Dekzandreliëf

Introductie

Overzicht aardkundig erfgoed In het grootste deel van de zandgebieden van noord, oost, midden en zuid Nederland ligt dekzand aan het oppervlak. Dit zand is tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) als een deken over het landschap afgezet. Dekzandreliëf in de Nederlandse zandgebieden kent een grote verscheidenheid, met laagtes, lange ruggen, geïsoleerde kopjes en paraboolduinen. Deze hogere ruggen en kopjes steken vaak ongeveer 2 à 3 meter boven de omgeving uitsteken. Deze landvormen vertellen het verhaal over de effecten van wisselende klimaatomstandigheden op het landschap. Ze vormen de basis van het cultuurlandschap in grote delen van het zandgebied en bieden belangrijke mogelijkheden voor de biodiversiteit.

Dekzandreliëf in het kort

Kenmerkendheid

  • Dekzandreliëf is in grote delen van de Nederlandse zandgebieden te vinden. De ruggen en kopjes zijn geïsoleerd hoogtes die ca. 2 tot 3 meter boven het omliggende landschap uitsteken.
  • De ruggen zijn vaak rond (kopjes), paraboolvormig of langgerekt.
  • Kenmerkend voor het dekzandreliëf is de grote verscheidenheid aan bodemsoorten. Op de hogere delen hebben zich vooral podzolbodems ontwikkeld, vaak bedekt door een plaggendek.
  • Hogere delen vormende oude bewoningsplaatsen: ze zijn rijk aan archeologie en veel oude (kromme) wegen en bewoningskernen zijn hier te vinden.

Materiaal

Dekzand bestaat uit matig tot goed gesorteerd, vrijwel steeds kalkloos arm zand met een diameter van 105 tot 210 micrometer. Uit mineralogisch onderzoek is gebleken dat het zand meestal van lokale herkomst is. Geologisch wordt dekzand gerekend tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden).

Huidige aardkundige processen

Dekzandruggen worden onder de huidige omstandigheden niet meer gevormd.

De Halserug in de Achterhoek is opgehoogd met een plaggendek, te zien aan de donkere aarde in de akker
Afb. 1. De Halserug in de Achterhoek is opgehoogd met een plaggendek, te zien aan de donkere aarde in de akker. Foto: Harm Jan Pierik, RCE.
Foto van een verstuivende dekzandrug
Afb. 2. Verstuivende dekzandrug. Foto: Naturalis Biodiversity Center, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
Foto van een doorsneden dekzandrug bij Lettele in Overijssel
Afb. 3. Doorsneden dekzandrug bij Lettele in Overijssel
Foto van bodemprofiel bij Best met dekzand
Afb. 4. Dekzandopeenvolging bij Best in Noord-Brabant. Het profiel bestaat vooral uit zand, ook zijn (grijze) leemlagen te zien. Bovenin is een kenmerkende een podzolbodem gevormd (met de grijs en bruine horizonten). Foto: Hessel Woolderink, WENR.

Achtergrond

Ontstaan en voorkomen

Het dekzandreliëf in de Nederlandse zandgebieden is gevormd tegen het eind van de laatste ijstijd (het Weichselien), tot ongeveer 11.700 jaar geleden. Nederland was toen niet bedekt door landijs, maar het klimaat was wel zeer koud. In het toendra- en poolwoestijnlandschap was de vegetatie schaars, waardoor op grote schaal verstuivingen konden optreden. Vooral uit droogliggende rivierbeddingen waaide het zand op, dat zich vervolgens over het omliggende landschap verspreide. Dekzand ligt vaak als een dunne deken over oudere afzettingen, maar kan ook tientallen meters dik zijn (zoals in de Roerdalslenk of in de Gelderse Vallei).

De dekzandvorming vond gefaseerd plaats. Oudere afzettingen zijn vaak onder nattere koude omstandigheden gevormd, hierin is vaak verspoeling te herkennen maar zijn ook veenlaagjes gevormd. Tijdens het hoogtepunt van de ijstijd, rond 20.000 jaar geleden werd het zand vrij gelijkmatig over grote aaneengesloten oppervlakken uitgespreid. In een latere drogere fase, toen de begroeiing weer enigszins toenam, werd het dekzand veelal in langgerekte ruggen of parabolen afgezet en ontstond het reliëf dat nog steeds zichtbaar is. Dekzandruggen en -kopjes steken 2 à 3 meter boven de omgeving uit en vormden al vanaf de prehistorie de belangrijkste bewoningsplaatsen. Na de middeleeuwen zijn veel dekzandhoogtes nog verder opgehoogd met een plaggendek. Veel dekzandruggen zijn in het Holoceen verstoven onder toenemende druk van ontbossing, begrazing en afplaggen.

Het dekzandreliëf kent een grote verscheidenheid; er zijn lange ruggen, maar ook geïsoleerde kopjes of paraboolduinen te herkennen. Langgerekte, smalle ruggen zijn vooral te vinden in Salland, de Achterhoek (Klein Dochteren) en in de Gelderse Vallei. Deze ruggen lopen vaak parallel met de (oude) beeklopen. De bedding van deze beken lag in de zomer vaak droog, kon het zand kon opwaaien en door de vegetatie langs de kant ingevangen worden. Fraaie voorbeelden van paraboolduinen zijn de Render- en Kamperklippen en het paraboolduin bij De Kraats. In Noord-Brabant liggen enkele brede dekzandruggen die van grote invloed zijn op de afwatering. Lokaal zijn hier fraaie duinvormen en uitblazingsvlaktes met vennen ontstaan, zoals in de Loonse en Drunense Duinen en in Kampina. Dekzandruggen kan men verder aantreffen op het Drents grondmoreneplateau, in de zandgebieden van Zuid- Groningen (Westerwolde) Zeeuws- Vlaanderen, Noord-Limburg.

Bodems en waterhuishouding

Dekzandruggen kennen een relatief lage grondwaterstand en bestaan vaak uit arm en kalkloos materiaal, waar humuspodzolgronden in gevormd zijn. Kopjes en ruggen met dikkere plaggendekken liggen vallen onder de enkeerdgronden. De gebieden tussen de ruggen en kopjes zijn van oudsher natter, hier vormden meestal gooreerdgronden of beekeerdgronden.

Relaties met landschappelijke waarden

Cultuurhistorie en archeologie

Al vanaf de prehistorie vormden dekzandruggen vanwege hun wat hogere ligging aantrekkelijke bewoningsplaatsen. Vooral ruggen die langs waterlopen liggen zijn rijk aan archeologie (bijvoorbeeld langs de Dommel). De oude kernen van veel steden en dropen liggen op dekzandruggen (bijvoorbeeld Deventer, Zwolle). Langgerekte ruggen vormden daarnaast ook aantrekkelijke routes door het landschap, ook nu nog liggen veel oude (kromme) wegen over dekzandruggen. Vanaf de Middeleeuwen werden hogere delen vaak bedekt met heideplaggen vermengd met potstalmest, waardoor plaggendekken ontstonden. Deze plaggendekken zijn tot een meter dik en beschermen zo vaak de onderliggende archeologische waarden en gave bodemprofielen.

Op de dekzandruggen bracht men geregeld houtwallen aan die dienst deden als veekering. In Noord-Nederland bevindt zich keileem onder het dekzand. Waar de keileem dicht onder het oppervlak ligt, plantte men in het verleden elzensingels als perceelsscheiding aan wat samenhangt met de relatief hoge (schijn)- grondwaterspiegel ter plaatse. Waar de keileem dieper ligt fungeerden wallen als perceelsscheiding. De cultuurhistorische elementen in op dekzandruggen hangen dus nauw samen met de aardkundige ondergrond.

Ecologie en biodiversiteit

Het dekzandreliëf kent duidelijke gradiënten in waterhuishouding, en daarmee samenhangende mogelijkheden voor habitats. Dekzandruggen zijn relatief hoog en droog en van nature arm aan voedingsstoffen. Gradiënten zijn vooral aanwezig indien een dekzandrug wordt begeleid door een beek of deze zich temidden van een venig of kleiig gebied bevindt. Van oorsprong zijn de armste dekzanden begroeid met eikenberkenbos en treft men beuken-eikenbos aan op de rijkere delen. In de middeleeuwen verdwenen veel bossen als gevolg van overmatige houtkap en overbegrazing. De dekzandruggen raakten toen begroeid met heidevelden.

Beheer

Aantastingen en bedreigingen

Dekzandruggen en -koppen zijn op veel plekken aangetast door overbeweiding, waardoor zand opnieuw verstoven werd. Hierdoor gingen veel oorspronkelijk dekzandvormen verloren, maar ontstond ook een nieuw stuifzandreliëf. Dit gebeurde vooral na de middeleeuwen. Een aantasting van latere datum is vergraving. Het zand waaruit dekzandruggen bestaan is namelijk geliefd als ophoogzand. Na ruilverkavelingen van de 20e eeuw zijn de bodemprofielen vaak tot op een diepte van verscheidene decimeters omgewoeld. Dekzandruggen in agrarische gebieden worden nog altijd bedreigd door egalisatiewerkzaamheden.

Voor natuurontwikkeling wordt soms de grondwaterspiegel tot een onnatuurlijk hoog peil opgezet. Men doet in een dergelijk geval niet alleen de aardkunde onrecht aan; ook de ecologische potenties laat men onbenut. Daarnaast graaft men poelen hetgeen zeker een aantasting betekent als de dekzandrug niet van al te grote omvang is. Op kleine schaal kunnen dekzandruggen begroeid met heide eroderen als gevolg van betreding door schaapskuddes, die dagelijks dezelfde route afleggen van en naar de stal. Op de Lemelerberg in Overijssel is dit bijvoorbeeld het geval.

Beheeropties

Bij het beheer van dekzandruggen kunnen verschillende strategieën worden toegepast:

Behoud

Het behoud van dekzandruggen betreft zowel het reliëf als de aanwezige bodemprofielen. De beheermaatregelen kunnen bestaan uit:

  • Planologische bescherming. Hier ligt een belangrijke taak voor gemeenten en provincies. Gemeenten kunnen met behulp van het aanlegvergunningenstelsel waardevolle landschappelijke elementen veiligstellen. Daarbij is het tevens noodzakelijk de grondeigenaren bewust te maken van de aanwezigheid van de waardevolle landschapselementen.
  • Niets doen, dat wil zeggen het achterwege laten van graafwerkzaamheden.

Accentueren / zichtbaar(der) maken

De werkzaamheden kunnen bestaan uit:

  • Het zoveel mogelijk openhouden en als eenheid beheren van dekzandruggen. Dekzandruggen kunnen goed dienst doen als akkerbouwgebied of heideterrein.
  • Het aanbrengen en/of onderhouden van houtwallen op plaatsen waar deze vroeger ook al voorkwamen. Men accentueert niet alleen de hoogteverschillen, maar versterkt tevens de cultuurhistorische identiteit.
  • Het stimuleren en onderhouden van een zo natuurlijk mogelijke begroeiing met eik en berk en eventueel beuk waar dekzandruggen deel uitmaken van natuurgebieden. Dekzandruggen zijn immers relatief hoog en droog en bestaan van nature uit arm zand; milieus waar eik en berk zich thuis voelen. Helaas verjongt de eik zich als gevolg van zure regen steeds moeizamer.

Reconstructie

De werkzaamheden kunnen bestaan uit het opvullen met zand van gegraven ‘depressies’. Dit is goed mogelijk indien het reeds eerder uitgegraven zand elders nog aanwezig is (bijvoorbeeld wanneer het uitgegraven materiaal is gebruikt voor het herstel van lokale zandwegen).

Dekzandruggen en -koppen zijn van nature de wat hoger gelegen delen in het landschap. Vanwege de lage grondwaterstanden bieden ze een goede ondergrond voor woningbouw. Dit vormt echter wel een bedreiging voor hun beleefbaarheid en voor het archeologisch bodemarchief, daarom is het zaak om het meest kenmerkende dekzandreliëf te sparen en de beleefbaarheid ervan te vergroten. De laagtes tussen de dekzandkoppen en ruggen zijn vaak geschikt voor waterberging ten behoeve van klimaatadaptatie. Dergelijke natte ontwikkelingen (bijvoorbeeld het graven van poelen) zijn minder logisch op de hogere delen in het dekzandgebied.

Voorbeeld van reeds uitgevoerd beheer

  • Het gebied Ter Borg (GR) is in bezit van Staatsbosbeheer. De verschillende dekzandvormen zijn er goed bewaard gebleven. De ruggen zijn begroeid met eiken-berkenbos. In de laagten vindt men heide en water. Op de dekzandkoppen vindt men essen waarvan de steilranden goed zichtbaar zijn. De dekzandvlakten zijn in gebruik als landbouwgebied en hebben dus een open karakter.
  • Het gebied van de Turfvaart en de Bijloop ten zuidwesten van Breda is in bezit van het Noord-Brabants Landschap, de Vereniging Natuurmonumenten en het Landgoed de Moeren B.V. Vanaf 1900 hebben ingrepen plaatsgevonden die een nadelige invloed hebben gehad op de waterhuishouding, de natuur en het landschap. Zo zijn dekzandruggen afgegraven, laagten opgevuld en waterlopen aangelegd of verbreed en verdiept. In het kader van de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur worden de landschappelijke en natuurwaarden hersteld; dekzandruggen en opgevulde laagten worden gereconstrueerd en de afwatering wordt beperkt.
  • Het Landschap Overijssel heeft dekzandkopjes in het Reggedal gereconstrueerd. De depressies, ontstaan door vergraving, zijn opgevuld met enkele honderden kubieke meters schraal zand.

Knelpunten in de praktijk

Dekzandruggen zijn relatief grote aardkundige elementen en strekken zich dus veelal over meerdere percelen uit. Het beheer komt enkel van de grond als alle terreineigenaren meewerken. Dekzandruggen zijn vooral interessant als men ze in een groter landschappelijk kader plaatst. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een dekzandrug een beek begeleidt. De combinatie beek – dekzandrug heeft een grotere landschappelijke, ecologische, aardkundige en cultuurhistorische waarde dan enkel de beek of de dekzandrug zelf. Een goed beheer van dergelijke associaties heeft heel wat voeten in aarde en kan enkel van de grond komen als een gebied in handen is van één of hooguit een paar eigenaren.

Verder lezen

Dekzand op de website geologie van Nederland

Gebiedsbeschrijvingen

De volgende gebiedsbeschrijvingen horen bij dit landschapselement:

Zie ook

ArtikelenHoort bij deze thema's Trefwoorden

dekzand, dekzandkop, dekzandrug, Weichselien

Begrippen

dekzanden, dekzandkopjes en dekzandruggen

Specialist(en)
U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 4 jul 2024 om 03:02.