Panorama Landschap - Zuidoosthoek

Introductie

De regio Zuidoosthoek ligt op zandruggen tussen de rivierdalen van Tjonger en Kuinder. In het veengebied heeft grootschalige turfwinning plaatsgevonden met kenmerkend landschap van wijken. Nationaal Park Drents-Friese Wold ligt in deze regio.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Luchtfoto van het natuurgebied Ketliker Skar.
Afb. 1. Natuurgebied ketliker Skar. Foto: Paul Paris
Luchtfoto van de Bakkeveense Duinen.
Afb. 2. Bakkeveense Duinen. Foto: Paul Paris
Natuurgebied Drents-Friese Wold. In de voorgrond een hekje waarachter bomen te zien zijn op glooiende heuvels.
Afb. 3. Drents-Friese Wold. Foto: Edwin Raap
Zwart-wit luchtfoto van de Compagnonsvaart.
Afb. 4. Compagnonsvaart. Foto: Beeldbank RCE
Beckhofschans. In de voorgrond verdorde neergevallen bladeren met nieuw aangeplante struiken. In de achtergrond uitgebloeide bomen.
Afb. 5. Beckhofschans. Foto: Anke Bakker
Kaart van Zuidoosthoek.
Afb. 6. Zuidoosthoek.

Karakteristiek

De Zuidoosthoek bestaat tegenwoordig uit een aantal langgerekte dekzandruggen die van elkaar worden gescheiden door de dalen van het Koningsdiep, de Tjonger (Kuinder) en de Linde. Ruwweg zijn er drie ontwikkelingen die het landschap hebben gevormd en nog steeds goed zichtbaar zijn. Ten eerste de middeleeuwse ontginning, die vanaf de oevers van de rivieren startte en min of meer loodrecht naar achteren verliep. Vanwege de bodemdaling werden dorpen verplaatst naar hogere delen van de dekzandruggen. Er ontstond een karakteristieke indeling in natte heidevelden en hooilanden bij de rivier, bouwlanden bij de boerderijen in een langgerekte strook en heide op de dekzandrug. De tweede ontwikkeling was de systematische veenwinning in de regio. In het landschap zijn hiervan verschillende sporen achtergebleven als turfputten, petgaten, turfvaarten en wijken. Ook veenkoloniën als Jubbega Derde Sluis, Haulerwijk en Ravenswoud horen bij deze ontwikkeling. Ten derde zijn er relatief veel buitenplaatsen en landgoederen in de 17de en 19de eeuw gesticht door adel en rijke kooplieden, in het bijzonder rond Beetsterzwaag en Oranjewoud. De Friese tuinarchitect Roodbaard ontwierp een groot aantal tuinen. Een groot gebied rondom Oranjewoud is uitgeroepen tot beschermd dorpsgezicht vanwege de aanwezige landgoederen.

Naast de landbouw wordt de regio gekenmerkt door veel bos, zeker voor Friese begrippen. In het zuidoosten van de regio liggen het Nationaal Park Drents-Friese Wold en het Fochtelooerveen[1], waar ook enkele toeristische centra liggen zoals Appelscha.

Heerenveen is de grootste nederzetting van de regio, gevolgd door Wolvega, Oosterwolde en Gorredijk. De snelwegen A7 en A32 lopen door het gebied, evenals de spoorlijn Steenwijk-Leeuwarden. Wolvega en Heerenveen hebben een station. De N-wegen zijn van regionaal belang. Vanuit Oudehaske en Heerenveen lopen enkele 110kV hoogspanningsleidingen door de regio. Er staan geen windturbines in de regio.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

In het saalien was het noordelijke deel van het land met landijs bedekt. Het ijs zette in de regio een dikke laag keileem af, een mengsel van fijn leem en door het landijs meegevoerde stenen. Dit is het huidige Fries/Drents Plateau, dat uitlopers heeft in zuidwestelijke richting en doorloopt tot in Gaasterland. Op veel plaatsen ligt de keileem aan of dicht onder het oppervlak. In de laatste fasen van het saalien en in het erop volgende weichselien is een aantal noordoost-zuidwest lopende laagten ontstaan, wat nu de dalen van het Oud- of Koningsdiep, de Kuinder of Tjonger en de Linde zijn.

Tijdens het weichselien heerste een koud en droog poolklimaat. Door de wind werd over het keileem een laag dekzand afgezet van ongeveer een meter dik. In deze periode werden ook de karakteristieke uitblazingskommen en pingoruïnes gevormd. Uitblazingskommen zijn door de wind uitgeblazen komvormige laagtes. Een pingo is een heuveltje waaronder zich in de ijstijd een ijslens bevond. Door opwellend grondwater werd deze voortdurend groter. Het duwde daarbij de bovengrond omhoog, totdat dit op een gegeven moment van het ijs afgleed. Toen het ijs uiteindelijk smolt bleef een laagte met een ringwal over: de pingoruïne. Het zijn nu kleine meertjes met een lage wal eromheen.

Holoceen

Zo’n 10.000 jaar geleden kwam er een einde aan de laatste ijstijd. Het klimaat werd warmer en vochtiger en het gebied raakte met bos bedekt. De zeespiegel steeg en daarmee ook het grondwaterpeil. Op de laagstgelegen plaatsen kwam veen tot ontwikkeling. De keileem- en dekzandruggen kwamen als eilanden in de veengebieden te liggen. Het veen kroop steeds hoger tegen de dekzandruggen op en maakte het bewoonbare oppervlak steeds kleiner. Op de hogere delen is het veen grotendeels verdwenen door de uitgebreide turfwinning. Het Fochtelooerveen is het laatste overgebleven stuk veen en is nu een van de belangrijkste natuurgebieden van Noord-Nederland waar actieve hoogveenontwikkeling plaatsvindt. Ook in de rivierdalen zijn delen van het veenpakket bewaard gebleven.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart hoort de regio tot het Keileemgebied en het Noordelijk kustveengebied. Daarbinnen zijn als landschapszones onderscheiden keileemvlakten, keileemruggen, beekdalbodems, dekzandvlakten en droogmakerijen in het keileemgebied. In het veen zijn veenvlakten en droogmakerijen onderscheiden.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit de oude steentijd. Het gaat om vuurstenen voorwerpen van jagersverzamelaars van de Hamburg- en de Tjongercultuur uit ruwweg de periode 18.000-8800 v.Chr. Kenmerkend voor de periode hierna, de middensteentijd (8800-4900 v.Chr.), zijn kleine vuurstenen pijlpunten en andere werktuigen. Dergelijke vondsten zijn op verschillende plaatsen gedaan. Bij het gehucht Oude Willem zijn grafheuvels gevonden uit de eindfase van de steentijd (2450-2000 v.Chr.). In deze tijd was voor het eerst sprake van landbouw in de regio. Het aantal vindplaatsen uit meer recente perioden is gering. Dit heeft te maken met de uitbreiding van het veenmoeras onder invloed van de stijging van de zeespiegel. Daardoor werden de mogelijkheden voor bewoning steeds slechter en verliet men het gebied. Waarschijnlijk zijn grote delen van de Zuidoosthoek enige duizenden jaren niet of nauwelijks bewoond. Ten westen van Oosterwolde zijn niet alleen sporen van menselijke aanwezigheid uit de jonge steentijd maar ook uit de ijzertijd (800-0 v.Chr.) gevonden.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Omstreeks het jaar 1000 trok de mens opnieuw het gebied in. De naam van verschillende dorpen eindigt op -wold of -woud wat betekent dat er destijds bos lag. De eerste mensen vestigden zich aan de oevers van de rivieren en hebben vandaar min of meer loodrecht op de rivier het land ontgonnen. Er werden sloten gegraven vanuit de rivieren naar de hoger gelegen delen van het veengebied. Dicht bij de boerderij legde men de akkers aan, verderop lagen de wei- en hooilanden en de heidevelden. Direct na de ontginning startten de processen van klink en oxidatie van het veen. Gevolg hiervan was dat het maaiveld ging dalen. Hierdoor was het na enige tijd te nat geworden om akkerbouw te bedrijven en kon het land alleen nog als gras- en hooiland gebruikt worden. Door de bodemdaling was men na enige tijd ook gedwongen de dorpen te verplaatsen naar de hoger gelegen delen van de dekzandruggen, die tevoorschijn waren gekomen toen het veen uiteindelijk geheel was verdwenen. De ontginningen leidden aldus in het centrale deel van het gebied tot langgerekte dorpen met een indeling van natte heidevelden en hooilanden bij de rivier, bouwlanden bij de boerderijen in een strook langs de dorpsstraat en droge heiden hogerop op de tevoorschijn gekomen dekzandrug. De oorspronkelijke bebouwingsas vinden we vaak nog terug in de vorm van een ‘buitenweg’, dicht bij de rivier gelegen, terwijl de boerderijen thans aan de ‘binnenweg’ of ‘bovenweg’ staan, zoals bij Ureterp, Steggerda, Oudehorne en Wijnjewoude. Soms dragen de wegen deze namen nog, soms is de naam veranderd. De verplaatsing was een geleidelijk proces, waarbij de bewoning – vaak inclusief de kerk – gaandeweg opschoof van het ene lint naar het andere. Op verschillende plaatsen zijn oude kerkhoven gevonden op de plaatsen waar de kerk vroeger gestaan heeft, zoals het geval is bij Lippenhuizen, Wijnjeterp, Donkerbroek en Sonnega.

De dorpenreeks Lippenhuizen-Hemrik-Wijnjeterp-Duurswoude-Bakkeveen ligt aan de zuidkant van het Oud- of Koningsdiep en is vanaf de rivier in zuidelijke richting verschoven. Ten noorden van de Tjonger ligt de reeks Nieuweschoot-Oudeschoot-Mildam-Nieuwe Horne-Oude Horne-Hoornsterzwaag-Donkerbroek-Haule. Ten zuiden van die rivier liggen Makkinga-Nijeberkoop-Oldeberkoop, die de hele dekzandrug tussen de Tjonger en de Linde opvullen. Verder naar het westen ligt een aantal dorpen die op de Tjonger zijn georiënteerd: Ter Idsard, Oldeholtwolde, Nijeholtwolde, Nijelamer en Oldelamer. Door de Scheene zijn deze ontginningsblokken gescheiden van de dorpsgebieden van onder meer Nijetrijne, Oldetrijne, Sonnega, Oldeholtpade en Nijeholtpade. Deze reeks dorpen is georiënteerd op de Linde. Aan de zuidkant van de Linde liggen De Blesse, Peperga, Vinkega Noordwolde en Boyl.

Het voorvoegsel ‘olde’ of ‘nije’ duidt op een groei in de middeleeuwen, waarna splitsing volgde. In het oosten liggen nederzettingen die lijken op Drentse esdorpen, zoals Elsloo en Oosterwolde. Hier ontbrak een veendek en konden grote aaneengesloten complexen met bouwlanden (essen) ontstaan. In het centrale deel van het gebied, waar de natuurlijke indeling van het landschap in dekzandruggen en rivierdalen het duidelijkst is, vinden we op de dekzandruggen geen essen, maar is net als bij essen wel sprake geweest van plaggenbemesting. Een mengsel van koeienmest, heideplaggen, bosstrooisel of veenplaggen werd op de akkers gebracht om de vruchtbaarheid te vergroten. Vanaf midden 19de eeuw werd ook vruchtbare terpaarde aangevoerd uit de kleigebieden van Friesland.

Vroeger werd het gemengde bedrijf uitgeoefend, waarbij iedere boerderij beschikte over bouwland, hooiland en weiland. Het laaggelegen veenland was vaak als weiland of hooiland in gebruik. Op de hogere zandgronden overheerste de akkerbouw. Momenteel overheerst grasland.

Sloten en houtsingels fungeerden als perceelsscheiding. In de lage delen van het gebied, waar het grondwater relatief hoog stond, was een sloot afdoende. In drogere delen werden de sloten beplant. De singels leverden brand- en geriefhout. Verspreid door het gebied zijn zulke singels nog vrij veel aanwezig. In de 20ste eeuw werden ze op grote schaal vervangen door prikkeldraad. In de 19de eeuw werden de niet ontgonnen heidegronden in het zandgebied uiteindelijk omgezet in landbouwgrond. Voor het overgrote deel werd het grasland, dat de regio nog steeds kenmerkt.

Daarnaast werden delen woeste gronden en zandverstuivingen omgezet in landgoederen (zie verder) en bos. Het grootste gebied betrof de boswachterijen Appelscha en Smilde, samen sinds 2000 het Nationale Park het Drents-Friese Wold, waaromheen de dorpen Appelscha en Diever (Drenthe) uitgroeiden tot toeristische centra. Het bestaat uit zandverstuivingen (Aekingerzand), 20ste-eeuwse cultuurbossen als het Dieverzand, poelen (Grenspoel, Ganzepoel, Meeuwenplas) en heidevelden als het Doldersummerveld en ’t Groote Veen. Naaldbossen werden aangelegd als houtleverancier voor onder meer de Limburgse mijnen. Het gebied wordt doorsneden met wegen en paden voor inspectie en onderhoud. Gedurende de jaren 1930 werd besloten tot ontginning van een klein deel van de boswachterijen: de Oude Willem. Er werden twee werkkampen gesticht, waar de arbeiders woeste gronden ontgonnen voor land- en bosbouw. Het is tegenwoordig een weidegebied.

Ook in de 19de eeuw is de Tjonger gekanaliseerd. De Linde is aan het begin van de 20ste eeuw genormaliseerd, het Koningsdiep volgde in de jaren 1960. De regelmatig terugkerende overstroming van de erlangs gelegen landerijen waren toen verleden tijd, zodat deze gronden ook voor de landbouw gebruikt konden worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de gronden langs de Tjonger met de bijzondere naam Egypte.

Verveningen

De hoogvenen tussen de Tjonger en de Boorne en in het oosten werden vanaf de 16de eeuw systematisch afgegraven. Hiervoor werden compagnieën opgericht van enkele kapitaalkrachtige investeerders, waarvan de Opsterlandsche Compagnie en de Schoterlandsche Compagnie de bekendste waren. De compagnieën investeerden in de aankoop van de grond en de aanleg van een kanaal – meestal met sluizen – om de turf af te voeren.

De compagnieën waren elkaars concurrenten en groeven derhalve hun eigen vaarten: de Opsterlandsche Compagnonsvaart, de Schoterlandsche Compagnonsvaart en de Ureterpsvaart zijn de bekendste. De laatste ontsloot Bakkeveen en Haulerwijk.

De Schoterlandsche Compagnonsvaart takte af van de Heeresloot, een 16de-eeuwse vaart die vanuit Akkrum naar het zuiden liep.

Op de plek van de kruising ontstond Heerenveen (zie verder). De veenwinning vond plaats van west naar oost: rond 1600 was men in de buurt van Bontebok, terwijl eind 18de eeuw de omgeving van Hoornsterzwaag werd bereikt.

Het oudste deel van de Opsterlandse Compagnonsvaart dateert ook uit de 16de eeuw. Vanuit Oldeboorn werd de Nieuwe Vaart naar Gorredijk gegraven en vandaar het veengebied van Lippenhuizen en Hemrik in. Er lagen negen schutsluizen of ‘verlaten’.

Bij Wijnjeterp buigt de hoofdvaart naar het zuidoosten richting Oosterwolde en Appelscha. In 1790 was de Tjonger bereikt, waarna die werd doorgetrokken in 1827 naar de Drentsche Hoofdvaart. De vervening in de omgeving van Appelscha begon in de eerste helft van de 19de eeuw. Na Appelscha volgde als laatste Ravenswoud. Eind 19de eeuw was de turfgraverij over haar hoogtepunt heen. Men was toen tot het Fochtelooerveen gekomen, dat uiteindelijk nooit is afgegraven.

Loodrecht op de vaarten werden wijken – zijkanalen of brede sloten – aangelegd, die het veen instaken. Vanaf de wijken groef men de turf af. In een aantal gevallen werden loodrecht op de wijken nog greppels of kruiswijken gegraven. Wijkenpatronen liggen bijvoorbeeld bij Jubbega – dat zelfs een 27e Wijk kent – en Ravenswoud. Deze laatste is een jonge veenkolonie op een kruispunt van wegen en omringd door een netwerk van nog steeds bestaande wijken. Ten oosten van de nederzetting liggen de Compagnonsbossen. Het is tegenwoordig een beschermd dorpsgezicht.

De verveningswerkzaamheden leidden tot het ontstaan van nieuwe niet-agrarische kernen aan de vaarten, die de oude kernen wat betreft het inwonertal overstegen. Na de ontginning van de verveende gronden werd het gebied omgezet in landbouwgrond met nieuwe boerderijlinten.

Het noordwesten van de regio was een laagveengebied. Ook daar is systematisch turf gewonnen. Het verschil met het hoogveengebied, was dat hier op den duur sprake was van natte vervening. Dat hield in dat de veenbagger onder de grondwaterspiegel werd opgeschept met een baggerbeugel, waarna het te drogen werd gelegd op legakkers, om daarna te worden vervoerd. Er ontstond daardoor vooral tussen Luxwoude en Tijnje een zeer waterrijk gebied met veel plassen. De plassen en natte gronden zijn veelal eind 19de en begin 20ste eeuw drooggelegd en omgezet in grasland. In een aantal pingoruïnes heeft ook veenvorming plaatsgevonden. Dit is plaatselijk afgegraven voor eigen gebruik, zoals in het Diaconieveen in Nijeberkoop, tegenwoordig een natuurreservaat.

Recente ontwikkelingen

De Zuidoosthoek is de afgelopen decennia flink veranderd. Dit kwam voornamelijk door de verstedelijking van Wolvega, Heerenveen en het net buiten de regio gelegen Drachten. Dit ging gepaard met aanleg van de snelwegen A6, A7 en A32. Zeker Heerenveen is spectaculair gegroeid, waarbij de bedrijventerreinen langs de A7 opvallen. Dorpen als Gorredijk en Oosterwolde zijn flink uitgebreid en hebben regionaal een verzorgende functie. In Appelscha is het toerisme van grote economische betekenis. Er zijn campings, bungalowparken en tal van voorzieningen als restaurants en uitspanningen. Dit begon al voor de Tweede Wereldoorlog, maar zette vooral in de jaren 1960 door.

Opmerkelijk aan Appelscha is, dat het werd gesticht als middeleeuwse agrarische nederzetting, in de 19de eeuw een veenkolonie werd en nu dus is gericht op het toerisme. Het aangrenzende Drents-Friese Wold is een belangrijk natuur- en recreatiegebied in beheer van Staatsbosbeheer. Veel bossen zijn de afgelopen decennia van karakter veranderd. Er kwam een gevarieerder sortiment doordat ook loofbomen werden aangeplant. Het beheer werd meer natuurlijk en er verschenen veel voet-, ruiter en fietspaden. Er liggen enkele zandverstuivingen in het Nationaal Park.

De uitgeveende gronden werden voornamelijk omgezet in landbouwgrond. Een deel is als natuurgebied in beheer bij grote terreinbeheerders. Het Fochtelooerveen is het bekendst, maar zeker niet het enige. Zo zijn het Wijnjeterper Schar en het Bakkeveen thans een Natura 2000-gebied. Ook Van Oordt’s Mersken is een N2000-gebied.

Oldeberkoop en Ravenswoud zijn tussen 1991 en 2006 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. In de regio zijn de volgende ruilverkavelingen uitgevoerd:

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
De Veenpolders 10083 1971 - 1988 30,6%
Boornbergum 2356 1971 - 1981 40,3%
Oldelamer 4335 1969 - 1987 48,3%
Koningsdiep 11285 1959 - 1971 48,5%
Midden-Opsterland 8344 1984 - 2007 76,6%
Midden-Tjonger 10521 1974 - 1994 80,3%
Linde Zuid 7651 1963 - 1973 99,5%
Noordwolde 1356 1960 - 1968 99,7%
Ooststellingwerf 10516 1967 - 1980 100,0%
Haulerwijk 4321 1977 - 1994 100,0%
De Merrie Made 132 1928 - 1931 100,0%
Het Bovenveld 715 1941 - 1953 100,0%
Tjongervallei-Noord 1013 1953 - 1962 100,0%
Elsloo 1712 1959 - 1968 100,0%
Jubbega-Schurega 5423 1967 - 1980 100,0%
Tjabbekamp 891 2000 - 2005 100,0%

In alle gevallen zijn maatregelen uitgevoerd om een betere agrarische bedrijfsvoering mogelijk te maken. Er werden nieuwe plattelandswegen aangelegd en nieuwe boerderijen neergezet. De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn bewaard gebleven maar er is wel een grootschaliger en rationelere verkaveling tot stand gekomen. De waterhuishouding is door de aanleg van nieuwe kanalen verbeterd. Grote delen van de beekdalen zijn in handen van natuurbeschermingsorganisaties gekomen, zoals de petgatencomplexen in de Lindevallei. Her en der worden de beekdalen de laatste jaren hersteld, zoals in het Koningsdiep. Andere delen zijn gekanaliseerd gebleven. In 1999 werd begonnen met het ROM-project Zuidoost Friesland (ROM staat voor Regionale Ontwikkelingsmaatschappij). Dit was een langjarig project waarin vier gemeenten, waterschap en provincie samenwerkten voor de verbetering van de sectoren landbouw, recreatie, natuur en bedrijvigheid. In totaal is er 90 miljoen euro geïnvesteerd in 70 projecten en zijn onder meer landschapselementen hersteld.

Specifieke thema’s

Nederzettingen

Heerenveen (Fries: It Hearrenfean; 28.500 inwoners) is na 1551 ontstaan op de kruising van de Heeresloot en de Schoterlandse Compagnonsvaart. Drie ‘heeren’ richtten in dat jaar een compagnie op met als doel de venen ten oosten van Heerenveen open te leggen en commercieel af te graven. In Heerenveen ontstond drukke turfhandel, dat leidde tot de vestiging van ambachts- en kooplieden ter plaatse. Bij het knooppunt van verkeerswegen was sprake van enige kernvorming, waaronder de Crackstate.

Er vestigde zich tevens diverse nijverheid. De in 1828 aangelegde straatweg tussen Zwolle en Heerenveen was een structurerend element bij verdere uitbreidingen. Doordat vooral langs deze weg werd gebouwd kreeg Heerenveen haar langgerekte vorm. In 1868 kwam Heerenveen aan het spoor te liggen. De uitgerekte vorm verdween nadat aan de westzijde van het spoor nieuwe wijken (de Greiden, de Heide en Nijehaske) werden gerealiseerd. De weg Zwolle-Leeuwarden werd naar het oosten verlegd tot de A32. Hier voorbij ligt de laatste uitbreiding Skoatterwald, waarmee het feitelijk aan Oranjewoud is vastgegroeid. Heerenveen is een regionaal verzorgingscentrum met een stedelijk karakter. In de oksels van het Knooppunt Heerenveen verrezen grootschalige bedrijventerreinen. De stad geniet landelijke bekendheid door het Thialf ijsstadion.

Wolvega (Fries: Wolvegea; 12.500 inwoners) is de grootste plaats van de Stellingwerven. Wolvega heeft de voor de regio kenmerkende Hoofdstraat en een Bovenweg, de huidige Lycklamaweg/ Stellingenweg (N351), die samenkwamen in het centrum. Langs de Haulerweg werd ook gewoond. De plaats had een centrumfunctie en een markt, maar bleef bescheiden van omvang. De komst van het spoor was niet direct aanleiding voor grote uitbreidingen. Het park De Nieuwe Aanleg in Wolvega (1839) werd door Roodbaard ontworpen. Pas na de Tweede Wereldoorlog, voornamelijk toen Wolvega werd aangewezen als industriekern, vond een flinke groei plaats. De laatste uitbreiding is de Lindewijk in het zuidoosten tot aan de A32. Om het dorp is een rondweg aangelegd.

Defensie

In de Zuidoosthoek werden in de 16de eeuw door de Friezen twaalf schansen aangelegd tegen de Spanjaarden op plekken waar het hoogveen kon worden doorgestoken. Na de Tachtigjarige Oorlog raakte de linie in verval, maar in de loop van de 17de eeuw werd deze weer hersteld toen een aanval dreigde van Munsterse troepen. De dalen van de Linde en de Tjonger konden onder water gezet worden, waarna de schansen de accessen beschermden. Van de twaalf schansen zijn er een aantal in het landschap zichtbaar of opnieuw zichtbaar gemaakt. Het gaat om de Bekhofschans bij Oldeberkoop, de Blesbruggeschans aan de weg van Steenwijk naar Wolvega en de Zwartendijksterschans (buiten de regio). In 2012 is een ontwikkelingsvisie opgesteld, waarin de ontwikkelingskansen voor de Linie zijn gepresenteerd. Mogelijk worden nog meer schansen hersteld.

Buitenplaatsen

Het afwisselende landschap en de aanwezigheid van rijke kooplieden en verveners maakte dat in de omgeving van Heerenveen buitenplaatsen en landgoederen werden aangelegd. Er werden gronden gekocht om een buitenhuis te laten bouwen en een tuin in te richten. Er liggen tal van slingertuinen die door de bekende Friese tuinarchitect Roodbaard (1782-1851) zijn aangelegd. Deze, vooral in Noord-Nederland werkzame architect, was bekend om zijn eigen stijl, waarbij de vormenwereld van de landschapsstijl werd gecombineerd met de gegevens van het oorspronkelijke landschap. Concentraties van landgoederen en buitenplaatsen zijn te vinden bij Oranjewoud en Beetsterzwaag. Ze dateren uit de 17de en de 19de eeuw. In de 17de eeuw stond Beetsterzwaag bekend om buitenhuizen. In de 19de eeuw kwamen daar tal van villa’s bij met tuinen, parken en bossen. Oranjewoud is beschermd dorpsgezicht. Een recente toevoeging (2004) in het buitenplaatsengebied is museum Belvédère. De ligging en aanleg van het gebouw en terrein spelen in op de landschappelijke structuur.

Literatuurlijst

  • Gelderen, J. van, 2002. Van Wad tot Woud. Natuurgebieden in Fryslân. Leeuwarden.
  • Immerseel, R. en P. Verhoeff, 2016. Statig Beetsterzwaag, Parklandschap rond een Fries dorp. Utrecht.
  • Laan-Meijer, E. van der en W. Ottens, 2013. Roodbaards rijkdom. Landschapsparken Noord Nederland 1800-1850, Friesland, Groningen en Drenthe. BONAS, Rotterdam.
  • Molen, S.J. van der, 1978. Turf uit de Wouden. Bijdrage tot de geschiedenis van de hoogveengraverij in oostelijk Friesland tot 1900. Leeuwarden.
  • Spek, T, H. Elerie, J. Bakker en I. Noordhoff, 2015. Landschapsbiografie van de Drentsche Aa. Assen.
  • Worst, D., 2012. Agrarische veenontginningen en Opsterland (900 - 1700 AD). Scriptie RUG.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
Zuidoosthoek
Landbouw Strookvormige percelering in vml hoogveengebieden en op flanken dekzandrugeen, grasland én bouwland
Singels als perceelsscheiding komen voor op zand
Bosbouw en natuur NP Drents-Friese Wold (ook heide)
Ravenswoud / Compagnonsbossen
Bossen rond Bakkeveen
Bossen rond Beetsterzwaag
Fochtelooerveen en Bakkeveen N2000
Wonen Heerenveen
- Vml. veenkolonie, thans enorm gegroeid, bedrijventerreinen, Thialf
Wolvega
- Groei oiv industrialisatie Philips
Oosterwolde, vml. esdorp
Gorredijk
Lintdorpen/streekdorpen, soms herinneren ‘buitenwegen’ nog aan het opschuiven ervan
Veenkoloniale lintdorpen
- Oa. Jubbega, Haulerwijk, Appelscha
Verspreide vervenerswoningen
Waterstaat Tjonger of Kuinder met dijken/kaden
Linde met kade/dijken
Koningsdiep, plus Verbindingskanaal
Defensie Schansen Friese Waterlinie
- Bekhofschans, Schans Bakkeveen, Blesseburgschan
Delfstoffenwinning Verveningen tussen Tjonger en Boorne
Wijkenstelsels van de verschillende verveningscompagnieën
Petgaten en legakkers, oa. Lindevallei
Verkeer A32 (=vml. Rijksstraatweg), A7, N351, N380, N381
Opsterlandse Compagnonsvaart
- Met ‘verlaten’ en wijken
Schoterlandse Compagnonsvaart
- Met sluizen en wijken
Heeresloot
Spoorlijn Zwolle-Heerenveen-Leeuwarden met stations
Landgoederen en buitenplaatsen Buitenplaatsen in Oranjewoud
- O.a. Oranjewoud, Oranjestein, Prinsenhof
Buitenplaatsen Beetsterzwaag
- Lyndestein, Harixmastate (beide met park van Roodbaard)
Recreatie Appelscha vakantiecentrum
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

  1. Beide natuurgebieden liggen tevens in de Drenste regio Smildervenen en zijn aldaar ook beschreven.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:03.