het dorp ligt op bovenland met brede petgaten, overgaand in plassen. Via de Proosdijersluis werd turf afgevoerd.

Droogmakerij Oppervlak (ha) Periode
Eerste bedijking 890 1791 - 1845
Tweede bedijking 175 1852 - 1865
Derde bedijking 765 1863 - 1864
Groot-Mijdrecht 2020 1872 - 1877
Wilnis Veldzijde 560 1923 - 1926

Poldermolens en gemalen

Door de voortgaande bodemdaling was molenbemaling noodzakelijk. Geleidelijk aan kreeg ieder ontginningsblok kaden en een poldermolen zodat het water kon worden geloosd. Eind 16de eeuw kende de hele regio molenbemaling. De molens van Spengen, Kockengen en Kortrijk zijn overgebleven. Oude molenplaatsen, molenweteringen en afvoersloten van de molens naar de Oude Rijn zijn her en der nog herkenbaar. Ook deze zijn meestal voorzien van kaden.

Vanaf het einde van de 19de eeuw zijn de poldermolens vervangen door gemalen. Het oudste nog bestaande gemaal in de regio is dat van Kamerik-Teylingens uit 1871, dat recent is gerestaureerd. Vanaf 1904 werden de stoomgemalen op hun beurt verdrongen door dieselgemalen, nog later door elektrische.

Waterlinies

In 1672, na een inval van Franse legers, werd in allerijl een waterlinie gesteld en werden de troepen gestuit door het water. Het jaar erop werd deze Oude Hollandse Waterlinie permanent, waarbij het inundatiegebied naar het oosten toe werd uitgebreid. Vrijwel de gehele regio zou in geval van inundatie onder water komen te staan. Bij inundatie zou gebruik worden gemaakt van bestaande wateren en kaden. Verdedigingswerken uit deze tijd ontbreken in de regio zelf. De Oude Hollandse Waterlinie verloor haar militaire functie toen vanaf 1815 de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd aangelegd, die oostelijk van de regio ligt.

Als onderdeel van de Stelling van Amsterdam zijn in het noorden van de regio in de 19de eeuw drie verdedigingswerken aangelegd: het werk bij Botshol, fort Waver-Amstel en fort Amstelhoek.

De forten aan de Drecht en de Winkel liggen pal buiten de regio. Rondom de forten lagen ‘verboden kringen’, cirkels met een straal van 1.000 meter, waarbinnen niet in steen gebouwd mocht worden, zodat er een vrij schootsveld aanwezig was. Wel werd houten bebouwing toegestaan. De polders Blokland en de Ronde Venen fungeerden als inundatiegebied. Het gebied rond Botshol is tegenwoordig aangewezen als Natura 2000-gebied.

Waterwegen

De Oude Rijn verzandde in de loop van de middeleeuwen. Daarom werd begin 14de eeuw de Leidsche Rijn aangelegd, waarlangs in 1663 een jaagpad werd aangelegd, zodat deze kon dienen als trekvaartverbinding. Het pad liep verder langs de Oude Rijn zelf. Grote delen zijn nog aanwezig.

De scheepvaart van Woerden naar Amsterdam verliep via Woerdense Verlaat, waar een knooppunt van waterwegen ontstond, omdat daar ook vaarwegen naar de Nieuwkoopse Plassen en de Vecht liepen. De Bijleveld was aangelegd om het water uit de polders bij Reijerskop af te voeren en liep recht door de Ronde Venen naar de Amstel.

Begin van de 19de eeuw werd de verbinding tussen Amsterdam en Gouda verbeterd door verbreding en verdieping van de Amstel en de Drecht tot het Amstel-Drechtkanaal. Sinds de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal wateren de cope-ontginningen hier op af in plaats van op de Vecht.

Recente ontwikkelingen

Tussen 1939 en 1943 werd de N201 Heemstede-Uithoorn geopend. Dit is één van de drukste provinciale wegen van ons land. Loodrecht erop ligt de in 1963 geopende ingenieur Enschedéweg richting Woerden waarmee de oude verbinding door de bebouwde kommen kwam te vervallen.

Er zijn meerdere ruilverkavelingen uitgevoerd in de regio. Hierbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het bestaande slotenstelsel, zodat uiterlijk geen verandering in het verkavelingspatroon is aangebracht. Dit gold ook voor de herverkaveling Bodegraven.

De verbetering van de ontsluiting van de regio vond plaats in dezelfde periode als de uitvoering van de ruilverkavelingen. Opvallend is het voorkomen van enkele kleinschalige recreatiegebieden met waterplassen langs de provinciale wegen, zoals Oortjespad, de Zwaan en het Donkereindse bos. Die laatste is aangelegd tijdens de ruilverkaveling. Rondom Utrecht zijn of worden enkele Strategische Groenprojecten uitgevoerd in het kader van het programma Recreatie om de Stad. Met name de toegankelijkheid van het landelijk gebied voor de recreant stond daarin centraal.

Naam project Oppervlak (ha) Periode % in regio
Zegveld 1598 1957 - 1968 68,9%
Oukoop-Kortrijk 6082 1967 - 1989 85,7%
Harmelen-Kockengen 2323 1959 - 1969 91,7%
Groengebied Utrecht-West1 927 2006 -lopend 14,6%
Bodegraven-Noord2 2418 1996 - 2007 20,2%
1. SGP/RODS
2. HER

De A2 werd in 1952 voltooid en doorsnijdt de oudere ontginningen langs de Angstel. Tussen 2003 en 2012 is de weg verbreed tot 2x5 rijbanen. De afritten Vinkeveen en Breukelen zijn daarbij opnieuw ingericht. Ook de hoogspanningsleiding is toen westwaarts verplaatst, de regio in.

De Vinkeveense Plassen hebben zich sinds enkele decennia ontwikkeld tot een populair watersportgebied. Er zijn meerdere jachthavens en veel voorzieningen. De plassen zelf zijn voor de zandwinning uitgediept met de aanleg van de A2 en voor de naoorlogse uitbreiding van Amsterdam. Nadien zijn er twaalf zandeilanden in aangelegd. Het dorp Vinkeveen, met name de Baambrugse Zuwe, groeide uit tot een populaire woonplek onder artiesten en TV-persoonlijkheden, mede door de nabijheid van Amsterdam en Hilversum. Langs de Zuwe staan kapitale villa’s, welke door hoge hekken aan het zicht worden onttrokken. Ook Mijdrecht en Wilnis groeiden uit tot flinke dorpen.

De dorpskernen van Kockengen, Kamerik en Nieuwer ter Aa zijn beschermd dorpsgezicht. Het gezicht Haarzuilens ligt buiten de regio.

Specifieke items

Nederzettingen

Mijdrecht/Wilnis (samen 21.000 inwoners) vormen een dubbelnederzetting, die via de oude ontginningsas langs de Herenweg in elkaar overgaan. Beide liggen in de Ronde Venen en waren tot ver in de 20ste eeuw agrarische nederzettingen. Mijdrecht was het bestuurscentrum, van waaruit de Proosdij van Sint Jan het gebied bestuurde. Er stond tot in de 18de eeuw een proostenhuis. Wilnis is altijd bescheidener van omvang gebleven. De aanleg van de N201 en de komst van (thans verdwenen) Haarlemmermeerspoorlijn richting Aalsmeer en Loenen maakte dat zich wat industrie vestigde in beide dorpen. De groei zette door vanaf de jaren 1950.

Nadien veranderden beide van lintnederzettingen tot dorpen met een duidelijke kom. Veel inwoners zijn forensen uit Utrecht of Amsterdam, hoewel er een groot bedrijventerrein is gelegen tussen beide dorpen, in de polder Groot Mijdrecht. Dit trok veel bedrijven aan, onder meer door de nabijheid van Schiphol.

Een blikvanger vormt het hoofdkantoor van S.C. Johnson Europlant. Nieuwbouwwijken zijn onder meer Proostdijland en Twistvlied in de polder Derde Bedijking, Veenzijde (Wilnis, polder Groot Mijdrecht) en Hofland in de polder de Tweede Bedijking.

Mijdrecht is ongeveer drie keer zo groot als Wilnis, met respectievelijk 16.000 en 5.000 inwoners. Het nabijgelegen Vinkeveen zit qua grootte tussen beide in: 9.500 inwoners.

Bijleveld en Heicop

Bijleveld en Heicop zijn twee middeleeuwse weteringen, die symbool staan voor de omgang met het binnenwater als gevolg van dalend maaiveld en verlandende rivieren. Een groep dorpen tussen de (Oude) Rijn en de Hollandse IJssel had de afwatering verlegd van de eerste naar de tweede, maar ondervond in de 14de eeuw opnieuw problemen toen de Hollandse IJssel verlandde.

In 1385 gaf de bisschop van Utrecht toestemming om de 17 kilometer lange Heicop te graven naar de Vecht. Een tweede groep dorpen mocht in 1413 de nog langere Bijleveld aanleggen naar de Amstel. Ze lopen over een afstand van 7 kilometer pal naast elkaar. Noordelijk van Kockengen buigt de Heicop af naar het oosten richting de Vecht, terwijl de Bijleveld doorloopt tot Nessesluis aan de Amstel. De reden dat er twee kanalen werden gegraven was een bestuurlijke: Heicop was Stichts en mocht op de Vecht (ook Stichts) lozen. De Bijleveld waterde Hollands gebied af naar de Amstel.

Literatuurlijst

  • Blijdenstijn, R., 2005. Tastbare Tijd. Cultuurgistorische atlas van de provincie Utrecht. Provincie Utrecht.
  • Bont, Chr. de, 2008. Vergeten land: ontginning, bewoning en waterbeheer in de westnederlandse veengebieden (800-1350). Wageningen. (diss. WUR)
  • Borger, G.J., A.J. Haartsen en P. Vesters, m.m.v. F. Horsten (1997) Het Groene Hart, een Hollands cultuurlandschap. Utrecht.
  • Haartsen, A., 2005. Het Land van Woerden. Hollandsche Rading.
  • Linden, H. van der, 1956. De cope. Bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands-Utrechtse laagvlakte. Dissertatie, Assen.
  • Rinsma, E.J., 1986. De Ronde Venen…een omgekeerde wereld. Alphen aan den Rijn.
  • Vervloet, J., 1998. Landsheerlijke venen: het cope-ontginningslandschap. In: Historisch-Geografisch Tijdschrift 16/3, 150-163.
  • Vesters, P., 2001. Waterwegen in het Groene Hart. Een cultuurhistorische verkenning. Amsterdam.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
De Venen
Landbouw en industrie Planmatige copeontginningen met vaste maatvoering, resulterend in een veelsoortige, stelselmatige verkaveling
Onregelmatige, vrije, veenontginningen direct langs Oude Rijn
Gehele regio veeteelt en grasland, zowel in veengebied als in droogmakerijen
Droogmakerijen andere inrichting dan veengebied, m.n. minder sloten
Knotbomenrijen
Wonen Bewoningslinten in copes (1- en 2-zijdig van ontginningsas)
hallehuisboerderijen (L- en T-varianten)
Planmatige nederzettingen in droogmakerijen
Mijdrecht-Wilnis en Vinkeveen enorm gegroeid na 1970
Bewoning langs rivieren én langs linten
Waterstaat Zeer waterrijk door kavelsloten
Oude Rijn
Kromme Mijdrecht, Waver, Angstel
Weteringen als Heycop/Bijleveld, Grecht
Vinkeveense Plassen
Dijken, sluizen, gemalen, en boezemwateren
Droogmakerijen met ringdijken (1e, 2e, 3 Bedijking en Polder Groot Mijdrecht)
Verkeer Rijksstraatweg Leiden-Bodegraven-Utrecht langs Oude Rijn
A2, N201, N212 (Ir. Enschedeweg)
Defensie Romeinse Limes
Forten Stelling A’dam elementen: Uithoorn, Waver-Amstel, Botshol
Recreatie Watersportrecreatie Vinkeveense Plassen
Kleinschalige recreatiegebieden, o.a. Bosrijk, als onderdeel ruilverkaveling
Delfstoffen en energie Sporen turfwinning: legakkers, petgaten, plassen
Religie Silhouetten dorpskerken goed te zien in het landschap, fungeren vaak als baken
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.