Beken en beekdalen

Introductie

Overzicht aardkundig erfgoed

Beken zijn kleine rivieren, die vooral in de Nederlandse zandgebieden in in Zuid-Limburg voorkomen. Beken liggen vaak in beekdalen van meestal enkele honderden meters breed. Veel van deze beekdalen zijn ontstaan tijdens de laatste ijstijd en tegenwoordig gevuld met zand, leem, klei of veen. Deze natte milieus vormen vaak waardevolle natte habitats en paleo-ecologische archieven.

Beken en beekdalen in het kort

Kenmerkendheid

  • Beekdalen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van waterkwaliteits en – kwantiteitsgradiënten. De waterkwantiteitsgradiënt loopt van droog op de hoogste delen via vochtig en nat naar het water in de beek. De kwaliteitsgradiënt volgt de kwantiteitsgradiënt en loopt van voedselarm naar matig voedselrijk.
  • De vorm van een beek wordt bepaald door de afvoer, het verhang en het materiaal van de oever en de bedding. Als gevolg van erosie in de buitenbocht en sedimentatie in de binnenbocht hebben natuurlijke beken een meanderend verloop. Oevers in de binnenbocht hebben een flauwe helling, die van de buitenbocht zijn steil.

Materiaal

Het beddingmateriaal varieert van grind in snel stromende beken tot organisch materiaal in langzaam stromende laaglandbeken. De beekbedding bestaat uit hetzelfde materiaal als dat van de directe omgeving. In de binnenbocht treft men fijner materiaal aan dan in de buitenbocht.

Huidige aardkundige processen

In min of meer natuurlijke beken spelen erosie, zandtransport en sedimentatie nog een rol van betekenis. Bij beken die aan banden zijn gelegd zijn de geomorfologische processen in sterke mate afgenomen. In langzaam stromende beken treedt verlanding op.

Foto van de Leuvenumse beek
Afb. 1. Leuvenumse beek op de Veluwe. Foto: CdZ, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
Beek met aan weerszijden een groene grasweide. In de achtergrond in het water staat een koe te drinken.
Afb. 2. Beekdal van de Gulp. Foto: Serassot, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
Beek omgeven door groen gebeid met bomen, struiken en gras. In het water staan twee mensen te spelen en in de voorgrond staat een paard te grazen.
Afb. 3. Beekdal van de Drentsche Aa. Foto: Poldi rijke, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

Achtergrond

Ontstaan en voorkomen

Beken zijn natuurlijk gevormde smalle wateren die overal doorwaadbaar zijn. Ze voeren neerslag en grondwater af van de hogere gebieden naar de rivieren en zee. Beken liggen vaak in beekdalen van meestal enkele honderden meters breed. Veel van deze beekdalen zijn ontstaan tijdens de laatste ijstijd. Smeltwaterpieken zorgden voor sterke erosie waardoor de beekdalen vrij breed konden worden en in konden snijden in het landschap. Naderhand zijn deze beekdalen gevuld met sediment door de beek afgezet (zand, leem, klei) of met veen. Vooral de Drentse beken zijn relatief rijk aan veen (bijv. Drentsche Aa). Vaak zijn er nog oude geulen of afgesneden meanders in het reliëf van het beekdal te herkennen.

Heuvellandbeken hebben een vrij steile loop en stromen daardoor vrij snel. Deze zijn te vinden in Zuid-Limburg, nabij Nijmegen en langs de zuidelijke Veluwerand. Laaglandbeken komen het meest voor in Nederland, met name op de hogere zandgronden van Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel (Twente en Salland), Drenthe en plaatselijk langs de binnenduinrand.

Veel beken zijn in de 20e eeuw rechtgetrokken en beekdalen zijn ontwaterd.

Bodems en waterhuishouding

Beekdalbodems zijn van nature nat, er treedt vaak kwel op. Er komen (beek)eerdgronden of veengronden voor.

Relaties met landschappelijke waarden

Cultuurhistorie en archeologie

Beekdalen behoren tot de oudst bewoonde streken van ons land. Met name de wat hogere dekzandkopjes direct langs de beken waren zeer geschikt voor de akkerbouw en als weidegrond. Beken hadden soms als functie de weiden te bevloeien (vloeiweidesystemen). Het water uit de beek werd langs houtwallen omhoog geleid, vanwaar het via een ingenieus systeem van slootjes, stuwen en dijkjes over het land werd uitgevloeid. De gronden werden hierdoor niet alleen voorzien van water, maar werden tevens vruchtbaarder als gevolg van slibdepositie. Bovendien ging men op deze manier bevriezing van de bodem tegen, zodat het groeiseizoen werd verlengt.

Vanwege de eeuwenlange bewoning van beekdalen kan men er cultuurhistorische landschapselementen aantreffen, zoals watermolens en meidoornhagen die als perceelsscheiding dienen. De percelering in de beekdalen is van oudsher meestal kleinschalig.

Ecologie en biodiversiteit

Niet gekanaliseerde beken zijn ecologisch zeer waardevol. In snelstromende heuvellandbeken groeien weinig hogere planten. In laaglandbeken is de vegetatie soortenrijk en vaak weelderig ontwikkeld. Daarnaast komen er veel diersoorten van de stilstaande wateren in voor. Van nature zijn beken omzoomd met beekbegeleidend bos, voornamelijk bestaande uit zwarte els. De natuurwaarde van beekdalen in z’n geheel is groot vanwege de aanwezigheid van gradiënten. Dit is vooral het geval indien een beek wordt begeleid door een (hoge, droge, voedselarme) dekzandrug.

Beheer

Aantastingen en bedreigingen

In Nederland is nauwelijks meer een beek met een natuurlijke loop te vinden. Naar schatting is slechts vier procent van de totale lengte van het Nederlandse beek- en rivierstelsel nog gaaf (Verdonschot, 2000b). De natuurlijke hydrologische situatie is zelfs nergens meer in tact. Hierdoor is het zandtransport sterk afgenomen en is de natuurwaarde achteruit gegaan. Vermesting en verzuring hebben er geregeld toe geleid dat natte voedselarme vegetaties plaats maakten voor meer droogteminnende en voedselrijkere vegetaties. Als gevolg van ontbossing, ontwatering en ontginning in de stroomgebieden wordt water minder lang vastgehouden en sneller afgevoerd dan vroeger. Daarbij zijn de piekafvoeren toegenomen.

Andere aantastingen vormen uitdieping, verbreding en afsnijding van bochten. Soms groef men ten behoeve van snelle afwatering nieuwe kaarsrechte lopen of bracht men kaden aan.

Tegenwoordig vormt het aanleggen van natuurvriendelijke oevers een bedreiging voor nog gave oeverprofielen. Men creëert in dat kader soms getrapte of onnatuurlijk vlakke oevers.

Beekdalen zijn in veel gevallen aangetast als gevolg van ploeg- en egalisatiewerkzaamheden. De oevers van beken worden onder de huidige omstandigheden wel ingericht als akkerland. Vanuit landschapshistorisch oogpunt valt dit te betreuren. De grond direct langs beken was van oudsher namelijk in gebruik als weidegrond.

Beheeropties

Het advies luidt om waar mogelijk beken zo natuurlijk mogelijk te laten functioneren. Verschillende beheerstrategieën kunnen worden toegepast:

Behoud

De werkzaamheden kunnen bestaan uit:

  • Planologische bescherming van de beek en oeverzone d.m.v. bestemmingsplantitel en het aanlegvergunningen stelsel. Dit is met name een taak van provincie en gemeenten in samenspraak met waterschappen en andere grondeigenaren. Vervolgens het waarborgen van de handhaving.
  • Niets doen in het geval het een nagenoeg natuurlijk beeksysteem betreft;
  • Het verruigen van de oevers en de naaste omgeving. Dit vormt bij natuurontwikkeling een goed alternatief voor het vergraven van gave oeverprofielen in het kader van ‘natuurvriendelijke oeverontwikkeling’;
  • Het periodiek opschonen of uitbaggeren van beken die aan verlanding onderhevig zijn. Om aantasting van de minerale ondergrond te voorkomen moet vooraf gepeild worden hoe dik de baggerlaag is. Handmatig opschonen of baggeren geniet de voorkeur, maar zal in veel gevallen onmogelijk zijn. Indien men besluit tot machinaal opschonen of baggeren verdient het de voorkeur machines te gebruiken die zoveel mogelijk de minerale ondergrond, het oeverprofiel en de beekdalbodem in tact te laten. Rupsvoertuigen brengen minder schade toe aan de beekdalbodem dan machines met normale banden. Bij het baggeren dient de werkrichting tegengesteld te zijn aan de stroomrichting van het water. Er wordt dan namelijk gewerkt met een maximale helderheidsgraad, zodat aantastingen aan de minerale ondergrond eerder worden opgemerkt. Bovendien kunnen organismen zich beter uit de voeten te maken.

Herstel

De werkzaamheden kunnen bestaan uit:

  • Oude meanders uitgraven indien deze in het verleden zijn dichtgestort. Men vergroot hiermee tevens de retentie van een gebied. Het is belangrijk de meander niet groter, breder en/of dieper te maken dan in de vroegere situatie. Men moet dus oppassen voor overdimensionering. De exacte ligging en afmetingen van dichtgegooide meanders kan worden bepaald aan de hand van oude kaarten en grondboringen. Met het bij uitgraving vrijgekomen materiaal kan de gegraven rechte loop worden opgevuld. Indien aanwezig kunnen de in de loop der tijd als gevolg van ploegen dunner geworden esdekken worden opgehoogd. Op deze manier beschermt men de aanwezige archeologische waarden tegen de nadelige invloed van ploegen (Anema, 1997). Het graven van meanders op plaatsen waar deze nooit gelegen hebben is onwenselijk. Op natuurlijke wijze ontstane afgesneden meanders moet men vanuit aardkundige optiek niet opnieuw aan de beek koppelen. Wil men dit toch realiseren, bijvoorbeeld om de waterberging te vergroten, dan kan men het beste de jongste oude meander uitgraven;
  • Oeverbeschoeiingen verwijderen. Als de stroomsnelheid groot genoeg is zullen als gevolg van erosie- en sedimentatie meanders tot ontwikkeling komen;
  • Het in de oude staat terugbrengen van de beekbedding indien deze als gevolg van onnatuurlijk hoge afvoeren is verdiept of verbreed. Het water wordt zo langer in het gebied vastgehouden. Ook hier geldt dat overdimensionering moet worden voorkomen;
  • Stuwen verwijderen. Dit kan echter tot gevolg hebben dat een beek, met name bovenstrooms, leegloopt. Zoiets is ongewenst indien de beek niet van nature periodiek droogvalt. Stuwen kan men het beste pas verwijderen als vooraf maatregelen worden getroffen om de retentie te bevorderen (bedding verondiepen, oude meanders uitgraven);
  • Duikers verwijderen; · Stopzetten / verminderen van grondwateronttrekkingen;
  • Beekbegeleidende bossen (zwarte els) tot ontwikkeling laten komen. Indien mogelijk is het gewenst omgevallen bomen te laten liggen;
  • Herstellen van oude beekbevloeiingssystemen. Feitelijk betreft het hier herstel van de cultuurhistorische, sterk aan de aardkundige onderlegger gerelateerde landschapsidentiteit.

Voorbeeld van reeds uitgevoerd beheer

  • Op initiatief van de Kempense vliegvisvereniging is de oorspronkelijke loop van de Keersop (Noord-Brabant) hersteld. Met behulp van oude kaarten en boringen in het veld is de oude beekloop gereconstrueerd, waarna deze is uitgegraven. De gekanaliseerde delen worden bij hoge afvoeren als overloop gebruikt. De verdeling van het water over de oude beekloop en de gekanaliseerde delen wordt door middel van stuwtjes geregeld. De aardkundige en ecologische processen en ontwikkelingen worden bestudeerd. Het project vond plaats in samenwerking met het Waterschap de Dommel, de Provincie Noord- Brabant, Staatsbosbeheer, Ministerie van LNV en de betrokken landbouworganisaties;
  • In het kader van een natuurontwikkelingsproject langs de Regge heeft Landschap Overijssel in samenwerking met het waterschap Regge en Dinkel de jongste oude, in het verleden dichtgegooide, meanders uitgegraven. Op basis van oude kaarten (eind 19e eeuw) en veldwaarnemingen is de ligging van de oude beeklopen bepaald.

Knelpunten in de praktijk

  • Om beken echt in hun oorspronkelijke toestand terug te brengen zou men de oude hydrologische situatie moeten herstellen. Dit is veelal een ondoenlijke opgave omdat over grote aaneengesloten gebieden verregaande maatregelen nodig kunnen zijn. Daar komt bij dat vrije meandering veel ruimte vergt. Men heeft met een groot aantal eigenaren te maken en moet rekening houden met diverse, soms tegenstrijdige, belangen.
  • Vrije meandering kan in sommige gevallen leiden tot aantasting of vernietiging van archeologische of cultuurhistorische waarden in de ondergrond. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een beek door een dekzandrug (met een esdek) wordt begeleid. De beek kan de dekzandrug met de daarin aanwezige archeologische waarden aansnijden.
  • Het waterschap bepaalt welke beheerwerkzaamheden wel en niet kunnen worden uitgevoerd. De afvoerfunctie staat daarbij voorop en niet de ecologische en aardkundige waarden. Zo belemmert een omgevallen boom de doorstroming van het water en zal deze volgens het waterschapsbeleid moeten worden verwijderd.
  • Beken zijn zoals veel aardkundige elementen nog interessanter indien men ze in een groter landschappelijk kader plaatst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een beek wordt begeleid door een dekzandrug. De combinatie beek – dekzandrug heeft een grotere landschappelijke, ecologische, aardkundige en cultuurhistorische waarde dan alleen de beek of de dekzandrug. Een goed beheer van dergelijke associaties komt alleen van de grond als het gebied in handen is van één of hooguit enkele eigenaren.

Verder lezen

Gebiedsbeschrijvingen

De volgende gebiedsbeschrijvingen horen bij dit landschapselement:

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 4 jul 2024 om 03:02.