Vennen, uitblazingsgaten en pingoruïnes (beheermodel)

Introductie

Overzicht aardkundig erfgoed

Vennen, uitblazingsgaten en pingoruïnes zijn natte ronde laagtes die op verschillende manieren kunnen zijn ontstaan. Het zijn vaak voedselarme, ecologisch rijke kwetsbare milieus. Hun voorkomen hangt samen met (een combinatie van) uitblazing door de wind en stagnatie op een niet water doorlatende laag. Pingoruïnes zijn over het algemeen dieper en zijn gevormd door het instorten van een ijslens in de bodem aan het einde van de laatste ijstijd. Hun venige opvulling herbergt vaak een rijk archief van de ontwikkeling van de vegetatie, het klimaat en de menselijke invloed in de omgeving.

Uitblazingsgaten en pingoruïnes in het kort

Kenmerkendheid

  • Vennen, uitblazingsgaten en pingoruïnes zijn ronde, markante depressies met een diameter van 30 tot 600 meter.
  • Pingoruïnes zijn ontstaan door het afsmelten van een ijslens in de bodem aan het einde van de laatste ijstijd. Ze worden soms omgeven door een randwal en kennen vaak een metersdikke organische opvulling.
  • Uitblazingsgaten zijn minder diep, vaak is het materiaal terechtgekomen in een (parabool)duin aan de oostkant van het ven.
  • Veel van de depressies bevatten onder de huidige omstandigheden water (vennen, dobbes).
  • Sommige vennen zijn niet ontstaan als pingoruïne of uitblazingsvlakte, ze vormden op een water stagnerende laag.

Materiaal

De ondergrond van uitblazingsgaten en pingoruïnes bestaat in de meeste gevallen uit zandig, van nature voedselarm materiaal. In de depressies zelf bevindt zich geregeld een veenpakket met daarin oude vegetatiepollen die informatie verschaffen over de vegetatieontwikkeling in het verleden en dus het klimaat. Daarbij geldt, hoe ouder en completer de sequentie van de veenlaag, hoe waardevoller.

Huidige aardkundige processen

De meestal watervoerende depressies zijn onderhevig aan verlanding of eutrofiering.

Ronde meertjes op de heide. Dit zijn pingoruïnes op het Dwingelderveld in Drenthe.
Afb. 1. Pingoruïnes op het Dwingelderveld in Drenthe. Deze ovaalvormige meertjes zijn ontstaan door het afsmelten van ijslenzen aan het einde van de laatste ijstijd. Hun organische opvulling bevat vaak een waardevol klimaat- en vegetatiearchief. Foto: Jos Stöver, RCE.
zicht op het Uddelermeer
Afb.2. Impressie van het Uddelermeer. Foto: Henk Wieland, via Flickr, CC BY-NC 2.0
Ven in de heide
Afb.3. Ven in de Hooge Heide bij Epe, het water stagneert hier op een ijzerrijk bodemhorizont. Foto: Vincent van Zeijst, via Wikimedia Commons, CC BY-NC 4.0

Achtergrond

Ontstaan en voorkomen

Verschillende soorten vennen

De meeste vennen in de Nederlandse zandgebieden zijn gevormd in pingoruïnes of uitblazingsvlaktes, ontstaan tegen het eind van de laatste ijstijd (het Weichselien), tot ongeveer 11.700 jaar geleden. Nederland was toen niet bedekt door landijs, maar het klimaat was wel zeer koud. In het toendra- en poolwoestijnlandschap was de vegetatie schaars, waardoor op grote schaal verstuivingen konden optreden. Hierbij vormden duinen en uitblazingskommen. Deze kommen vormden natte laagtes in het landschap, waar vennen konden vormden. De aanwezigheid van een stagnerende laag (kleilaag of ijzerinspoelingslaag) versterkte dit vaak (bijvoorbeeld in de rivierduinen bij Wijchen). Ook recenter, tijdens vorming van stuifzand in het Holoceen, vormden uitblazingsvlaktes met daarin vennen (bijvoorbeeld Kampina in Noord-Brabant). Dergelijke vennen zijn meestal maximaal twee meter diep en vaak zijn ze ook opgevuld met veen. Dit veen is vaak weer uitgegraven voor de turfwinning of in kader van natuurbeheer.

Pingoruïnes

Pingoruïnes kennen een dikkere organische opvulling van meestal 3 tot 8 meter dik. Soms komen dikkere vullingen voor, het aardkundig monument Mekelermeer in Drenthe heeft bijvoorbeeld een opvulling van 12 meter dik.

Pingoruïnes zijn gevormd tegen het eind van de laatste ijstijd op plaatsen waar grondwater omhoog kwam. Door de kou vlak onder het oppervlak vroor dit grondwater op en konden ijslenzen aangroeien. Dit ijs duwde de bodem omhoog, waardoor ijsheuvels vormden, die pingo's genoemd worden. Rond 13.000 jaar geleden begonnen de meeste pingo's af te smelten door klimaatopwarming. Een ovaal meer bleef achter, dat een pingoruïne wordt genoemd. Bij het dooien of openbarsten van de ijslens gleed de erop aanwezige grond naar beneden. Soms vormde ook een randwal van het afgegleden materiaal. Het meer werd opgevuld met sediment en veen, hierin kwamen o.a. stuifmeelkorrels en vulkanische assen terecht. Deze vormen een belangrijk archief voor de klimaat- en vegetatieontwikkeling van het omliggend gebied.

Vennen en uitblazingsgaten komen in alle zandgebieden voor. Er zijn ongeveer honderd vennen waarvan met zekerheid bekend is dat ze gevormd zijn als pingoruïne, deze hebben over het algemeen een dikkere organische opvulling dan uitblazingskommen of overige vennen. De meeste pingoruïnes liggen op de zandgronden van Drenthe, Groningen en Friesland. Van veel nog niet onderzochte vennen is de oorsprong niet met zekerheid bekend.

Bodems en waterhuishouding

Vennen staat vol met water of zijn opgevuld met veen. Sommige vennen danken hun oorsprong aan een schijngrondwaterspiegel op een stagnerende laag in het zand (bijv. leem, klei of een ijzerinspoelingshorizont in een podzolbodem). Dergelijke vennen zijn voedselarm.

Relaties met landschappelijke waarden

Cultuurhistorie en archeologie

Vooral pingoruïnes vormen een rijk paleo-ecologisch archief waarin de invloed van de mens af te lezen is, bijvoorbeeld ontbossing of de introductie van nieuwe gewassen in de prehistorie. Uitblazingsgaten en pingoruïnes waren vroeger de nattere plaatsen in het landschap, ze zijn in gebruik geweest als drinkplaats voor het veen, als offerplaatsen (veenlijken) of als turfwinningsplaatsen. Uitblazingsgaten en pingoruïnes hebben daarom een hoge archeologische verwachtingswaarde en zijn cultuurhistorisch waardevol.

Ecologie en biodiversiteit

De watervoerende, soms met veen gevulde depressies zorgen voor een afwisseling in het landschap en vormen een biotoop voor allerlei min of meer aan (matig) voedselarm water en veen gebonden flora en fauna.

Beheer

Aantastingen en bedreigingen

Vennen, uitblazingsvlaktes en pingoruïnes liggen zowel in natuurgebieden als in agrarisch gebied. Met name in agrarische gebieden vormt verdroging een grote bedreiging. Dit zorgt voor een onomkeerbare aantasting van het organische klimaat- en vegetatiearchief. Verdroging kan komen door (illegale) grondwaterwinning, of -in het geval van vennen- door het doorboren of doorgraven van een waterstagnerende laag.

Ook eutrofiëring of verontreiniging vormt een probleem. Dit is met name het geval wanneer sloten in verbinding staan met de watervoerende depressies. Daarbij geldt hoe groter de voedselrijkdom, hoe sneller de verlanding plaatsvindt en lager de natuurwaarde is. Andere aantastingen zijn het storten van puin en vertrapping van de randen door vee. De ringwallen rond pingoruïnes kunnen zijn verdwenen als gevolg van vergraving en/of egalisatiewerkzaamheden. Soms zijn de ringwallen echter van nature niet zichtbaar als gevolg van dekzandaccumulatie.

In het verleden hebben boeren lokaal veen gewonnen. Verder zijn uitblazingsgaten en pingoruïnes nogal eens tot op te grote diepte uitgebaggerd en opgeschoond. De minerale ondergrond werd dan aangetast en veenpakketten werden verwijderd. Hierdoor zijn belangrijke bodemarchieven voor altijd verloren gegaan.

Beheeropties

Uitblazingsgaten en pingoruïnes zijn onder de huidige omstandigheden onderhevig aan verlanding en worden niet nieuw gevormd. Bij het beheer dient men altijd, afhankelijk van de gaafheid van het object, een keuze te maken tussen het instandhouden van de vorm of van het verlandingsproces. De volgende strategieën kunnen worden toegepast:

Behoud

De beheerwerkzaamheden kunnen bestaan uit:

  • Het voorkomen van verdroging door grondwatertanden op peil te houden en door grondwateronttrekking te minimaliseren.
  • Het planologische beschermen van uitblazingsgaten en pingoruïnes door middel van het aanlegvergunningenstelsel. Dit is met name van belang om de ringwallen van pingoruïnes te beschermen tegen vergraving en dergelijke;
  • Niets doen. Dit is de beste beheervorm voor objecten die nog geheel intact zijn en complete veenprofielen bevatten. Dergelijke uitblazingsgaten en pingoruïnes herbergen immers een schat aan informatie omtrent het klimaat en de vegetatie(ontwikkeling) in het verleden. Elke ingreep kan blijvend verlies van informatie tot gevolg hebben. Vanuit wetenschappelijk aardkundig oogpunt is het bovendien interessant als in ons land tenminste enkele uitblazingsgaten en pingoruïnes voorkomen waarvan de successie nooit wordt (en is) stopgezet;
  • Periodiek baggeren en opschonen. Daarbij is het van belang de eventueel aanwezige veenlaag en archeologische waarden te sparen en dus enkel de losse bagger te verwijderen. Men kan schade aan het veenprofiel voorkomen door zeer zorgvuldig te werk te gaan en van te voren te inventariseren tot op welke diepte de baggerwerkzaamheden plaats mogen vinden. Het baggeren kan het beste handmatig plaatsvinden. In praktijk zal dit meestal niet mogelijk zijn. Gebruik dan machines waarmee nauwkeurig gewerkt kan worden zodat de kans op aantasting van de bodem en de minerale ondergrond minimaal is. De bagger dient te worden afgevoerd in plaats van te worden uitgespreid over de naaste omgeving. Men moet immers voorkomen dat er een onnatuurlijk reliëf ontstaat. Alvorens men een uitblazingsgat of pingoruïne wil uitbaggeren is het raadzaam onderzoek te verrichten naar de kwaliteit van het aanwezige slib. Indien het materiaal sterk verontreinigd blijkt en er geen geld beschikbaar is voor sanering kan men de baggerwerkzaamheden beter achterwege te laten. Verontreinigde grond mag immers niet zomaar naar elders worden afgevoerd en zou dus enkele meters van de depressie moeten worden afgezet waardoor een onnatuurlijk reliëf ontstaat;
  • Het plaatsen van rasters. Dit om vertrapping van de oevers door vee tegen te gaan;
  • Het verwijderen en/of afzetten van begroeiing rond het object. Op die manier vermindert de bladinval en vertraagt de verlanding.

Herstel

De beheerwerkzaamheden kunnen bestaan uit of betrekking hebben op:

  • Het omleiden of afdammen van sloten (hydrologische isolatie) indien de waterkwaliteit te wensen over laat. De waterkwaliteit zal niet alleen verbeteren, ook de verlanding zal minder snel plaatsvinden;
  • Het verschralen van voedselrijk geworden bodems (rond het object) om zo de natuurwaarde van het uitblazingsgat of de pingoruïne te vergroten. Men kan dit realiseren door voorzichtig de organische toplaag af te plaggen en te verwijderen. De minerale ondergrond dient daarbij onaangeroerd te blijven. Plag bij voorkeur handmatig of maak gebruik van kleine, lichte machines op rupsbanden. Verschraling kan eveneens worden gerealiseerd door bemesting (nabij het object) achterwege te laten.

Voorbeeld van reeds uitgevoerd beheer

  • Het pingoprogramma inventariseert en onderzoekt sinds 2016 de aanwezigheid van pingoruïnes in Drenthe. Dit onderzoek gaat gepaard met planvorming voor beheer en beleid en met informatievoorziening voor een breed publiek.
  • Heel wat uitblazingsgaten en pingoruïnes worden reeds op verantwoorde wijze beheerd. In Friesland bijvoorbeeld wordt grondig onderzocht tot op welke diepte men kan baggeren zonder schade toe te brengen aan het archeologisch en aardkundig erfgoed. Vaak wordt vanuit een bootje gepeild hoe dik de baggerlaag is. In samenwerking met Bureau RAAP verricht men archeologisch onderzoek alvorens werkzaamheden uit te voeren. De loonbedrijven worden goed voorgelicht over de kwetsbaarheid van de veenprofielen en houden daar bij hun werkzaamheden rekening mee. Landschapsbeheer Friesland besteedt veel tijd en geld aan de directievoering om de werkzaamheden in goede banen te leiden. Indien nodig kiest men ervoor de bagger niet met de baggerbeugel te verwijderen, maar op te zuigen met een soort stofzuiger. De bagger wordt in dat geval weggevoerd met behulp van pijpleidingen.
  • Landschapsbeheer Groningen heeft in verschillende regio’s alle natte landschapselementen geïnventariseerd. Gemeenten zijn vervolgens op de hoogte gebracht van hetgeen in hun gebied voorkomt. Voor enkele gebieden is vervolgens een beheerplan opgesteld waarna in overleg met gemeenten en eigenaren aan vele uitblazingsgaten en pingoruïnes op verantwoorde wijze beheerwerkzaamheden zijn uitgevoerd.

Knelpunten in de praktijk

De bagger in uitblazingsgaten en pingoruïnes kan vervuild zijn. De bagger moet in zo’n geval binnen een straal van 20 meter van de plaats van herkomst worden gedeponeerd. In dat geval creëert men noodgedwongen kunstmatig reliëf. Indien de bagger verontreinigd is met vluchtige stoffen (zoals PAK’s) neemt de concentratie soms vanzelf zoveel af dat het materiaal alsnog kan worden afgevoerd. De kosten voor sanering zijn hoog waardoor het onderhoud soms achterwege wordt gelaten. De provincie heeft wel gelden beschikbaar voor (water)bodemsanering, maar deze worden uitgegeven aan de meest urgente gevallen. Uitblazingsgaten en pingoruïnes vallen daar veelal niet onder. Het gevaar voor de volksgezondheid is immers niet erg groot.

Voor wat betreft de exacte ligging van de veenlaag geldt dat deze in de praktijk soms moeilijk te bepalen is. Dit is met name het geval indien de veenlaag slap is.

In Friesland heeft men ooit het water uit een pingoruïne gezogen zodat de ligging van de minerale ondergrond goed kon worden bepaald. Toen de depressie bijna van al het water ontdaan was bleken de oevers te verzakken. Met het verwijderen van het water nam men namelijk tevens de druk weg die ervoor zorgde dat de oevers stabiel bleven.

Verder lezen

Pingoruïnes op geologievannederland.nl.

Pingoruïnes op de website van het pingoprogramma.

Gebiedsbeschrijvingen[bewerken]

De volgende gebiedsbeschrijvingen horen bij dit landschapselement:

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema's Trefwoorden

ven, pingo, pingoruïne, uitblazingsvlakte, uitblazingskom

Specialist(en)

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 23 nov 2023 om 04:01.