Archeologie - types complexen

Introductie

Nederland kent circa 1500 archeologische rijksmonumenten. Om eigenaren beter te informeren over 'hun' monument heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2023 per monument een archeologisch rijksmonumentenpaspoort uitgegeven. Deze pagina is (deels) opgesteld en/of aangevuld op basis van dit paspoort.

Dit is een lijst met types archeologische complexen die in Nederland voorkomen, met voorbeelden.

Afwaterings- / inundatiekanaal / greppel / sloot

Een watergang, gegraven om water af te voeren of een gebied onder water te zetten. De behoefte aan afwatering in laag-Nederland bestaat zo lang er mensen wonen. Een nieuwe ontginning begon altijd met het graven van sloten. Vooral tijdens de grote ontginningen tussen 1100-1300 na Chr. zijn vele duizenden kilometers sloot gegraven.

Agrarische productie en voedselvoorziening

Akkerbouw en veeteelt zijn de basis voor een boerentraditie. Die bestaat uit een plaatsvaste levenswijze waarin het produceren van voedsel centraal staat. Bij een agrarische leefwijze hangen het verbouwen van gewassen en het houden van dieren (runderen, varkens, schapen/geiten) voor mest, vlees, melk, huiden en wol onlosmakelijk met elkaar samen.

Akker

Een akker is een stuk grond dat bewerkt is om er gewassen te verbouwen. In de prehistorie zijn vaak bossen omgekapt of platgebrand om nieuwe akkers aan te leggen. Later zijn ook nattere delen van het landschap ontgonnen, zoals dicht bij beken en op veen. De vroege boeren van Nederland legden rond 5300 voor Chr. de eerste akkers aan.

Akker / tuin

Een akker of (moes)tuin is een stuk grond dat bewerkt is om er gewassen te verbouwen. In geval van een akker zijn dat granen en andere ingrediënten voor de maaltijd, zoals peulvruchten. Bij een (moes)tuin ligt de nadruk meer op het kweken van groenten, kruiden en fruit.

Badhuis

Een Romeins badhuis, ook wel thermen genoemd afgeleid van het Latijnse woord thermae dat warme baden betekent, kende verschillende ruimtes. Buiten was er een ommuurd deel voor sporten. Binnen waren er verschillende vertrekken: kleedruimtes, massagekamers en baden met heet, lauw en koud water. In een stookoven werd water verhit en via loden leidingen naar de baden geleid. De warme lucht verspreidde zich via holle muren en opgehoogde vloeren. Dit vloerverwarmingssysteem wordt ook wel hypocaustum genoemd.

Begraving

Een begraving is de handeling door nabestaanden die een overledene ter aarde bestellen. Het lichaam is onverbrand (inhumatie) of verbrand (crematie) begraven. De variatie in begravingsvormen is groot. De dode kan in een boomstam, houten kist of grafkuil zijn begraven of de crematieresten zijn verpakt in een urn, doek of los in een kuil geplaatst. In de middeleeuwen ontstonden formele begraafplaatsen bij kerken.

Bewoning

Realistische reconstructietekening van een tweetal woongebouwen, uit vogelperspectief bekeken. De woningen hebben grote rieten daken en bevinden zich in kleine percelen grasland omringd met sloten. Her en der grazen koeien.
Impressie van bewoning op het platteland in het rivierengebied in de Romeinse tijd, gebaseerd op archeologisch onderzoek aan de Woudselaan, Den Hoorn, Midden-Delfland. Men vestigde zich op oeverwallen van kreken, hoog en droog. © Steven Jongma, archeologie Delft

Vanaf de late steentijd gaan mensen zich vestigen op één plaats. Ze kappen bos, leggen akkers aan, bouwen huizen en houden vee. Hun bestaan is gericht op voedselproductie. Deze plaatsvaste agrarische levenswijze wordt steeds verder doorontwikkeld. Vanaf de Romeinse tijd ontstaan steden, waaraan het achterland producten levert. Sommige dorpen, maar vooral steden, krijgen in de late middeleeuwen verdedigende elementen.

Voorbeeld: Eext - Kampakkers

Bewoning (midden-neolithicum Trechterbekercultuur)

Over hoe de hunebedbouwers woonden, is nog weinig bekend. We kennen vooral de stenen grafkamers, de hunebedden. In de Duitse regio Nedersaksen zijn wel flinke rechthoekige boerderijen onderzocht. Verschillende nederzettingen zijn met een palissade beschermd. De bewoners van deze huizen vormen een boerengemeenschap. Ze kappen bos, leggen akkers aan en houden vee. Hun bestaan is gericht op voedselproductie.

Brug

Een brug legt een verbinding over water en verbindt de ene met de andere oever. Al in de prehistorie zijn zogenaamde knuppelbruggen aangelegd, bestaande uit dwars geplaatste boomstammen, om natte en venige zones te overbruggen. De Romeinen maakten de eerste bruggen van steen, steunend op pijlers.

Castellum

Een castellum is een fort voor militaire hulptroepen, gebouwd langs de grens van het Romeinse rijk (limes), grofweg de Oude Rijn. Een castellum bestond uit een verdedigingswal en grachten, waarbinnen onder andere het hoofdkwartier van de commandant en de soldatenbarakken lagen. Er verbleven zo'n 500-800 man. Aanvankelijk werden de forten in hout gebouwd, maar in de loop van de tweede eeuw na Chr. werden steeds meer elementen in steen opgetrokken.

Circumvallatielinie

Een circumvallatielinie is een uitgestrekt circulair aanvalswerk, gebouwd door belegeraars rondom een stad of vesting. Het woord circumvallatie is afgeleid van de twee Latijnse woorden ‘circum’ (rondom) en ‘vallum’ (wal) en geeft dan ook aan dat iets rondom is omwald. Het aanleggen van een omsingelingslinie met grachten, wallen en fortificaties was enerzijds bedoeld om een belegerde stad of vesting van de buitenwereld af te sluiten en te voorkomen dat ingesloten troepen uit zouden breken. Vanuit de linie werd de vijand bestookt en werden gangen gegraven om de verdedigingswerken te ondermijnen. Daarnaast moest de linie voorkomen dat een ontzettingsmacht van buitenaf de belegeraars in de rug zou kunnen aanvallen. Een stad of vesting, met al haar inwoners, kon zo worden ingenomen of uitgehongerd en tot overgave gedwongen.

Cultusplaats / heiligdom

Een cultusplaats is een plek of bouwwerk waar bovennatuurlijke krachten zijn vereerd. Vaak was het terrein afgebakend door een of meer greppels of een palissade. Binnen het terrein, meestal in de greppels, worden vondsten ontdekt die wijzen op offergaven, bijvoorbeeld verbrande dierenbotten, munten of metalen voorwerpen die bewust zijn gebroken. Cultusplaatsen en heiligdommen zijn vanaf de late bronstijd tot in de Romeinse tijd gebruikt.

Voorbeeld: Elst - Grote Kerk

Dam

Een dam staat dwars op een rivier of beek en bestaat uit een aarden lichaam, vaak in combinatie met hout en stenen. Dammen werden sinds de prehistorie ingezet om water te keren, te geleiden of te verdelen. Omdat er veel mensen langskwamen of overstaken, zijn er vaak nederzettingen bij ontstaan, denk bijvoorbeeld aan Amsterdam en Rotterdam.

Dijk

Een dijk is een lijnvormige wal, opgeworpen om water buiten of (bij inundaties) binnen te houden. Dijken komen soms voor in combinatie met een kanaal of vaart, bijvoorbeeld bij inpolderingen. Bedijking bestaat al sinds de Romeinse tijd, maar werd in de loop van de middeleeuwen een essentieel onderdeel van de waterhuishouding. Dijken zijn regelmatig opgehoogd, verbreed of verlegd, bijvoorbeeld na een doorbraak.

Drenkplaats of dobbe

Een drenkplaats, ook wel dobbe genoemd, is een waterpoel om vee te laten drinken. Het is een verzamelpunt voor hemelwater. Dit waterreservoir kan ook gebruikt zijn door de mens, bijvoorbeeld als bluswater. Er zijn gegraven dobbes, maar ze kunnen ook op natuurlijke wijze zijn ontstaan. Ze komen voor in zandlandschappen en in zoute of brakke kwelders. De oudste door de mens gegraven dobbes dateren uit de ijzertijd.

Es

Een es is een groot, aaneengesloten akkercomplex. De akkers liggen vaak wat hoger omdat jarenlang met mest vermengde grond of plaggen is opgebracht. Doorgaande wegen lopen langs de randen en er staan geen boerderijen. Er zijn geen individuele percelen gescheiden door bijvoorbeeld houtwallen, boomsingels, hekken of greppels. Het is een open landbouwareaal. Essen zijn vaak eeuwen oud en door verschillende boerenfamilies – deels gemeenschappelijk – gebruikt. Ze zijn in de late middeleeuwen ontstaan.

Galgenberg

Een galgenberg is een heuvel waarop overleden terechtgestelden hangend aan palen werden getoond als afschrikwekkend voorbeeld. De lijken van de terdoodveroordeelden vormden een duidelijke boodschap: misdrijven worden bestraft. Galgenbergen liggen dan ook vaak aan verbindingswegen of bij kruispunten van wegen, om dit de reizigers duidelijk te maken. Dit gebruik eindigt rond 1800. Prehistorische grafheuvels zijn regelmatig gebruikt als galgenberg.

Grafheuvel

Doorsnede van een grafheuvel met betonvloer in een veld met hoog gras. Achter de grafheuvel staat een schapenhek, in de achtergrond is een dichtbegroeid bos zichtbaar.
Reconstructie van een grafheuvel bij Vierhouten. In de doorsnede is te zien dat het heuvellichaam nogmaals is opgehoogd en dat onder en in deze grafheuvel verschillende overledenen zijn bijgezet. Gouwenaar, via Wikimedia Commons.

Een grafheuvel is een door nabestaanden aangelegde heuvel van heideplaggen of ander materiaal waaronder of -in overledenen zijn begraven. De eerste grafheuvels zijn opgeworpen in de late steentijd, toen lijkbegraving – het onverbrand begraven van het lichaam – in zwang was. Vanaf de bronstijd tot in de Romeinse tijd zijn de doden gecremeerd onder de heuvel begraven. Meestal zaten hun resten in een urn. Door het graf met een heuvel te markeren, creëerden de mensen van toen duidelijk zichtbare elementen in het landschap. Grafheuvels treffen we vooral aan op de zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Zo zijn de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en de Drentse Hondsrug grafheuvelrijke regio’s. Deze prehistorische grafheuvels herbergen informatie over het vroege verleden. Ze bevatten gegevens over hoe de mensen vroeger met hun overledenen zijn omgegaan. Vaak hebben de begraafplaatsen een duidelijke relatie met het landschap.

Grafveld

Een grafveld is een plaats waar meer dan een persoon is begraven. De lichamen kunnen onverbrand (inhumatie) of eerst verbrand (crematie) ter aarde zijn besteld. De graven waren vaak gemarkeerd, met lage heuvels, zoals bij een urnenveld of met andere tekens. De begraven personen vormen een sociale eenheid, een familie of gemeenschap. We kennen grafvelden sinds de steentijd.

Haven

Een haven is een beschutte plek aan het water, bij een stad of dorp, waar schepen kunnen aanleggen en waar goederen worden gelost of overgeslagen. Vaak zijn ze voorzien van golfbrekers, steigers, kaden en meerpalen. De oudste havens in Nederland zijn aangelegd in de Romeinse tijd.

Huisplaats

Vanaf de prehistorie kennen we boerderijen die geïsoleerd in het landschap liggen, niet als onderdeel van een grotere nederzetting. Ze worden ook wel huisplaatsen genoemd. In de middeleeuwen waren de bewoners van deze erven vaak de eerste ontginners, meestal van marginale gebieden. Soms zijn deze boerderijen in een latere fase opgehoogd tot een huisterp of -wierde uitgegroeid tot een gehucht of dorp.

Huisterp / huiswierde

Illustratie van een huisterp. Rechts ligt het huis met bijgebouwen en landbouwgrond, afgebakend met een hekje. Links ligt een breed kanaal met een zeilbootje. In de lucht hangen wolken.
Impressie van een huisterp uit de 10e eeuw in het rivierengebied, gebaseerd op onderzoek bij polder Honderdland, Maasdijk. Jan Willem de Kort, RCE

Een huisterp of huiswierde is een kunstmatig opgeworpen verhoging waarop een huis stond, vaak met schuren, stallen en andere bijgebouwen. Huisterpen zijn opgeworpen in laaggelegen gebieden, om zo droge voeten te houden. Ze komen voor in het kustgebied, maar ook in veengebieden en de rivierengebieden van Rijn, Waal, Maas en IJssel. We kennen ze vanaf de late bronstijd/ijzertijd tot in de nieuwe tijd.

Hunebed

Digitale impressietekening van een begrafenisritueel. In de voorgrond ligt de overledene bedekt met een doek en trechterbekers als grafgiften. Hier omheen staan zes mensen. Links staan een kampvuur met twee personen die op het vuur letten en twee honden. Linksachter komen twee mensen met hertenpoot als grafgift aanlopen. Rechts in de achtergrond zijn twee mensen met spades aan het hunebed aan het werken.
Deze reconstructietekening geeft een impressie van het begrafenisritueel van de Trechterbekercultuur. De overledene wordt in het hunebed begraven, bekers van aardewerk worden als grafgift meegegeven. © Ulco Glimmerveen

Een hunebed is een grafmonument gebouwd door de mensen van de Trechterbekercultuur, uit 3400-3050 voor Chr. Het stenen ‘skelet’ van een hunebed bestaat uit grote draagstenen en daarop gelegde dekstenen. Het monument was oorspronkelijk bedekt met aarde en had een toegang tot de gemeenschappelijke grafkamer. Die bestond uit verschillende ruimtes waarin de botten van de overledenen en grafgiften zijn bijgezet.

IJzerwinning (algemeen)

Sinds de Romeinse tijd wordt in Nederland ijzer gewonnen uit ijzeroer. Dit moerasijzererts is verzameld uit ijzeroerbanken in venige gebieden en beekdalen. Door verhitting in kuilen kon het ijzer uit het erts worden gehaald. Een andere ijzerbron zijn klapperstenen: afgeronde ijzerconcreties, waarvan de kern soms los zit. Klapperstenen zijn vooral in de vroege middeleeuwen op de Veluwe gebruikt. Rond 1100 liep deze industrie op zijn eind.

IJzerwinning (Veluwe)

Doorsnede van een klappersteen met maatstok.
Doorsnede van een klappersteen; een leem - kern met eromheen ijzererts. Soms krimpt de leemkern en komt los van de ijzererts. Door de klappersteen te schudden maakt deze een klapperend geluid. Gemeente Apeldoorn, via Wikimedia Commons

Op de Veluwe is in de vroege middeleeuwen op grote schaal ijzer gewonnen en geproduceerd. De ijzerbron waren de zogenoemde klapperstenen: afgeronde ijzerconcreties waarvan de kern soms los zit. Vooral op de zandgronden van de Veluwe zijn allerlei sporen van ijzerwinning gevonden, zoals de winningskuilen, de houtskoolmeilers (afgedekte, langzaam gestookte houtstapels om grote hoeveelheden houtskool te maken) en grote hopen slakken die het afval vormen van de ijzerproductie. Naar schatting is ruim vijftig miljoen kilo ijzer gemaakt. Het Veluwse ijzer heeft zijn weg gevonden naar handelscentra in de Lage Landen en waarschijnlijk ook daarbuiten.

Industrie en nijverheid

Overblijfselen van industrie en nijverheid wijzen vaak op ambachtelijke activiteiten. Het gaat om plekken waar voorwerpen zijn gemaakt of bewerkt. Denk aan het looien van huiden, het bewerken van metaal (goud, brons of ijzer), het bakken van aardewerken potten of het maken van bouwmaterialen, zoals bakstenen van klei. Dit soort locaties kunnen worden herkend aan grote hoeveelheden houtskool, smeltslakken, misbaksels of malfragmenten.

Infrastructuur

Sinds de prehistorie legt de mens verbindingen aan over land en water. Dit noemen we infrastructuur. Met houten planken werden venige delen begaanbaar. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werd de duiker uitgevonden, aanvankelijk niet meer dan een uitgeholde boomstam. De Romeinen waren de eersten die wegen met drainage aanlegden en stenen bruggen bouwden. Sporen van de voertuigen, zoals van middeleeuwse karren, verraden oude routes in zandbodems.

Kalksteen- of mergelwinning

Daar waar mensen grote blokken kalksteen hebben uitgraven, spreken we van kalksteen- of mergelwinning. De blokken zijn verder bewerkt, getransporteerd en gebruikt als bouwmateriaal. We vinden winningslocaties voornamelijk in Zuid-Limburg, waar kalksteen van nature voorkomt. De oudste sporen van kalksteenwinning dateren uit de Romeinse tijd.

Kanaal van Corbulo

Gedetailleerde en realistische reconstructietekening in kleur. Schuin zijzicht op een kanaal van ongeveer 10 meter breed. Op het kanaal varen verschillende schepen. Daarachter is de oever goed te zien, met een groepje mensen met een paard en op de achtergrond een kleine nederzetting met licht gekleurde huizen met rode daken.
Een klein patrouilleschip van de Romeinse vloot passeert een paar vrachtschepen op het Kanaal van Corbulo. Eeuwenlang was dit een belangrijke binnenvaartroute tussen de mondingen van Rijn en Maas. Beeld © Ulco Glimmerveen.

Het Kanaal van Corbulo is een watergang vernoemd naar de Romeinse legeraanvoerder Gnaius Domitius Corbulo. Rond 50 na Chr. vormden de Romeinen dit kanaal door natuurlijke geulen met elkaar te verbinden. Zo ontstond er een waterweg van ca. 30 km, een verbinding tussen Rijn en Maas. Het verbeterde de transportmogelijkheden.

Kapel

Een kapel is een kerkelijk gebouw van hout of bak-/natuursteen, meestal voorzien van een altaar. Ze komen voor in of bij nederzettingen. Soms hadden privépersonen, zoals kasteelheren, eigen kapellen. Kapellen liggen ook in de landelijke omgeving (veldkapel) of langs wegen (wegkapel), bestemd voor bewoners en passerende reizigers. Kapellen komen voor sinds de vroege middeleeuwen.

Kasteel

Een kasteel is een goed verdedigbaar wooncomplex met verschillende gebouwen, zoals torens, woonvleugels, een poortgebouw en kapel. De gebouwen zijn uitgevoerd in hout, natuur- of baksteen en hebben vaak weergangen, kantelen en schietgaten. Een kasteel is meestal omgeven door een of meer grachten en wallen met een ophaalbrug. Kastelen komen voor vanaf de middeleeuwen (ca. 1050 na Chr.).

Kerk

Een kerk is een kerkelijk gebouw van hout of bak-/natuursteen. Een kerk bestaat uit een schip en koor, met of zonder een toren. In het koor staat het altaar. In en rond de kerk hebben gelovigen hun laatste rustplaats gekregen. In Nederland zijn sinds de vroege middeleeuwen kerken gebouwd.

Kerkhof

Een kerkhof is een afgebakend terrein, bestemd voor christelijke begravingen. Dit gebied ligt rond een (voormalige) kerk, kapel, klooster of gasthuis. De graven liggen in rijen op regelmatige onderlinge afstand en zijn oost-west gericht. Ze zijn vaak gemarkeerd met een grafsteen of kruis. Kerkhoven komen voor vanaf het eind van de vroege middeleeuwen.

Klooster

Een klooster is een complex van gebouwen, bestemd voor een gemeenschap van mannen of vrouwen die binnen de muren een godsdienstig leven leiden. Een klooster bestaat uit een kloosterkerk, kloosterhof en -gang, kapittelzaal, refter, ziekenzaal, keuken en verblijven van de kloosterlingen. In Nederland kennen we kloosters vanaf de vroege middeleeuwen.

Kloostervoorwerk

Een kloostervoorwerk, ook wel kloosterboerderij of uithof genoemd, omvat een of meerdere boerderijen die eigendom zijn van een klooster. Een kloostervoorwerk ligt op afstand van het klooster zelf en er zijn lekenbroeders en -zusters werkzaam.

Landhuis / buitenhuis

Een landhuis of buitenhuis is een groot woonhuis in een landelijke omgeving met een fraaie tuin. Vanaf de zeventiende eeuw lieten rijke stedelingen buitenhuizen bouwen om in de zomermaanden de stank en de drukte van de stad te ontlopen. Vaak behoorden ook agrarische landerijen en bossen tot het bezit. In de negentiende eeuw lieten rijke industriëlen, handelaren of plantage-eigenaren, steeds vaker landhuizen zonder bijbehorende landerijen bouwen.

Landweer

Een landweer is een lijnvormig verdedigingswerk, bestaande uit een stelsel van wallen en grachten. De aarden wallen waren soms beplant met doornenhagen. Landweren lagen meestal langs de grenzen van een territorium, op strategische plaatsen. Ze komen voornamelijk voor op de zandgronden, en dateren uit de late middeleeuwen tot de nieuwe tijd.

Legerplaats / castellum / fort

Een legerplaats is een fort voor militaire hulptroepen, gebouwd langs de grens van het Romeinse rijk (limes), grofweg de Oude Rijn. Het fort bestond uit een verdedigingswal en grachten, waarbinnen onder andere het hoofdkwartier van de commandant en de soldatenbarakken lagen. Er verbleven zo'n 500-800 man. Aanvankelijk werden de forten in hout gebouwd, maar in de loop van de tweede eeuw na Chr. werden steeds meer elementen in steen opgetrokken.

Marskamp

Een marskamp is een tijdelijke standplaats voor Romeinse legereenheden die onderweg waren. In tegenstelling tot de forten langs de Neder-Germaanse Limes, waren marskampen op zijn hoogst een aantal dagen in gebruik. Een marskamp bestond uit een omgracht terrein met aarden wal waarbinnen de soldaten hun tenten opzetten. Vaak werden ze gebruikt als uitvalsbasis tijdens militaire campagnes of voor het trainen van soldaten.

Metaalbewerking

Overblijfselen van metaalbewerking manifesteren zich in de vorm van grote hoeveelheden houtskool, hamerstenen (goud), gietdruppels (brons), hamerslag en smeedslakken (ijzer), malfragmenten en resten van lemen ovens. Metaalbewerking komt in Nederland voor vanaf de late fase van de nieuwe steentijd, omstreeks 2200 voor Chr.

Moated site

Een moated site, Engels voor ‘omgracht bezit’, is een door een gracht omgeven woonplaats, waarvan het voornaamste gebouw in baksteen is uitgevoerd en de andere gebouwen in hout. De gebouwen zijn vaak voorzien van verdedigingselementen, zoals kantelen, torens en een poortgebouw. Andere benamingen voor zo’n woonplek zijn: stenen kamer, begraven hofstad (West-Nederland), havezate (Oost-Nederland) en borg/stins (Groningen/Friesland).

Molen

Een molen is een machine die wordt aangedreven door wind- of waterkracht, soms door de spierkracht van dieren of mensen (tred- of rosmolen). De kracht wordt door de machine omgezet in het vermogen om onder andere maalstenen, persen, zagen, hamers, hijsmechanismen of pompen in beweging te zetten. Molens komen vanaf de vroege middeleeuwen in Nederland voor. De molenaar woonde vaak in of bij de molen.

Voorbeeld: Lomm - Liveldweg

Mottekasteel

Een mottekasteel is een versterking op een natuurlijke of kunstmatige heuvel van minimaal drie meter hoog, al dan niet omgeven door een of meer grachten. Op de afgeplatte top staat een gebouw van hout of bak-/natuursteen. Vaak is er een lager gelegen voorburcht. Mottekastelen dateren uit de volle middeleeuwen. Ze worden in Zeeland ‘vliedbergen’ genoemd en in Friesland ‘hege wieren’ (stinswier).

Stedelijke nederzetting

Een stedelijke nederzetting bestaat uit een grote groep huizen of erven, omgeven door stenen muren en/of wallen van hout en aarde, met poorten en torens. Vanaf de zestiende eeuw kunnen steden zijn voorzien van bastions, kazematten, halvemanen, hoornwerken en andere buitenwerken. De nederzettingen kunnen aangelegd zijn op kunstmatige verhogingen (terpen). We kennen ze sinds de Romeinse tijd.

Niet-opgehoogde, individuele huisplaats, kortweg 'huisplaats’

Vanaf de prehistorie kennen we boerderijen die geïsoleerd in het landschap liggen, niet als onderdeel van een grotere nederzetting. Ze worden ook wel huisplaatsen genoemd. In de middeleeuwen waren de bewoners van deze erven vaak de eerste ontginners, meestal van marginale gebieden. Soms zijn deze boerderijen in een latere fase opgehoogd tot een huisterp of -wierde uitgegroeid tot een gehucht of dorp.

Pottenbakkerij

Overblijfselen van een pottenbakkerij verraden zich door grote hoeveelheden houtskool, aardewerkscherven, misbaksels, lemen roosters of ovenwanden. Wanneer vanaf de late middeleeuwen glazuurlagen worden toegepast, zijn proenen ook kenmerkend. Dat zijn kleine aardewerken steunen die tussen de potten werden geplaatst om vastbakken te voorkomen. Pottenbakkerijen liggen vaak in de buurt van geschikte kleilagen.

Raatakker

Digitale impressie van een prehistorisch landschap. In de omgeving liggen raatakkers met daarvoor een nederzetting, hierboven vliegt een roofvogel. In de achtergrond liggen bossen.
Impressie van een prehistorisch landschap met bewoning en raatakkers. Op de akkers werden o.a. emmertarwe, gerst, pluimgierst, huttentut, rogge en spelt verbouwd. © Ulco Glimmerveen

Raatakkers, ook wel Celtic fields genoemd, zijn uitgestrekte akkercomplexen die vanaf ca. 1000 voor Chr. tot de tweede eeuw na Chr. voor de teelt van granen en andere gewassen zijn gebruikt. De aaneengesloten, vierkante akkertjes van ongeveer 35 bij 35 meter zijn begrensd door lage wallen. Deze dambordvormige complexen kunnen tientallen hectares groot zijn.

Rijengrafveld

In een rijengrafveld liggen overledenen op een rij begraven. Dit type grafveld kennen we uit de vroege middeleeuwen (400-850 na Chr.). Lijkbegraving is het meest gebruikelijk, maar crematie komt sporadisch ook nog voor. De overledenen kunnen met of zonder (boom)kist ter aarde besteld zijn. Vaak zijn grafgiften met de doden meegegeven. Soms zijn paarden en honden bij hun baas begraven.

Ringwalburg

Een ringwalburg is een rond, ovaal of halfrond terrein, omringd door wallen en grachten. Ringwalburgen zijn vooral verdedigingswerken en meestal niet, of pas later, permanent bewoond geweest. Ze liggen vaak op strategische locaties. We kennen ze uit het einde van de vroege middeleeuwen langs de Noordzeekust, de Rijn en de IJssel. De meeste ringwalburgen lijken te zijn aangelegd ter verdediging tegen de Vikingen.

Schans

Een schans is een versterkt complex, bestaande uit een geometrisch systeem van wallen en grachten. Schansen zijn aangelegd om een dorp, stad of regio te beveiligen tegen rondtrekkende bendes of legers. Schansen kunnen ook zijn gebouwd bij belegering van een stad of op een strategische plek als verblijfplaats voor militaire troepen. Dan zijn ze vaak onderdeel van een (circumvallatie)linie of stelling. De eerste schansen zijn opgeworpen tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Scheepvaart

Schilderij met een grote ijsvlakte, vermoedelijk een bevroren meer. Op het ijs bevinden zich tientallen mensen die zich vermaken met schaatsen, spel, maar ook mensen met sleeën. In het midden op de achtergrond zijn twee schepen in het ijs ingevroren.
Het schilderij 'IJsgezicht' van Hendrick Avercamp (ca. 1610). Op de achtergrond zijn twee waterschepen te zien. Collectie D.G. van Beuningen; Museum Boijmans Van Beuningen, Publiek Domein.

Scheepvaart is het vervoer en verkeer van goederen, mensen en dieren over water. Relicten daarvan zijn belangrijke bronnen voor de maritieme geschiedenis. De vaartuigen zelf, groot of klein, vertellen elk hun eigen verhaal. Die gaan vaak over reizen, handel, oorlog, visserij, en het leven en werken aan boord, vanaf de prehistorie tot in de nieuwe tijd.

Steen- of pannenbakkerij

In een steen- of pannenbakkerij is keramisch bouwmateriaal gebakken, zoals bakstenen, tegels, plavuizen en dakpannen. Vaak liggen er ondiepe kleilagen in de ondergrond. Leemputten en zogeheten ‘tichelgaten’ liggen dan in de buurt, voor de benodigde klei- en leemwinning. 'Tichel' is afgeleid van het Latijnse tegula (dakpan). Steenbakkerijen komen voor vanaf de Romeinse tijd tot in de nieuwste tijd.

Steentijdbewoning

Digitale impressie van een hut gemaakt van dierenhuiden met rechts een smeulend kampvuur en links drogend vlees op een houten rek. De tent staat in een toendralandschap met een klein meer in de achtergrond.
Impressie van bewoning in de oude steentijd (ca. 2,5 miljoen jaar – 11.000 jaar geleden), een periode van ijstijden met open vlaktes en weinig vegetatie, afgewisseld met warmere periodes. © Ulco Glimmerveen

Daar waar jagers en verzamelaars tijdelijk hun kamp hebben opgeslagen, waar voedsel op vuur is bereid, en waar vuursteen en andere materialen zijn bewerkt, spreken we van steentijdbewoning. Tijdens het bewerken van vuursteen zijn kleine stukjes afval op de grond terechtgekomen. Dat vuursteenafval, maar ook werktuigen, houtskool en verbrande noten, zoals hazelnoten zijn kenmerken van kampementen. We kennen deze locaties vanaf de oude steentijd tot in de bronstijd.

Terp / wierde

Illustratie van woningen op een terp in een kwelderlandschap met een kreek in de voorgrond. Tussen de kreek en de terp staan koeien.
Impressie van terp- of wierdebewoning in het Fries-Groningse kwelderlandschap rond het begin van de jaartelling. Sommige terpen of wierden ontwikkelden zich later tot dorpen. Men stopte met ophogen toen dijken het zeewater tegenhielden. © Rob van Eerden

Een terp (in Groningen spreekt men van ‘wierde’ en in andere delen van Nederland van ‘werf’ of ‘pol’) is een kunstmatig opgeworpen verhoging in laag-Nederland om droog te kunnen wonen. Eeuwenlang hebben de bewoners ophogingslagen aangebracht en hun huizen herbouwd. Het ophogen begint in de late ijzertijd (ca. 250 voor Chr.) en loopt door tot in de volle middeleeuwen. Vanaf de terpen is het landschap ontgonnen en benut. Zo ontstonden licht verhoogde akkers rond de terp, zogenaamde ‘valgen’. Veel terpen hebben een radiale indeling met paden die aan de rand samenkomen in een karakteristieke ossengang. De woonheuvels zijn via natuurlijke watergangen verbonden met hun omgeving. Veel terpen zijn tot op de dag van vandaag bewoond en in gebruik. Er zijn er ongeveer 1000 in Friesland.

Urnenveld

Een bruine urn op een witte achtergrond. Rechts staat een zwarte schaalbalk.
In een urnenveld zijn de overledenen onder een eigen, kleine heuvel begraven. Vaak is het lichaam gecremeerd waarna de resten zijn verpakt in een aardewerken pot, een urn. © Weert, Museum W/ Restaura

Een urnenveld is een grafveld waar gecremeerde overledenen zijn bijgezet, al dan niet in een urn. Iedere dode werd onder een eigen heuvel begraven die is opgericht in de directe nabijheid van een andere. De heuvels zijn opgeworpen van heideplaggen en van grond die uit een omringende greppel afkomstig is. Urnenvelden dateren vanaf de late bronstijd tot in de midden-ijzertijd (ca. 1100-400 voor Chr.).

Vicus

Gedetailleerde reconstructietekening in kleur van een kampdorp. In het midden een brede aarden weg met karrensporen. Aan de linker- en rechterkant staan woningen en andere gebouwen, met witte gevels en rode pannendaken. Voor een aantal gebouwen zijn mensen aan het praten en werken. Op de voorgrond een houten kar.
Impressie van een Romeins kampdorp (vicus), gebaseerd op het archeologisch onderzoek in Heerlen (Coriovallum). Afbeelding © Submedia, Gemeente Heerlen

De term vicus wordt zowel gebruikt voor een Romeinse nederzetting zonder stads- of marktrechten als voor een kampdorp bij een Romeins fort. In het eerste geval gaat het om een nederzetting die gunstig gelegen was op een kruispunt van wegen en een centrale functie had voor de omgeving. In het laatste geval waren er werkplaatsen en horecagelegenheden gevestigd en woonden de vrouwen en kinderen van de soldaten er.

Villa

Een villa is een landbouwbedrijf uit de Romeinse tijd. Het bedrijf bestaat uit een hoofdgebouw, bijgebouwen zoals stallen en schuren en akkers. Er is variatie in de omvang en uitvoering van de villa’s: van klein en eenvoudig tot groot en luxe. Het hoofdgebouw is vaak in Romeinse stijl gebouwd, geheel of gedeeltelijk van steen en met een porticus (veranda), pannendak en kamers met vloerverwarming.

Vuursteenbewerkingsplek

Daar waar mensen vuursteen hebben bewerkt en waar vooral bewerkingsafval is achtergelaten, spreken we van een vuursteenbewerkingsplek. Dit zijn meestal kleine stukjes vuursteen die op de grond terechtgekomen bij het bewerken van een vuursteenknol en het maken van vuurstenen werktuigen of halffabricaten ervan. We kennen deze locaties vanaf de oude steentijd tot in de bronstijd.

Vuursteenwinningsplek

Een ingekleurde pentekening toont een doorsnede van een vuursteenmijn. Verschillende figuren zijn aan het werk op een aantal plekken in de mijn. Van bovenaf wordt met een touw een emmer in een schacht naar beneden gelaten. In een andere schacht klimt een werker via een touw naar boven.
Schematische doorsnede van een mijn in Rijckholt. De mijnwerkers groeven verticale schachten tot ze één bepaalde laag vuursteenknollen bereikten. Vervolgens groeven ze horizontale gangen voor de winning van het vuursteen. Foto © Bob Brobbel

Daar waar mensen vuursteen hebben verzameld door middel van het uitgraven van kuilen, mijnschachten en gangen, spreken we van een vuursteenwinningsplek. De verzamelde vuursteenknollen zijn verder bewerkt tot halffabricaten of werktuigen. We vinden belangrijke winningslocaties voornamelijk in Zuid-Limburg, waar goede kwaliteit vuursteen van nature in de kalksteen voorkomt. Die locaties houden verband met continue vuursteenwinning in de nieuwe steentijd (hoogtepunt tussen 4200-2500 voor Chr.).

Wachtpost (burgus)

Een wachtpost uit de Romeinse tijd, ook wel burgus genoemd, is een houten of stenen toren met een vierkant of rechthoekig grondplan. Om de toren ligt een wal en een of meer grachten. Burgi functioneerden als militaire versterkingen en controleposten langs wegen en bij nederzettingen.

Wal / omwalling

Een wal of omwalling is opgeworpen grond in een langgerekte, circulaire, vierkante, recht- of meerhoekige vorm. De top was soms voorzien van houten staketsels, palissades of doornige struiken. Naast de wal bevond zich vaak een sloot of gracht waarvan de uitgegraven grond in de wal is verwerkt. Wallen dienden vooral om aanvallers, wilde dieren, water, vuur of stuifzand buiten te houden en mens, vee, gewassen en gebouwen binnen de omwalling daartegen te beschermen.

Waterinfrastructuur

Om water uit bronnen te gebruiken heeft de mens allerlei slimme listen bedacht. Op plekken waar druk op het grondwater staat, is gegraven zodat het opkomende water kon worden geleid. Een door mensen gegraven of verlegde beek wordt een spreng genoemd. De Romeinen waren ook de eersten die aquaducten aanlegden en het landschap daarop aanpasten bijvoorbeeld in de vorm van sprengen. Aquaduct betekent in het Latijn ‘het leiden van water’, en dat verliep via houten of stenen bakken. Het geleide water werd eeuwen lang voor allerlei doeleinden gebruikt, als drinkwater voor mens en dier, en in de nieuwe tijd ook voor industriële toepassingen, zoals het maken van papier.

Weg

Een weg is een begaanbare verbinding in het landschap tussen verschillende plaatsen. Sinds de prehistorie kennen we wegen, die vaak routes worden genoemd omdat ze niet verhard waren. De Romeinen brachten af en toe grindpakketten aan en groeven bermgreppels. Diep ingesleten karrensporen uit de middeleeuwen zijn in het zandige deel van Nederland soms nog goed herkenbaar. Wegen zijn vaak verbonden met andere landschapselementen.

U kunt op deze kennisbank reageren via het reactieformulier.

Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 28 mrt 2024 om 04:04.