Panorama Landschap - Gelderse Vallei

Introductie

De regio Gelderse Vallei ligt in het dekzandlandschap van zandruggen en beken tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Voorheen lagen hier veel veengebieden en broekbossen. Thans kent de regio intensieve landbouw en een rationeel ingericht landschap. De Grebbelinie is een opvallende structuur van deze regio.


Deze regiobeschrijving maakt deel uit van Panorama Landschap - Karakterisering van het Nederlandse landschap in 78 regio’s.
Op de interactieve kaart van Panorama Landschap zijn alle regio's terug te vinden.

Huis met daarvoor een kleine weide omringd door bomen en waterstroompjes.
Afb. 1. Buurtschap Hell. Foto: Wim van der Ende
Roffelaarsluis. Aan weerszijden van het water liggen grasvelden en staan bomen.
Afb. 2. Roffelaarsluis. Foto: Wim van der Ende
Kaart met daarop De verdedigingswerken en inundatiegebieden van de Grebbelinie.
Afb. 3. De verdedigingswerken en inundatiegebieden van de Grebbelinie. Bron: Blijdenstijn 2005.
Luchtfoto van de Grebbelinie.
Afb. 4. Grebbelinie. Foto: Paul Paris
Veehouderij bij Scherpenzeel. Te zien zijn boerderij silo’s met daarachter stallen.
Afb. 5. Intensieve veehouderij bij ScherpenzeeI. Foto: Wim van der Ende
Luchtfoto van een verkeerskruispunt in Veenendaal.
Afb. 6. Veenendaal. Foto: Beeldbank Rijkswaterstaat
Kaart van Gelderse Vallei.
Afb. 7. Gelderse Vallei.

Karakteristiek

De Gelderse Vallei is het vlakke gebied dat wordt omgeven door de heuvels van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. De landbouw bestaat overwegend uit veeteelt- en pluimveebedrijven. De regio ligt net buiten de Randstad en in meeste nederzettingen woont een fors percentage forensen, dat dagelijks op en neer pendelt naar de Randstad. De grootste nederzettingen zijn Barneveld, Leusden, Nijkerk en Veenendaal. De regio bestond in het verleden uit veengebieden en broekbossen. Vanaf de flanken van de Heuvelrug en de Veluwe is het gebied ontgonnen en in gebruik genomen. Dit is herkenbaar aan de inrichting van het gebied. Vrijwel alle dorpen liggen op deze flanken, alleen Nijkerk en Barneveld hebben zich op dekzandruggen in het lagere deel kunnen ontwikkelen[1]. Veenendaal is een veenkolonie in het lage gebied.

De ontginningen bestonden uit kampontginningen, waarbij individuele akkers en weilanden ontstonden die in een onregelmatig patroon bijeen lagen. Georganiseerde ontginningen in het middengebied leidden tot broek- en veenontginningen met een regelmatiger percelering. Vanaf omstreeks 1550 is het veengebied van Veenendaal vergraven ten behoeve van de turfwinning. Het kleinschalige landschap, met houtsingels en bosjes, is de afgelopen decennia sterk veranderd in een meer open gebied. Het deelgebied De Groep is sinds 2012 aangewezen als wederopbouwgebied van nationaal belang. In de regio liggen veel sporen van defensieve werken uit verschillende tijden: vroegmiddeleeuwse versterkingen op de Grebbeberg, kazernes als de Harskamp en werken van de Grebbelinie.

Er lopen meerdere snelwegen doorheen (A1, A12, A28, A30), tal van provinciale wegen alsmede diverse spoorlijnen. Ter hoogte van Knooppunt Maanderbroek bij Ede en in de omgeving van Harskamp staan enkele windturbines. Komende vanuit de Betuwe, lopen er meerdere 150kV hoogspanningsleidingen door het gebied, die uitwaaieren naar het noorden en westen.

Ontstaan van het natuurlijke landschap

Pleistoceen

In de voorlaatste ijstijd, het saalien, was het noorden van ons land bedekt met landijs. Een van de lobben van het landijs drong in de huidige Gelderse Vallei binnen en schoof in verschillende fasen naar het zuiden. De ijslob werkte als een enorme bulldozer en drukte de bodemlagen opzij en voor zich uit. Hierbij werden de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe gevormd. Aan de randen en onder het ijs kwam keileem tot afzetting, een mengsel van klei en door het ijs meegevoerde keien. In het centrum van de Vallei ligt de keileem tientallen meters diep: op de grens met stuwwallen ligt het her en der aan de oppervlakte. Later in het saalien stuwde het ijs nogmaals enkele heuvels op, waaronder de geïsoleerd liggende Emminkhuizer berg, die markant in het landschap ligt.

Toen het landijs afsmolt werd de Gelderse Vallei grotendeels opgevuld met smeltwaterafzettingen en later met zand- en kleilagen. In de meest recente ijstijd bereikte het landijs uit Scandinavië ons land niet. Wel heerste er een poolklimaat. Smeltwaterbeken sneden zich in, waardoor onder meer het smeltwaterdal tussen Otterlo en Barneveld ontstond. Door de wind werd dekzand afgezet. Op sommige plaatsen is het tot ruggen opgestoven, elders vinden we vrij vlakke dekzandlaagten. De Rijn en Maas moesten door het landijs en door de stuwwallen een westelijke koers gaan volgen. De Rijn stroomde langs de stuwwallen en erodeerde een deel van de heuvels, wat voor Nederlandse begrippen grote hoogteverschillen opleverde.

Holoceen

Ongeveer 10.000 jaar geleden kwam een eind aan de laatste ijstijd en begon het holoceen. Het klimaat werd warmer en vochtiger en het landschap veranderde in een gesloten bos. Meerdere beken stroomden van de stuwwallen af, die zich ondiep insneden in het dekzand. Bij Amersfoort komen verschillende beken samen en vormen daar de Eem. Het werd ook steeds natter in de Vallei. Op tal van plaatsen was de afwatering gebrekkig en ontstonden grote aangesloten veengebieden. Aangenomen wordt dat de gehele Vallei met veen bedekt is geraakt, met uitzondering van de hoogste toppen van de dekzandruggen. Het waren deze hoogste delen van de Vallei die de mens als eerste heeft ontgonnen. De veengebieden zelf zijn vanaf de 16de eeuw commercieel afgegraven.

Landschappenkaart

Op de archeologische landschappenkaart behoort de regio tot het Noordelijk zandgebied. Enkele kleine delen behoren tot de Stuwwallen, terwijl het uiterste zuiden tot de Rijn-Maasdelta behoort. Als landschapszones zijn onderscheiden dekzandvlakten, dekzandruggen en rivierduinen, beekdalbodems, droogdalbodems, hellingen, uiterwaarden en veenvlakten.

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie en Romeinse tijd

Bij de zandwinning ten zuiden van Veenendaal (Dikkenberg) zijn diverse gereedschappen van Neanderthalers gevonden. Deze zijn ongeveer 300.000 jaar oud en dateren van vóór de landijsbedekking tijdens het saalien. Een deel van de zandgroeve is ingericht als aardkundig en archeologisch reservaat. In later tijd werden alleen de randen van de Gelderse Vallei – de stuwwalflanken – intensief bewoond. Hierop wijst de aanwezigheid van grafheuvels, grafvelden, akkercomplexen en resten van nederzettingen die dateren van de nieuwe steentijd tot en met de Romeinse tijd.

In het moerassige lage land van de Gelderse vallei verbleven alleen periodiek mensen. In de middensteentijd waren hier jagers-verzamelaars actief en in het begin van de jonge steentijd mensen die jagen en vissen combineerden met kleinschalige akkerbouw (Swifterbantcultuur). Kampplaatsen zijn vooral op zandruggen langs beken gevonden. Op de hoogste zandruggen zijn ook resten van nederzettingen uit de ijzertijd (800 v.Chr. - begin jaartelling) gevonden. Door vernatting en veenvorming werd het natte hart van de regio daarna (grotendeels) verlaten. Pas in de loop van de vroege middeleeuwen raakte dit gebied vanaf de randen weer bewoond.

Middeleeuwen en nieuwe tijd

Na de Romeinse tijd was het gebied van de Gelderse Vallei zo goed als onbewoond. Het centrale deel van de Vallei bestond uit elzenbroekbossen en veen. Uit de namen van dorpen en ontginningen blijkt dit ook. Denk aan Woudenberg, Renswoude, Zwarte Broek en Ederveen. De ontginning van het gebied heeft in verschillende fasen plaatsgevonden. De eerste fase vond plaats in de Karolingische tijd (700-1000). Gaandeweg ontstond een reeks dorpen langs de randen van de Vallei en op de hogere zandgronden tussen Barneveld en Scherpenzeel. De akkers lagen opnieuw op deze hogere randen. Het aanwezige veen werd extensief vanuit de dorpen gebruikt. Op de beste plekken werden akkers aangelegd, veelal op de flanken van de stuwwal en op kleinere dekzandkopjes. Daar waar het reliëf het toeliet, konden akkers uitgroeiden tot grotere akkercomplexen of engen. Waar kleinschalig reliëf voorkwam in de vorm van dekzandkopjes, ontwikkelden zich kampen: kleine akkers, omgeven door singels. Bouwland- en graslandpercelen lagen in een mozaïek bij elkaar, gescheiden door houtsingels. Op dekzandhoogten was ruimte voor één of hooguit twee boerderijen, inclusief het akkerland. Er ontstond een patroon van verspreide bewoning bij de akkers, het kampenlandschap. Op de hogere gronden graasde het vee. Het bos degradeerde uiteindelijk tot heide.

Daarnaast vonden gestimuleerde ontginningen plaats door de landsheren (bisschop van Utrecht en de graaf van Gelre). De landsheer verkocht (veen)gronden aan een groep ontginners, die het gebied in gebruik namen. Bij deze verkoop werden de rechten en plichten van de ‘copers’ geregeld, evenals de afmetingen van de kavels. Dergelijke ontginningen liggen onder meer bij Hamersveld, Leusbroek (12de-eeuws) en ten westen van Appel.

Woudenberg werd vanaf de 13de eeuw ontgonnen, Renswoude in het midden van de 14de eeuw Ze onderscheiden zich door een regelmatiger verkaveling en rechte bewoningsassen waarlangs de boerderijen staan.

Groenland en heidevelden

De lagere delen van het landschap werden gebruikt als weiland of hooiland. Onontgonnen of woeste gronden, zoals heidevelden en bossen, werden gemeenschappelijk gebruikt. Het voedsel werd geproduceerd op de akkers, de dieren leverden de mest die op de akkers nodig was. De mest, die vanaf de 18de eeuw gewonnen werd in een potstal, werd vermengd met heideplaggen, grasplaggen of bosstrooisel en op de akkers gebracht.

De woeste gronden waren belangrijk als aanvullende weidegrond en als plaggenleverancier. De gemeenschappelijke graslanden in de Vallei werden al in de middeleeuwen verdeeld. De bossen en heidevelden bleven wel lange tijd in gemeenschappelijk gebruik. Een voorbeeld van een zo’n gemeenschappelijke weide was de meent bij Woudenberg, gelegen in de buurt van de eng.

Er ontwikkelde zich aldus een kleinschalig landschap, gekenmerkt door het voorkomen van met singels omgeven kampen, met verspreid grotere engen. Het landschap kende overwegend een onregelmatige percelering, maar regelmatige stroken in de veengebieden. Daar kwamen ook elzensingels voor.

Waterbeheersing

Het water in de Gelderse Vallei zorgde voor veel problemen. Het noordelijke deel van de Vallei waterde via de Eem af naar het noorden, naar de toenmalige Zuiderzee. De Eem had er een open verbinding mee en bij stormen stroomde het water regelmatig terug de Vallei in. Hier kon het geen kant op en zorgde voor overlast. In het zuiden overstroomde de Rijn regelmatig. Het veenpakket bij Veenendaal kon dit Rijnwater tegengehouden, maar toen dit in cultuur werd gebracht en het ging inklinken en weer later ook werd afgegraven, daalde het maaiveld. Het water kon toen wel naar het noorden doorstromen. Na veel discussies gaven de Staten van Utrecht opdracht om de Slaperdijk (1652) ten noordwesten van Veenendaal aan te leggen, die vanaf de Heuvelrug via de Emminkhuizerberg naar Renswoude loopt. Met de afsluiting van de Zuiderzee in 1932, werd dit probleem voorgoed opgelost.

Voor het in cultuur brengen van de centrale veengebieden werd een centrale watergang gegraven, via welke het water uit de ontginning afgevoerd kon worden. Haaks hierop werden parallelle sloten gegraven, die het water van de percelen wegvoerde. Vanuit de ontginningsbasis werd het water via een van de beken op de Eem en vervolgens op de Zuiderzee geloosd. Door het slotenpatroon ontstond een smalle strokenverkaveling. Met het steeds verder in cultuur brengen van de veengronden en de afgraving van het veen werd de afvoer bemoeilijkt, omdat dekzandruggen die toen aan de oppervlakte kwamen te liggen, dit tegenhielden.

De afwatering werd definitief verbeterd met de aanleg in het kader van de werkverschaffing van het Valleikanaal (1937-1941), die deels de middeleeuwse weteringen volgt. Tegelijk werden meerdere beken rechtgetrokken en verruimd.

Turfwinning

In de Gelderse Vallei is vanaf de 16de eeuw op commerciële schaal turf gewonnen. Een eerste poging werd in de 15de eeuw al gedaan in het zuiden, waarbij de Bisschop Davidsgrift werd gegraven. Dit werd een mislukking, waarop in de eeuw erna twee afzonderlijke ‘octrooien’ werden afgegeven: in 1546 het Rijn-octrooi, voor het zuidelijke deel dat naar de Rijn ontwaterde en het Zuiderzeeoctrooi uit 1550 dat naar het noorden afwaterde. Voor die laatste groef men de Schoonderbeeksche Grift, die voor een groot deel de loop van bestaande watergangen volgde. In Amersfoort werd al het water via de Eem afgevoerd. In de 18de eeuw werden beide griften met elkaar verbonden. Langs de Grift en loodrecht daarop staande wijken, ontstond een veenkolonie die uitgroeide tot wat nu Veenendaal is. De turfwinning ging door tot halverwege de 17de eeuw. Het veen was toen grotendeels verdwenen. Op de zandgronden die toen aan de oppervlakte lagen werd landbouw bedreven. Het landschap dat ontstond kenmerkt zich door lange, smalle percelen, loodrecht op de grift.

Het afgraven van het veen had grote gevolgen voor de toch al moeilijke waterhuishouding in de regio. In eerste instantie werd de afwatering door het graven van de Grift verbeterd. Toen de concessieperiode eindigde, verslechterde de situatie weer omdat de grift niet langer werd onderhouden. De aanleg van het Valleikanaal (zie boven) zorgde voor een oplossing.

De turfwinningsactiviteiten rondom Veenendaal waren niet alleen van belang vanwege hun landschappelijke gevolgen in de Gelderse Vallei zelf, ze vormden ook de scharnier (diffusie) tussen de turfwinning in Vlaanderen en West-Brabant en de veenkoloniale activiteiten in Noord-Nederland.

Infrastructuur

De verbindingen op de zandgronden bestonden in het algemeen uit paden die vanaf de dorpen naar de woeste gronden leidden en dienden om het vee van de dorpen naar de weidegronden te brengen. De doorgaande weg was de Hessenweg van Amersfoort over Voorthuizen naar Apeldoorn. Het gebied werd in de 19de eeuw beter ontsloten door de aanleg van straatwegen van Zwolle naar Amersfoort (Zuiderzeestraatweg) en de weg Amsterdam-Arnhem.

Spoorwegen deden hun intrede vanaf 1843 met de opening van de lijn Utrecht-Arnhem. De verbinding Utrecht-Zwolle is van 1863. Later volgden de spoorlijn Amersfoort-Kesteren (1886) en Ede-Nijkerk (1902). Deze laatste twee zijn opgeheven.

De waterwegen waren beperkt tot de Grift en de verbindingen met het buitenwater bij Wageningen (Oude Haven), de Eem bij Amersfoort en de Arkervaart bij Nijkerk. Het Nieuwe Kanaal tussen Wageningen en de Grift kwam tot stand in de 16de eeuw.

Defensie

In de middeleeuwen werden verschillende verdedigingswerken aangelegd in de regio. Het oudste is de vroegmiddeleeuwse walburcht op de Grebbeberg (Koningstafel), die mogelijk teruggaat op een prehistorische sterkte. Verdedigbare huizen, kastelen en havezaten hebben vooral in de overgangsgebieden tussen de stuwwallen en de laaggelegen moerassen gelegen. Sommige van deze kastelen zijn afgebroken, andere zijn in de loop der tijden verbouwd tot buitenplaatsen. De overgang van hogere delen met heide naar lagere natte delen in het landschap, spraken het gevoel voor romantiek en natuur aan. Met name in de buurt van Woudenberg en Leusden kwamen verschillende buitenplaatsen te liggen.

Al in de 16de eeuw maakte men plannen voor het gebruik van de Gelderse Vallei in de verdediging van het land in de vorm van een waterlinie, waarbij de Vallei kon worden gebruikt als inundatiegebied. Het duurde tot in de 18de eeuw voordat de Grebbelinie gereed was. De linie vormde een verdedigingsgordel tussen de Zuiderzee en de Rijn en bestond uit aardwerken in de vorm van schansen, liniewallen en inundatiekommen. Het belangrijkste onderdeel was de doorlopende liniewal die ongeveer noord-zuid door de Vallei loopt. Loodrecht hierop lagen verschillende kaden die het water moesten keren en het inundatiegebied in elf kommen verdeelden. Via sluizen kon men het water van de ene kom in de andere laten lopen. Bij Rhenen en Spakenburg werden inlaatsluizen aangelegd om het water van de Nederrijn en de Zuiderzee binnen te laten. De linie is vlak voor de Tweede Wereldoorlog versterkt met kazematten, groepsschuilplaatsen en loopgraven. In de Tweede Wereldoorlog is er gevochten, waarbij onder meer in Leusden huizen en boerderijen werden ontruimd. Delen van het inundatiegebied zijn toen onder water gezet. In 1951 werd de linie opgeheven. De uiterwaarden aan de voet van de Grebbeberg zijn tegenwoordig bekend als natuurgebied de Blauwe Kamer, waar natuur en cultuur goed samengaan, onder meer te zien in een oude steenfabriek.

Recente ontwikkelingen

Door de oorlogshandelingen in de meidagen van 1940, was er in het zuiden van de Vallei, rondom het buurschap De Groep, flinke schade ontstaan. Al in de oorlog werd begonnen met herstelwerkzaamheden, waarbij ook een ruilverkaveling werd uitgevoerd.

De toen tot stand gekomen nieuwe boerderijen zijn goed te herkennen aan een herinneringstegel met vlammen, leeuw en jaartal. Het verloop van de oorlog maakte dat volledig herstel niet plaats kon vinden. Het gebied werd uiteindelijk onderdeel van de ruilverkaveling Heiligenbergbeek. De bestaande verschillen tussen de blokverkaveling in het noorden en de strokenverkaveling in het zuiden is hierbij bewaard. De en omgeving is sinds 2014 aangewezen als wederopbouwgebied van nationaal belang.

Er zijn nog meer ruilverkavelingen uitgevoerd in de regio, waarbij voornamelijk de verkaveling op de hogere delen in het gebied werd aangepast. Doel was het verbeteren van de ontwatering en de ontsluiting van de landerijen. Verder moest de ruilverkaveling een einde maken aan de versnippering van het grondbezit.

Ruilverkaveling Oppervlak (ha) Periode % in regio
Putten 481 1950 - 1957 75,7%
Heiligenbergerbeek 5492 1969 - 1984 82,7%
Veenendaal 3023 1941 - 1952 99,5%

De landbouw zelf veranderde ook. Het gemengde bedrijf verdween en de boeren gingen zich specialiseren, vaak in de richting van de intensieve veehouderij. De essen zijn omgezet in graslanden of worden gebruikt voor de verbouw van maïs. De kippen- en eendenhouderij was al omstreeks 1900 aan het opkomen, met Barneveld als centrum. Het inrichten van verschillende ‘eiermijnen’ (veilinggebouwen voor eierenhandel), zoals in Barneveld en Nijkerk, gaven deze specialisatie nieuwe impulsen.

Begin van de 21ste eeuw werd door de Utrecht en Gelderland gezamenlijk een reconstructieplan voor de Gelderse Vallei ontwikkeld. Natuur en landschap moeten een hogere kwaliteit krijgen, de landbouw een gezonde toekomst en recreanten meer mogelijkheden. Uitvoering is gaande of vrijwel afgerond. Binnenveld is aangewezen als Natura 2000-gebied. De steden en sommige dorpen zijn na 1950 sterk gegroeid.

Amersfoort is deels de Vallei ingegroeid. In Nijkerk werd de groei eind 19de eeuw ingezet, de andere nederzettingen hebben zich vooral na de Tweede Wereldoorlog flink uitgebreid. In Leusden bijvoorbeeld, werd vanaf de jaren 1970 op grote schaal gebouwd om de overloop van Amersfoort op te vangen. Onder meer de wijk Rozendaal is toen gerealiseerd. De stedelijke uitbreidingen zijn ook in het zuiden van de Vallei zichtbaar. Zo zijn Veenendaal, Woudenberg en Scherpenzeel sterk gegroeid. Renswoude is een beschermd dorpsgezicht.

Vanwege de centrale ligging in het land, lopen meerdere snelwegen door de regio. De A1 en A12 lopen oost-west, de A30 verbindt beide. Langs de snelwegen hebben zich de laatste twintig jaar grootschalige bedrijventerreinen ontwikkeld, die profiteren van de gunstige ligging tussen de Randstad, de steden in het oosten en het Ruhrgebied.

Specifieke thema’s

Nederzettingen

Veenendaal (63.500 inwoners) is de grootste plaats in de regio. Het is gesticht rond 1650 als veenkolonie langs de Grift. Er ontstond zowel een Stichts als een Gelders Veenendaal.

Pas in 1960 werd Veenendaal geheel Utrechts. Door de turfgraverij groeide het stevig door tot ver in de 17de eeuw. Met het wegvallen ervan, was het lange tijd gedaan met de groei. Vanaf 1850 zette de industrialisatie in, waarna Veenendaal enorm ging groeien.

Er vestigden zich voornamelijk textielfabrieken, waaronder Scheepjeswol (thans verdwenen) en sigarenfabrieken als Ritmeester. Tal van nieuwe straten werden aangelegd, veelal door het dempen van oude wijken. Om het afvoerend vermogen van de Grift te verbeteren werd in 1866 het Omleidingskanaal aangelegd, welke tegenwoordig door de stad stroomt. Wijken als de Engelse stad verrezen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide Veenendaal flink door, ook nadat in de jaren 1970 de industrieën massaal hun deuren moesten sluiten. Moderne wijken zijn onder andere Dragonder en Ruisseveen. Langs de A12 liggen tegenwoordig enkele moderne bedrijvenparken.

Nijkerk (28.000 inwoners) ligt op de grens van hooggelegen zandgronden in het noorden en oosten en veengebieden in het zuiden en het westen. De Breede Beek en de Kwade Beek vloeien in Nijkerk samen. De naam Nijkerk (nieuwe kerk) slaat waarschijnlijk op een nieuwe kerkstichting vanuit Putten. Deze nieuwe kerk werd in 1222 gebouwd en vormde de kern van het dorp. In 1413 kreeg Nijkerk stadsrechten. Een stadsmuur heeft Nijkerk nooit gehad. De 15de-eeuwse omgrachting en omwalling met houten poorten, was al omstreeks 1585 al weer verdwenen. Het beloop van de gracht is in het huidige stadsbeeld nog wel te herkennen.

In de 17de en vooral 18de eeuw was Nijkerk een centrum van tabakshandel. Via Arkervaart werd de tabak afgevoerd. In de regio bloeide in die tijd de tabaksteelt. Begin 19de eeuw liep dit sterk terug, onder meer door buitenlandse concurrentie. Eind 19de eeuw groeide de stad weer met de komst van enige industrie langs de haven en aan het spoor. Na 1945 volgde een concentrische uitbreiding met nieuwbouwwijken als Corlaer en Beulekamp. Industrie concentreert zich langs de Arkervaart en de A28.

Barneveld (30.000 inwoners) is gelegen op een oost-west lopende dekzandrug. Het is ontstaan in de middeleeuwen en lag gunstig op het knooppunt van enkele doorgaande wegen, waaronder de Hessenweg naar het oosten. Er vond een schapen-, later wolmarkt plaats, die het dorp enige betekenis gaf. Eind 19de eeuw schakelde men in de omgeving over op het houden van pluimvee en werd Barneveld een centrum voor pluimvee- en eierhandel.

De nederzetting bleef bescheiden van omvang. De groei vond met name plaats na 1960, toen nieuwe wijken ten westen van het spoor werden ontwikkeld. Ten oosten van het spoor en noordelijk van de A1 werden bedrijventerreinen ontwikkeld.

Literatuurlijst

  • Mijnssen-Dutilh, Margriet, 2007. Amersfoort lag aan zee. Waterschapskroniek Vallei en Eem deel 1 (777-1616). Drukkerij Zuidam en Uithof b.v., Utrecht.
  • Rietberg, Bert, 2004. De Grebbelinie. Een cultuurhistorische gids. Utrecht.
  • Stol, T., 1992. De veenkolonie Veenendaal. Turfwinning en waterstaat in het zuiden van de Gelderse Vallei 2546-1653. Stichtse.Historische Reeks 17, Zutphen.
  • Scholte Lubberink, H.B.G., L.J. Keunen en N.W. Willemse, 2015. Op het kruispunt van de vier windstreken Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei (Utrechts-Gelders zandgebied). RCE, Amersfoort. (Nederlandse Archeologische Rapporten 48)
  • Veldhuizen, A, 1982. Hoevelaken 1132-1982. Hoevelaken.

Structuurdragers

Landschapsvormende functie Elementen en structuren in het huidige landschap
Gelderse Vallei
Algemeen laaggelegen, taps toelopend gevormde regio tussen stuwwallen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug
Landbouw De Groep Wederopbouwgebied nationaal belang
Broek- en veenontginningen in centrale deel
Strokenverkaveling ook ‘tegen de Heuvelrug op’
Kampenlandschap met onregelmatig patroon akkers en weilanden aan flanken (engen indien reliëf het toeliet)
Overwegend veeteelt, kalverhouderij en pluimveeteelt
Kleinschalig landschap door ruilverkaveling opener geworden
- Landschap rond Gerven, Hell en Appel gaaf bewaard
Bosbouw Bosgebieden rond Appel en Gerven (oud bos en heideontginning tot bos)
Wonen Bewoning op flanken stuwwallen
- Leusden esdorp, jaren 1970 groeikern
Barneveld en Nijkerk op dekzandruggen
- Barneveld centrum pluimveeteelt
- Nijkerk handelsstad
Veenendaal, hoogveenkolonie, 20ste Eeuw industrie
Lineaire veenontginningen en copes
Waterstaat Bisschop Davidsgrif
Valleikanaal
Arkervaart
Bekenstelsel richting Eem
Defensie Grebbelinie
- Kazematten en loopgraven
- Inundatiekanaal en -sluizen
- Schansen
- Inundatiekommen
- Liniewal
Kazernes (oefenterreinen op Veluwe)
Kastelen, o.a. Renswoude en Scherpenzeel
Delfstofwinning Turfwinning Veenendaal vanaf 16de eeuw
Bedrijvigheid Tabakspakhuizen, eierpakhuizen, Nijkerk
A12 bedrijvencorridor
Verkeer A1, A12, A28, A30
Spoorlijnen en stationsgebouwen
- Amersfoort-Apeldoorn
- Amersfoort-Barneveld-Ede
- Utrecht-Arnhem
- Utrecht -Veenendaal-Rhenen
Spoorlijnen en stationsgebouwen
- Amersfoort-Apeldoorn<
- Utrecht-Arnhem
- Utrecht -Veenendaal-Rhenen
Landgoederen en buitenplaatsen Buitenplaatsen rond Woudenberg en Leusden, bij Scherpenzeel en Barneveld en tussen Voorthuizen en Nijkerk
Over Panorama Landschap

Panorama Landschap beschrijft het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s en biedt hiermee inspiratie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Panorama Landschap geeft voor heel Nederland -in 78 regio’s en een apart artikel over de grote wateren- een korte karakterschets van de geschiedenis van het landschap, vanuit het perspectief van eeuwenlange veranderingen. Deze landschapskarakteriseringen bevatten geen waardering voor het landschappelijke erfgoed, of een uitputtende inventarisatie van allerlei elementen en patronen. Het zijn kleine biografieën, gericht op de genese (wordingsgeschiedenis) van het landschap: van de prehistorie tot het heden.

Tekst: Edwin Raap. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld.
Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.


Vragen, verbeteringen of opmerkingen?
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

  1. Amersfoort is beschreven in de regio Arkemheen en Eemland.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 3 nov 2022 om 03:02.